Driekoningen zingen

Drie koningen, drie koningen, geef mij een nieuwe hoed 

(uit tijdschrift ‘ Zeven Neten’ , jaargang 15, nr. 4)

Op 6 januari vieren we het feest van Driekoningen, in de provincies Oost-en West-Vlaanderen ook Dertiendag geheten, d.w.z. dertien dagen na Kerstmis. De oorsprong ervan ligt bij de Germanen. Tussen Kerstmis en Driekoningen vierden zij hun Joel- of Winterzonnewendefeest, de overgang van het oude naar het nieuwe jaar. Omdat die ‘heidense’ feesten samenvielen met christelijke feestdagen, plaatste de kerk Kerstmis aan het begin van de dertien dagen en Driekoningen aan het eind, als afsluiting van het midwinterfeest. 

Driekoningen wordt in de liturgie ook het feest van de openbaring genoemd: vooral de openbaring van Jezus aan de heidenen in de persoon van de drie Wijzen uit het oosten, naast de twee andere openbaringen: de doop in de Jordaan door Johannes en het eerste wonder op de bruiloft in Cana. 

In het evangelie van Mattheus lezen we onder meer: ‘Toen ontbood Herodes in het geheim de Wijzen en vroeg hun nauwkeurig naar de tijd waarop de ster verschenen was. Daarop zond hij hen naar Bethlehem met de opdracht: Gaat en doet zorgvuldig navraag naar het Kind, en als Ge het gevonden hebt, meldt het mij dan, opdat ook ik Het hulde kan gaan brengen. Als zij de koning gehoord hadden, gingen zij heen. En zie, de ster, die zij in het oosten hadden gezien, ging voor hen uit, totdat zij bleef staan boven de plaats waar het Kind geboren was. Bij het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde. Zij traden binnen en vonden het Kind met zijn moeder Maria. Zij knielden neer, aanbaden het Kind en boden Het geschenken aan: goud, wierook en mirre. En in een droom van Godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij langs een andere weg naar hun land.’ 

Nu trekken bij ons de koningen op hun feestdag met hun ster en hun bijbelse namen langs de huizen: Caspar, Balthazar en de moor Melchior. Zij vertellen hun wedervaren in een lied en halen giften op.
Vroeger was ook in Retie dit feest stevig ingeburgerd. Zowel de kinderen als de volwassenen gingen Driekoningen zingen. Verkleding en vermomming waren vlug klaar: een beddenlaken of bedsprei als mantel, een afgedragen jas en een neusdoek. Als vermomming (‘mombakkes’) een stuk witgoed met twee kijkgaten en een mondgat. Het ‘mombakkes’ kreeg een kleurtje of werd bewerkt met houtskool. Sommigen kochten het aan in een of andere winkel. En om zich nog meer onkenbaar te maken zetten de zangers een pet of hoed op. 

Op de vijfde januari, bij valavond, vertrokken de zangers in groepjes met een beurs en soms een draaiende ster. Huis na huis werd aangedaan. Pas nadat de bewoners de namen van de koningen en hun aanhang kenden, ging er een geldstuk of snoepgoed naar de beurs. Zo ging de kleurrijke tocht een ganse avond verder al zingend ‘Drie koningen, drie koningen, geef mij nen nieuwen hoed … ons vader heeft het geld op de rooster geteld.’ Argeloos werd het liedje af gedreund. Toch verbergt het een brok geschiedenis. Destijds maakten minder welgestelde gezinnen van het driekoningenfeest gebruik om met het zingen extra inkomsten te bekomen. Daarom trok het ganse gezin, vader en moeder inbegrepen, op ronde. Aan het einde van de tocht mochten ze samenkomen in een herberg waar ze een kop warme soep kregen. Daar lagen dan, op hoopjes, tweedehandse kledij en huisraad. Vandaar die ‘ouwe’ hoed in het lied. Maar in de tekst komt ook ‘ons vader heeft het geld op de rooster geteld’ voor. Na het zingen van het driekoningenlied kregen de zangers, naast fruit en snoep, ook muntstukken. De vader, het gezinshoofd, schudde op het einde alles uit op een rooster. De snuisterijen bleven op de rooster liggen, de geldstukken vieren erdoorheen. Die telde vader en stak hij op zak. Zo was het driekoningenfeest ook voor de armsten een batige dag. Een andere versie van hetzelfde lied luidt: ‘Drie koningen, drie koningen, wij krijgen een nieuwe hoed.’ Inderdaad, in bepaalde steden kregen de lagere ambtenaren die dag een nieuwe hoed. 

Bij uitzondering kregen ook meer ‘verheven’ liederen een kans bij het Driekoningen zingen, zoals Daar kwamen drie koningen met ene ster, Wij komen van oosten, De ster van vrede of Nu sijt wellecome. Hierin kwamen naast de offergaven goud, wierook en mirre, ook de ster en de wijzen ter sprake: de ster als religieus zinnebeeld van het licht (bij de Germanen als afschrikmiddel tegen boze geesten), goud – het voornaamste van de edele metalen – als verwijzing naar het koningschap, maar ook als symbool van waardering en betrouwbaarheid (koper en ijzer bijvoorbeeld worden lelijk na een tijd, goud blijft altijd mooi), de geurige wierook als symbool van aanbidding en van het ten hemel stijgende gebed, mirre – net als wierook een welriekend gomhars – als teken van het sterfelijke in Jezus (mirre was ooit een belangrijk bestanddeel bij de lijkbalseming), maar het werd ook toegevoegd aan de olie waarmee koningen en profeten werden gezalfd. Profeten zijn godsgezanten, mensen die de waarheid spreken en die anderen proberen te overtuigen om goed te leven.

Over het getal drie en de titel koningen bestaat nog heel wat onenigheid. De traditie maakte er koningen van, ten getale van drie vanwege de drie gaven: goud, wierook en mirre. En hoe zit het nu met die wijzen? Volgens het Mattheusevangelie kreeg de Heilige Familie in de stal het bezoek van magoi, een Grieks woord voor een bijzonder soort geleerden. In het oude Perzië waren dat priesters aan wie men een bijzondere kennis toeschreef. De toevoeging ‘uit het oosten’ zou op Babylonië of Arabië kunnen wijzen. 

Ook de Retiese heemkundige kring zal op 5 januari e.k. zijn zangers uitsturen naar het WZC Annadal, het Kloosterhof(serviceflats) en particulieren (vanaf 2021 ook weer naar de basisscholen – in 2019 en 2020 was en is het op 5 januari nog vakantie), met de boodschap ‘Retienaren doe zelf mee of leef mee: van oude tradities word je jonger!’

Walter Raeymaekers 

Bronnen
Brabantia Nostra, jaargang 9, december 1950, nr. 4.
Pol Heyns, Antieke kalenderprenten, Davidsfonds, Leuven, 1945.
Bart Lauvrijs, Eenjaar vol feesten – Oorsprong, geschiedenis en gebruiken van de belangrijkste jaarfeesten. Standaard Uitgeverij / Elmar, 2004.
René Stappaerts, De Lozie, 1992.
K. Ter Laan, Folkloristisch woordenboek van Nederland en Vlaams België, ‘s-Gravenhage, 1949.
(Al deze werken zijn te raadplegen in de bibliotheek van de Retiese Heemkundige Kring vzw.)