De oorlogsdreiging werd in Schoonbroek direct voelbaar toen in september '39
de jonge mannen werden opgeroepen voor de mobilisatie.
Het nieuws over het begin van de oorlog werd na de hoogmis op het kerkplein
verteld.
Men had het op de radio gehoord maar het was ook merkbaar aan het grote
aantal vliegtuigen dat overvloog.
Bij het uitbreken van de oorlog werd er in Arendonk (Voorheide) aan de brug
over het kanaal ernstig gevochten.
Om zes uur 's morgens kwamen die dag honderden vluchtelingen uit Arendonk in
Schoonbroek aan.
Na een paar dagen keerden de meesten van hen terug naar huis, waar het
ondertussen opnieuw rustig geworden was.
Anderen trokken verder weg en er waren er zelfs bij die tot in Frankrijk
vluchtten.
In mei '40 kwam een deel van de Schoonbroekse soldaten terug thuis.
Bij mijn moeder, Liza Dierckx, kwam men vertellen dat vader, Philibert
'Bert' Meeus, ook op weg naar huis was.
Een van de soldaten had hem gezien, maar hij moest zijn geweer nog gaan
inleveren en dan zou hij ook naar huis komen.
In West-Vlaanderen werd mijn vader echter opgepakt door de Duitsers en via
Nijmegen naar Duitsland gevoerd.
Het werd september voordat mijn moeder nieuws kreeg over hem: een kaart,
verstuurd via het Rode Kruis, uit een kamp in Koningsbergen, tegen de
Russische grens, waar hij gevangen zat.
Van dan af was correspondentie mogelijk en gingen er via het Rode Kruis ook
pakjes naar Duitsland.
Na de capitulatie van Leopold III kwamen de krijgsgevangenen vrij.
Voor Schoonbroek waren dat onder meer meester Jonckers uit de Schoolstraat,
Louis Adriaensen van Kortijnen, Jos Dierckx van het Kerkplein.
Voor mijn vader was dat 20 januari '41.
Thuisgekomen kon hij terug aan het werk op de tram.
Voor de oorlog reed de tram al op mazout maar tijdens de oorlog werd, bij
gebrek aan mazout, opnieuw op kolen omgeschakeld.
De zwarte tram werd hij genoemd.
De Duitse soldaten die in Schoonbroek verbleven, gaven weinig problemen en
behandelden de bevolking redelijk.
De meeste inwoners van Schoonbroek waren boeren en die hadden hun eigen
voorraad voedsel.
Met de fiets of de tram, ook wel te voet, kwam men vanuit Turnhout maar ook
wel van Antwerpen naar Schoonbroek om bij de boeren aankopen te doen: boter,
meel, eieren, vlees.
De zwarte handel vierde hoogtij.
Men droeg speciale vesten met grote zakken om alles te verstoppen voor de
Duitse bezetter.
Onder de burgers werd er honger geleden.
Ook thuis gebeurde het dat er alleen een pan aardappelen, warm gemaakt in
water, op tafel kwam.
Boter of vetstof hadden ze bijna niet.
Soms liet moeder de melk staan tot er zaan op kwam.
Die werd er dan met de lepel afgeschept.
Na een paar dagen zaan sparen werd die dan in een bokaal gedaan en
vervolgens stevig geschud tot men toch een beetje boter had om op de
boterham te smeren.
Alles was op de bon, ook het brood.
Mijn ouders kregen echter ook broodbonnen voor hun dochtertje van twee.
Die at nog niet zoveel en daardoor hadden zij wat brood betrof, niets
tekort.
De broodbonnen die ze overhad, gaf moeder aan haar ouders.
Daar waren nog grote kinderen thuis en kon men wat extra brood best
gebruiken.
Haar vader, Henri Dierckx-Van Deun, was wel bakker en het zou voor hem dus
niet moeilijk geweest zijn om wat meel achter te houden voor zijn eigen
gezin, maar daar was hij veel te braaf en te eerlijk voor.
Bovendien was er een strenge reglementering op het bakken van brood.
De hoeveelheden van de grondstoffen die een brood moest bevatten, waren
wettelijk bepaald.
Ook de kwaliteit van het meel verschilde zo sterk dat er voor iedere boer
die meel bracht, apart gebakken werd.
Het is wel eens gebeurd dat de bakker het meel van twee klanten samen bakte,
namelijk toen een moeder, een beetje ongelukkig, wat meel bracht om brood te
bakken.
Ze had het meel bij Stan Wens, de meulder, gehaald, zei ze.
Jawel, van de grond bijeengeveegd! Na ziften was er niet veel goeds
overgebleven.
De bakker deed dat beetje meel bij een zak goed meel van een boer en het
werd samen gebakken.
Zo hadden ze allebei brood van goede kwaliteit.
Bij mijn ouders werd een varken vetgemest met de afval van de
peperkoekfabriek van nonkel Jan, Jan Van Deun-Popeliers, in de Meulenstraat
in Turnhout.
Als men al eens een haas kon vangen, was het feest.
Mijnhout dat op transport lag te wachten, verdween gedeeltelijk in de
kachels van Schoonbroek.
Wat ook kenmerkend was tijdens de oorlog, was de slechte kwaliteit van
textiel.
Al het huishoudlinnen (handdoeken, dekens, luiers) kwam uit Duitsland en was
van veel mindere kwaliteit dan men hier gewend was.
Als er geschoten werd, vluchtte men in de schuilkelder.
Ieder gezin had zijn eigen schuilkelder: een gat in de grond, afgedekt met
kreupelhout, zand en 'russen'.
In Kinschot kwam er een vliegende bom neer.
In feite niets meer dan een bezienswaardigheid voor de bevolking.
De bom kwam in een veld terecht, waar hij een gat sloeg van verscheidene
meters breed en diep.
In Kortijnen had men minder geluk.
Daar stortte een Engels vliegtuig neer op een boerderij, die daarop in brand
vloog.
Boer Adriaensen en zijn vrouw zaten samen met hun dochter vast in de kelder,
terwijl het huis boven hun hoofd afbrandde.
Voor de communicanten uit de geburen was dat dan weer een meevaller: van de
parachutestof uit het vliegtuig werden communieklederen gemaakt.
Bij een beschieting door Engelse vliegers op Duitse tanks die over de baan
Turnhout-Mol reden, werd de boerderij van Gust Van Herck aan de
Provinciebaan in brand geschoten.
Dankzij de geburen, Karel Jespers, Louis Maes, Gust Van Massenhoven en
Philibert Meeus, die onmiddellijk met blussen begonnen, bleef het woonhuis
gespaard en brandde alleen de schuur af.
Toen de Engelsen in aantocht waren, kwamen Duitse soldaten de burgers
verwittigen.
De Duitse legerkeuken, die in de jongensschool in het centrum van
Schoonbroek stond, was door de Engelsen ontdekt.
De Duitse soldaten gaven de mensen de raad enkele dagen lang een paar
honderd meter van de dorpskom weg te blijven.
Mijn ouders, hun grootouders en hun kinderen gingen een paar nachten slapen
op de boerderij van de familie Slegers, die op 't Hoekske stond, een eindje
buiten het dorp.
Er gebeurde echter niets.
De Duitsers vertrokken en de mensen keerden naar huis terug.
Jeannine Meeus - Zomer 1994
Jeamine Castelijns-Meeus vernam deze gegevens van haar moeder Liza
Meeus-Dierckx (Schoonbroek-Oud-Turnhout, 17 mei 1915), Hofstraat 12,
Retie-Schoonbroek.
|