De Sint-Martinuskerk

Onderstaande tekst is hoofdzakelijk gebaseerd op het gemeente- en kerkarchief
en op 'Bijdrage tot de Geschiedenis van Retie' van Edward Sneyers.



Binnenzicht van de kerk voor 1963


Een 'bedderen' kerk

Op de octaafdag van het feest van Sint-Maarten in de winter van het jaar 1264 schenken Wilhelmus, deken van het kapittel van de Sint-Martinuskerk te Luik, en het kapittel de landgoederen die de Luikse kerk
'sinds onheuglijke tijden'
in de 'villa de Rethy' bezat, aan de abdij van Tongerlo voor de som van 19 pond Leuvens, elk jaar te Luik te betalen, de ene helft op O.L.V.-Lichtmis (2 februari), de andere op Sint-Jan Geboorte (24 juni).

Onze kerk was toen waarschijnlijk, zoals op vele plaatsen, een 'bedderen' (gemaakt van planken) kerk.
Adriaan Heylen schrijft in Historische verhandeling over de Kempen (1837) dat een kapel of kleine bidplaats het begin van de meeste onzer kerken is: de priester droeg de mis op in de kapel, het volk stond buiten.
Mettertijd bouwde men voor de kapel een strooien afdak, een soort schuur, om de misgangers te beschutten bij regen of guur weer.

Uit een proces dat in 1769 door de kerkmeesters werd aangespannen tegen de tiendheffers van het dorp (de dorpsheer, de abdis van Rozendaal en de prelaat van Tongerlo) omdat zij weigerden hun aandeel in de herstellingswerken van dak en toren te betalen, zou kunnen worden afgeleid dat ook in Retie dergelijke kleine kapel het begin van de kerk is geweest.
Later kan ze uitgebouwd zijn tot toren en spits.
Advocaat Lindemans, pleitend voor de abdis van Rozendaal, merkt in dat proces op 'dat den thoren van de geseyde kercke op syn selven staet ende gemaeckt is sonder de kercke, denwelcken soo in zyn steenwerck als naelde van eene extraordinaire dickte ende hoogte is'.
Daarom wil hij wel bijdragen in de reparatie van het dak maar niet in die van de toren want die hoort niet bij de kerk.
Waarop advocaat Adriani, voor de kerkmeesters van de Sint-Martinuskerk, repliceert dat 'het onderste deel van den thoren, als wesende concaef (holrond), deel van de kercke maeckt'.

Een stenen kerk

Voor 1461 moet er reeds een stenen kerkgebouw geweest zijn.
In de kerkmeestersrekeningen van dat jaar zijn er aantekeningen over herstellingen aan het dak, de sacristie, het Maria-altaar en het koor.
In 1640 worden er 3050 stenen verwerkt aan de kerk en in 1648 worden in Maastricht tienduizend schalies gehaald.
Het hele dak wordt vernieuwd in 1731.
Toch klagen de kerkmeesters in 1769 de erbarmelijke staat van de kerk aan: 'De kerk van Retie, wier altaren bijna gans naakt zijn, heeft een stukgebroken vloer en een welfsel dat dreigt in te storten; ze is zo weinig voorzien van sieraden dat zij eerder het uitzicht van een schuur heeft dan van een tempel Gods; zij is veruit de lelijkste van de omliggende dorpen in het Kempenland en is daarbij ook te klein voor het groot aantal inwoners.'
In 1774 wordt daar wat aan gedaan.
De kerk wordt niet vergroot (lengte 32 m, breedte 13 m, dwarsbeuk 29,60 m) maar er worden 5700 stenen verwerkt en timmerlui werken er drie maanden.

Uitgebreide herstellingswerken (1818)

Tussen april en juli 1818 worden herstellingswerken aan de Sint-Martinuskerk uitgevoerd.
De kerkmeestersrekeningen vermelden de aankoop van grote hoeveelheden stenen, schalies, lood, zavel, kalk en andere materialen.
In het bijzonder aan de toren wordt veel tijd besteed.
De schalies worden vernieuwd en de centrale torenstijl, de 'priemsteyl', wordt onder handen genomen. Het interieur wordt gewit - men laat speciaal 'twee eemers maeken voor te witten' -en een aantal beelden wordt geverfd, met name 'het belt van sinte antonius van siente sebastiaen van siente nicolaes van sinte severius van sinte ambrosius van siente barbera'.
Ook het beeld van 'siente ioseph' wordt in het lijstje opgenomen maar met de vermelding 'niet betaelt'.
Voldeed dat werkje niet of gold toen ook de slogan 'vijf betalen, ťťn gratis'?

Het 'schueren en kuissen in de kerk', waarvoor een 'half dosijn bessems' worden aangekocht, brengt de finishing touch.
De kerkmeesters zorgen voor een feestelijk slot.
Zij betalen 'negen potten bier van het gelukwensen van het krijs op den toren te setten'.


Binnenzicht van de oude kerk.
Prentkaart: verzameling Theo Breugelmans


Binnenzicht huidige kerk


 Een nieuwe kerk (1868-1872) 

De Sint-Martinuskerk

In het jaarlijks verslag van het schepencollege over het bestuur en de toestand van de gemeente van 4 januari 1865, is te lezen dat 'het kerkgebouw alhoewel het zelve wat te bekrompen voorkomt, zich steeds in eenen voldoenden toestand bevin'.
Geen drie jaar later, op 25 januari 1868, verzoekt het Retiese gemeentebestuur, 'overwegende dat het Kerkfabriek in zitting van 5 lopende maand, eindelijk beslist heeft de parociale Kerk dezer gemeente, welke zeer bekrompen is in aanzien der bevolking, te vergrooten', de heer Van Gastel, provinciaal architect te Turnhout, naar Retie te komen.

Als Van Gastel begin december 1869 nog altijd niet de weg naar Retie heeft gevonden, dringt het gemeentebestuur bij de arrondissementscommissaris erop aan een bijzondere architect te sturen, want 'dezen staat van zaken kan niet blijven duren, immers de kerk is dusdanig bekrompen dat bijzonder des zomers de openbare gezondheid er door gekrenkt word'.

De opvolger van Van Gastel, architect Taeymans, maakt de plannen en nodige stukken begin 1870 klaar zodat de gemeenteraad op 4 juli 1870 de beslissing kan nemen de kerk te vergroten.
Want, zo luidt de gemeenteraadsbeslissing, de kerk is veel te klein en bekrompen.
En de gemeenteraad voegt eraan toe dat 'een gedeelte der parocianen des zondags verplicht zijn buiten de Kerk te blijven om er missen te hooren; dat gedurende het zomersaisoen de Kerk dusdanig van geloovigen opgekropt is dat de openbare gezondheid er door lijd en eindelijk dat het groot gedrang in de Kerk de oorzaak van stoornis aan de Goddelijke diensten toebrengt'.
De raming bedraagt 84.993,08 frank.
Twee derde hiervan zal betaald worden door gemeente en kerkfabriek.
De kerkfabriek engageert zich voor 17.000 frank.
Het gemeentebestuur zal 56.662,08 fr. betalen.
Bij het Gemeentekrediet zal een lening aangegaan worden en er wordt staats- en provinciale subsidie aangevraagd. Op 2 januari 1871 keurt de gemeenteraad de aanbesteding goed voor de som van 98.600 frank.
De lengte zal 43,30 m bedragen, de breedte 18 m (in de dwarsbeuk 32,50 m).
In het lastenboek wordt o.m. het volgende vermeld: 'de bestaande kerk moet afgebroken worden, de vloertegels moet de aannemer zorgvuldig uitbreken en in de nieuwe kerk plaatsen, de toren mag niet beschadigd worden en moet behouden blijven, de ingangsdeur moet vergroot worden en er moet een venster worden bijgemaakt.
Het metselwerk zal uitgevoerd worden in de beste Boomse paapsteen, blauwe steen moet van Ecaussines of Soignies komen, witte steen Savonnire dient gebruikt.

Tijdens de bouwwerken worden de klokken niet geluid om de alleenstaande toren niet te schaden.
Een noodkerk wordt opgericht op het terrein voor de pastorie.
Het is een houten gebouw van 40 m lang met achttien vensters en drie deuren.

In de loop van 1872 komt de nieuwe kerk gereed: een mooi en ruim gebouw met drie beuken, in ogivale stijl en in de vorm van een Latijns kruis.
Een gedenksteen in de voorgevel van de kerk, vlak naast de toren, herinnert daaraan.
Het inschrift luidt: De gouverneur Ridder Pyck/ de Burgemeester L. Van den Eynde/ H. Pastoor A.F. Verbist/ de bouwmeester J. Taeymans/ MDCCCXII.
Of er oorspronkelijk een kruistorentje op de Sint-Martinuskerk was, zoals te zien is op het in 1899 door Frans Van Leemputten geschilderde dorpszicht van Retie, is niet duidelijk.

Pas negen jaar later, op 26 september 1881, wordt de nieuwe kerk plechtig ingewijd door Mgr. Van den Branden de Reeth, hulpbisschop van kardinaal Descamps.

De toren vernieuwd

Tussen 1890 en 1901 worden diverse beslissingen genomen in verband met herstellingswerken aan de kerktoren. Op 27 september 1890 oordeelt de gemeenteraad dat niet alleen de bestaande 'donderafleider' op de toren 'verwoest en vervuild' is, maar dat er ook een bliksemafleider nodig is op de kerk zelf aangezien er 'van het middenpunt der beuken der kerk tot den toren eenen afstand van 28 meters' is. Een nieuw 'donderscherm' zal op de toren geplaatst worden en het bestaande zal hermaakt worden en op het middenpunt der kerk geplaatst.
De kosten worden geraamd op 392,50 frank.
De provincie wordt verzocht voor een derde in de kosten tussen te komen.
Wanneer de provincie laat weten maar voor een zesde te willen subsidiŽren, verzoekt de gemeente de staat het andere zesde voor zijn rekening te nemen, maar in februari komt er een weigering.

In het gemeenteverslag van 29 maart 1893 lezen we dat de kerktoren 'zich in eenen staat bevint welke dringende reparatin vergt, dat boven de frijten gansch zijn uitgebrokkeld, dat er zelfs eene is welke dreigt te vallen'.
Herstellingswerken dringen zich dus op, temeer 'dat den toren in eere moet worden gehouden'.
De raming bedraagt 8.000 fr. en de werken zullen in eigen beheer uitgevoerd worden.
In juni 1893 worden werken ten bedrage van 2070,30 fr. goedgekeurd.
Er worden subsidies gevraagd aan staat en provincie, de onkosten zullen gedekt worden door de verkoop van 'mastebosschen'.

Klaarblijkelijk zijn de werken van dien aard dat uiteindelijk toch een beroep moet gedaan worden op de provinciale architect.
Die maakt in april 1895 een bestek waarin de kosten geraamd worden op 7.867 fr., wat zo goed als het bedrag is dat hij twee jaar eerder in een ruwe schatting reeds had opgegeven.
Maar ook de gemeenteraad is koppig.
De omvang van de werken wordt ingekrompen zodanig dat de kosten nog precies het in juni 1893 vastgestelde bedrag bedragen.
Maar de provinciale bouwmeester trekt uiteindelijk aan het langste eind.
Wanneer de werken begonnen zijn, wordt geconstateerd dat 'het steenwerek onder de galmgaten tot aan de spits gansch vermorzeld en ingeeten is'.
Het werk kan onmogelijk voor 2070,30 fr. uitgevoerd worden.

Op 1 mei 1899 beslist de gemeenteraad de torenspits te laten herstellen aangezien 'het schalindak op menige plaatsen versleten' is.
Bovendien wordt gesteld dat de uitgang van de kerk te smal is en 'dat daardoor en tengevolge der trappen die zich aan den ingang bevinden de uitgang der Kerk na de Goddelijke diensten moeilijk is en aanleiding geeft tot groot gedrang'.
Of er iets aan die uitgang is veranderd, is niet duidelijk uit de documenten te lezen.
De herstelling van de torenspits wordt echter op 31 augustus 1901 toegewezen aan de firma Weylen uit Hoogstraten voor 3590 frank.

Restauratie van de toren en de galmgaten



Het nieuwe haantje

In 1962 werden zowel de bliksemafleider als het haantje met de bol van de zestig meter hoge toren van de Sint-Martinuskerk vernieuwd.

Het torenhaantje werd in de namiddag van 10 oktober teruggeplaatst door Louis Decancq en zijn helper, de vijftienjarige Reginald Osstyn, beiden van de firma Andr Theys-Degrijze uit Roeselare.

Zijdeuren en interieurvernieuwing (1963-1970)
Reeds in de begroting van de kerkfabriek van 1954 wordt de wens uitgedrukt 'ingangsdeuren' bij te plaatsen en de kerk in te voegen.
Vanaf 1956 wordt elk jaar in de begroting 150.000 fr. voorzien maar tot realisatie komt het niet.
Ook in de gemeenteraad wordt enkele keren gewezen op het 'achterblijven der geplande ingangsdeuren'.
In het gemeenteraadsverslag van 10 juni 1963 wordt het volgende vermeld: 'Bij navraag over de bij te plaatsen ingangsdeuren antwoordt de burgemeester dat hij verhoopt dat zulks mede met de werken van verwarming en schildering zal worden uitgevoerd.'
En inderdaad: een maand later kan de gemeenteraad kennisnemen van de door de kerkfabriek ingediende plannen en bestek voor het bijbouwen van twee 'zijportalen'.
In de begroting van de kerkfabriek voor het jaar 1964 is daarvoor 312.000 fr. terug te vinden.
Nog onder pastoor Hannes zal de vernieuwing van het dak aangevat worden en wordt de Sint-Martinuskerk voorzien van centrale verwarming.

Onder impuls van pastoor Geuens wordt vanaf 1968 onverdroten verder gewerkt aan de vernieuwing van het dak.
Het interieur van de kerk ondergaat een grondige wijziging.
Een nieuwe vloer wordt gelegd.
De gotische polychromie wordt vervangen door een monochrome schildering van muren en gewelven.
Het hoofdaltaar evenals de zijaltaren, de kruisweg en de meeste beelden worden verwijderd.
Gelukkig worden de zes meest waardevolle behouden.
De preekstoel wordt gedemonteerd en wordt opgeslagen in de oude pastorie (waar hij overigens nu nog berust).
De gesculpteerde communiebank verdwijnt.
Kortom, een (te?) radicale interieurwijziging die bij velen toentertijd heel wat vragen opriep.

Binnenzicht van de vernieuwde kerk


Restauratie gevels en brandglasramen (1992-1998)

In de begroting van de kerkfabriek voor het jaar 1954 wordt de wens uitgedrukt niet alleen de ingangsdeuren bij te plaatsen maar ook de kerk in te voegen.

Meer dan 30 jaar later, nl. in zijn nieuwjaarstoespraak op 4 januari 1988, heeft burgemeester Adriaensen het over 'een zeer duidelijk te omschrijven plaatselijk en materieel probleem: de toestand van vooral het buitenmetselwerk en voegwerk en van de toren van onze Sint-Martinuskerk Zowel schepencollege als kerkfabriek hebben daar al enkele besprekingen aan gewijd'.
De burgemeester is van mening 'dat nader onderzoek en voorbereidende administratieve en technische werkzaamheden niet lang meer op zich kunnen laten wachten'.

Wanneer de burgemeester begin 1993 het 'Project Retie 2000' lanceert, maakt de buitenrestauratie van de Sint-Martinuskerk daarvan deel uit.
De principiŽle beslissing om 'ingrijpende onderhouds- en herstellingswerken aan gevels en glasramen van de kerk te laten uitvoeren teneinde de instandhouding en openbare veiligheid' te garanderen, wordt op 29 oktober 1992 door de gemeenteraad genomen.
Tevens wordt ingegaan op het verzoek van de kerkfabriek om het gemeentebestuur als bouwheer te laten optreden.
De kerkfabriek van haar kant had op 13 oktober 1992 een jaarlijkse tussenkomst van ongeveer 250.000 fr. toegezegd.
In de loop van 1997 zal de kerkfabriek definitief beslissen om gespreid over tien jaar voor vier miljoen bij te dragen in de kosten.

Het schepencollege stelt op 23 maart 1993 het architectenbureel P. Gevers uit Kasterlee aan als ontwerper.
Hij werkt twee dossiers uit.
Een voor de restauratie van de toren, daken en gevels: geraamde kostprijs 22.784.499 frank; een ander voor de restauratie van de brandglasramen: geraamde kostprijs 14.940.901 frank.
De ontwerpen worden op 3 februari 1994 door de gemeenteraad goedgekeurd.
Reeds op 24 oktober 1994 keurt de Vlaamse minister van Openbare Werken het dossier gevelrestauratie goed en stelt het subsidiebedrag vast op 7.313.000 frank.
De minister van Justitie verleent machtiging tot aanbesteding.
Zo vlot verloopt het niet met de brandglasramen.
Pas op 20 september 1995 wordt het dossier door de hogere overheid goedgekeurd.
De tussenkomst van het Vlaams gewest wordt bepaald op 4.796.000 frank.

Nadat in maart beide dossiers nog worden aangepast, heeft op 27 oktober 1995 de aanbesteding plaats.
De gevel-, dak- en torenrestauratie kan op 19 december 1995 toegewezen worden aan de firma Borgmans van Vosselaar voor de prijs van 22.617.913 frank.
Het herstellen van de brandglasramen is voor Mortelmans Glaswerken van Wilrijk voor 16.597.199 frank.
Als dan ook nog met het koninklijk besluit van 27 maart 1996 machtiging gegeven wordt voor uitvoering van de werken, kan het schepencollege opdracht geven de werken te starten op 16 september 1996.

In 200 werkdagen moeten de aannemers de torenspits tot de haan en het kruis toe en de daken grondig herstellen, beschadigd steenwerk vervangen, gevels invoegen en... tot 101 onvoorziene moeilijkheden oplossen.
De ramen worden hersteld, voorzetbeglazing wordt aangebracht, de brandglasramen worden in het Wilrijkse atelier gerestaureerd.

Het resultaat mag er zijn.
Nu, nog veel duidelijker dan vroeger, blijkt welk harmonisch voorbeeld van neogotische bouwstijl de Retiese Sint-Martinuskerk is.

Terug


Met dank aan Gust Adriaensen.