Sint-Martinus’ feest op 11 November

Sint-Martinus’ feest op 11 november

Geplaatst op 7 november 2019 Gewijzigd op 7 november 2019 door Peter Sneyers

Sint-Martinus ( ° 316 in Sabaria in Pannonia (nu Hongarije) + 397 in Candes bij Tours) bisschop van van Tours, apostel van Gallië, bekeerder van de Franken, grote volksheilige en patroon van talrijke parochies in Frankrijk, België, Nederland en gans Europa is patroonheilige van de Sint Martinus parochie in Retie.

Sint-Maartensvuren

Het feest van Sint-Martinus is in de plaats getreden van het oud-germaanse herfstfeest, met dankoffers voor de oogst aan de Germaanse oppergod Wodan en met gedachtenis aan de afgestorvenen. Aan dit herfstfeest herinneren de oude Sint-Maartens vuren die in de volksprenten nog afgebeeld worden. Het waren oudtijds de heidense noodvuren: vuren waren gewijd aan de geesten van de vruchtbaarheid, maar ook een afweermiddel tegen boze geesten en heksen.

Gebruiken die herinneren aan de Sint-Maartens vuren: in Noord-Holland, Friesland en Groningen wordt Sint-Martinus sinds eeuwen gevierd door de kinderen, die met lichtjes langs de huizen lopen op de avond van 11 november. In Zandvoort stoken de jongens grote vuren van manden die ze ‘stelen’. Op hun tocht door het dorp zingen ze: ” ieder past op z’n manden, we zullen ze gaan verbranden, …”. Aan het oud-heidense oogst- en vreugdefeest herinnert de Sint-Maartensgans: de gans was aan Wodan gewijd, werd gekerstend en bleef tot het feest behoren, zolang en waar men in het bezit van een gans kon komen ( Sint-Martinus staat o.m. afgebeeld met een gans in een van de brandglasramen in het hoogkoor van de Sint-Pieter en Pauwelskerk te Mol).

Sint-Maarten was het grote oogstfeest en viel in de slachttijd: zo werd het de eerste grote smuldag van de Joeltijd ( bij de Germanen de naam voor het Midwinterzonnewendefeest). In Vlaanderen zegt men: ‘ op Sint-Martijn slacht de boer zijn zwijn’. ( K. Terlaan, Folkroristisch woordenboek van Nederland en Vlaams België, 1949).

U vindt meer over het feest van Sint-Maarten ( Sinte-Mètten) bij Evenementen: Sint-Maarten

‘Vandôg is ’t Sinte-Mètte èn mèrgen is ’t de kruk…

DE ‘KRUKKWESTIE’ (Uit Zeven Neten, jaargang 23, nr. 4)

Op 11 november verscheen er op de website ‘Nieuw Kerknet’ een artikel over het Sint-Maartenfeest, zoals het gevierd wordt in het Mechelse.
Ook het Mechelse Sint-Maartenliedje ‘Sinte-Mette van de Ruggenuchte’ was te lezen. Mijn aandacht werd getrokken op het volgende fragmentje en in het bijzonder op het eerste vers daarvan:

Sinte-Mette oep de kruk Géft nen appel of e stuk Géft ‘n peir, of ’n smeir Sinte Mette den beideleir

‘Sinte-Mette oep de kruk’, deed me onmiddellijk denken aan de ‘kruk’ in ‘ons’ Sinte-Mettelied. De taalkundige context maakt het bijna onmogelijk dat ‘kruk’ in beide liederen dezelfde betekenis heeft.

De Mechelse ‘kruk’ zette me ertoe aan, onze ‘kruk’ nog eens onder de loep te leggen.

‘èn mèrgen is ’t de kruk’

Voor ons als kinderen duidde ‘kruk’ een activiteit op 12 november aan. Dan wer- den de resten van het Sint-Maartenvuur opgestookt. Een soort van nagerecht, na de hoofdschotel van de dag voordien. De taalkundige betekenis van het woord ‘kruk’ was ons natuurlijk bekend. Maar als we daaraan soms al dachten bij het zingen van ‘Vandôg is ’t Sinte-Mètten èn mèrgen is ’t de kruk’, dan was er enkel een zeer vage associatie met de bedelaar aan wie Sint-Maarten de helft van zijn soldatenmantel geeft. Een ‘kruk’ riep het beeld op van bedelende, arme, gehan- dicapte mensen. En Sint-Maarten stelden we ons voor als de soldaat te paard, die met zijn zwaard zijn mantel in tweeën snijdt. De afbeelding van Sint-Maarten als bisschop was ons onbekend of interesseerde ons niet.

In het decembernummer van Zeven Neten, jaargang 14, 2007, deed ik een poging om ‘kruk’ te verklaren. ‘Kruk’ zou kunnen verwijzen naar de mankende bedelaar met kruk of naar het voorwerp zelf.

Walter Raeymaekers kwam evenwel de echte betekenis van ‘èn mèrgen is ’t de kruk’ op het spoor. In jaargang 15, nr. 1, van Zeven Neten, schrijft hij het volgende: ‘Een verlossende uitleg bij Terlaan (Flokloristisch Woordenboek van Nederland en Vlaams-België, 1949), onder het vetgedrukte woord Sint-Kruk. Wij citeren: ‘Naam die voorkomt in verscheidene Sint-Maartensliedjes in Noord- en Zuid-Nederland. In ’t Daget van 1888, blz. 142, vindt men de uitleg: Sint-Kruk is de heiligendag, die ’t daags na Sint-Maarten valt… Op 12 November, is het de dag van een andere Mar- tinus, paus en martelaar, die afgebeeld wordt met zijn kruk, d.i. zijn bisschopsstaf.’ En die Martinus vinden we inderdaad ook vermeld, zoals Walter Raeymaekers opmerkt, in het missaal dat velen van ons, vermoed ik, met zorg bewaren en met nostalgie koesteren..

page1image58307824

Sint-Martinus I: paus en martelaar.

Maar… Sinds 1969 klopt ‘èn mèrgen is ’t de kruk’ ofte ‘Sinte-Kruk’ niet meer. Wat is er gebeurd? De Rooms-Katholieke Kerk heeft in dat jaar als feestdag van Martinus I, paus en martelaar, 14 april overgenomen van de oosterse Kerk. En dus vind je op 12 november geen Martinus I meer in katholieke gebedenboeken, heiligenkalen- ders en ook niet in scheurkalenders.

Een wijdverspreid Sint-Maartenlied

‘Vandôg is ’t Sinte-Mètten èn mèrgen Sinte-Kruk / is ’t de kruk’, is een wijdverspreid Sint-Maartenlied in Vlaanderen en Nederland.

In de Nederlandse Liederenbank is een dertigtal liederen met die beginregel, opgenomen. Opvallend is evenwel dat in slechts zeven liederen ‘mèrgen is ’t de kruk’ wordt gebruikt. In twee komt ‘op de kruk’ voor. Al de andere starten met: ‘Vandaag is ’t Sinte-Metten en mergen Sinte-Kruk’. Vergeleken met ‘ons’ Sinte-Mettelied, zijn er wel heel wat lichte, soms wat sterkere variaties.

Weliswaar is er een overmacht van ‘Sinte-Kruk’, maar het oudste gedrukte Sint- Maartenlied met de ‘Retiese ‘ beginregel, is te vinden in Wodana, een tijdschrift uitgegeven door het Museum voor Nederduitsche Oudheidskunde, in 1833.

En wat nu met ‘op de kruk’?

De kruk in het Mechelse Sint-Maartenlied is een draagstoel, die door vier kinderen gedragen wordt. Op de ‘kruk’ zit een klein en licht kind, dat Sint-Maar- ten voorstelt.
De Sinte-Mette in de draagstoel neemt een pollepel mee om snoep of geld in ontvangst te nemen.

In Volk en taal, 1893, blz. 57, wordt het tafereel als volgt omschreven: ‘eene draagberrie, waarop een knaap zit met papieren kasuifel aan, eenen mijter in verguld papier, eenen knevel, gelijk zijne dragers, eenen vergulden staf in de hand, die St. Maarten verbeeldt. Aan de kruk hangt een kabas of korf om er het ontvan- gene in te bewaren.’ En de schilder en tekenaar Alfred Ost (1884-1945) maakte een kleurrijke tekening van ‘Sinte-Mette op de kruk’.

Sommige volkskundigen zijn van mening dat de Sint- Maartenliederen waarin ‘Sinte-Metten op de kruk’ voorkomt, ontstaan zijn uit hekelliederen over Maar- ten van Rossum. Maarten Van Rossum was een 16de eeuwse bekwame en gevreesde krijgsheer.

page2image57789616

‘Sinte-Mette op de kruk’, een tekening van Alfred Ost.

Volk en Taal publiceert in 1893 de twee volgende liedjes om het verband tussen Sint-Maartenliederen en Maarten van Rossumliederen te staven:

Sinte Merten op de kruk, geeft me ‘nen appel,
ik geef u een stuk.
Geef me een peer,

ik geef u een smeer,
Sinte Merten den babbeleer.

Hierbij sluit het reeds vermelde Mechelse fragment nauw aan.
Die liederen zouden dus voortkomen uit het volgende ‘Merten van Rossumlied’:

Merten van Rossum is een kruk, geeft hem ‘nen appel,
hy geeft u(w) een stuk,
geeft hem een peer,

hij geeft u(w) een smeer,
Merten van Rossum den grijzen beer.

Op te merken valt dat in ‘Merten van Rossum is een kruk’,
de figuurlijke en verpersoonlijkte betekenis van het voorwerp ‘kruk’ wordt gebruikt en die is ook in het hedendaagse Nederlands nog altijd: knoeier, broddelaar, stumper, sukkel.

Onze Retiese ‘kruk’ duidt evenwel zonder twijfel Sinte-Kruk of Sint-Martinus I, paus en martelaar, aan wiens feestdag voor 1969 op 12 november viel.

page3image58670960

Maarten Van Rossum: de 16de eeuwse gevreesde krijgsheer.

Gust Adriaensen

Uit Zeven Neten, jaargang 23, nr. 4