Van 'gasozjèn' en 'visinnekes'

Een verhaal over Karel Damen

Als oudste van zeven kinderen moest ik op mijn veertiende gaan werken.

Mijn eerste werkdag was op 18 februari 1943, bij houthandelaar Jef Spooren op Den Brand.
Naast het hotel met twee verdiepingen stond het werkhuis, een betonplaten magazijn.
Karel Spooren en Jef Huysmans (gehuwd met Martha Broeckx en woonachtig op de Molsebaan in Dessel) zaagden met een cirkelzaag boomschijven van ongeveer 10 cm dikte.
Meestal werd hiervoor els, olm, berk, wilg of ‘werft’ gebruikt.
Vervolgens moesten deze schijven op de kapblok driezijdig gekapt worden met een kapmes.
Dat was ook mijn werk, samen met een zestal jongeren onder wie mijn neef August Van Hout, de gebroeders Staf en Karel Verstraelen (van Mie Tieteren) en Romain Melis.
Hiervoor werd geen uurloon uitbetaald, maar wel een bedrag per mand gekapte blokjes.
Met andere woorden: we werkten ‘in antrepries’(entreprise, nvrd.).
Elke volle mand werd aangeduid met een krijtstreepje op een bord.
Als de manden versleten waren, kwamen er nieuwe, maar telkens iets groter.
De prijs van 90 centiem per mand bleef echter wel dezelfde.
Gemiddeld kapte ik 45 manden per dag; van de 405 frank bleef er door allerlei afhoudingen 166 frank netto over.

Onder de oorlogsjaren was de brandstof voor auto’s, tractoren en camions een schaars product.
Technisch was er een andere oplossing door de montage (installatie, nvrd.) van een stookketel op het voertuig.
Door de verbranding van de gekapte blokjes hout kwam er een gas vrij dat de motoren voedde.
Die noemde men in de volksmond gasozjèn (gazogène: gasgenerator, nvrd.)

Bij houthandel Spooren werden niet alleen houtjes gekapt voor de fabricage van houtgas voor de aandrijving van motoren.
Er werden ook visinnekes gebonden.
Dat was een soort mutsaard, maar veel dunner en veel langer dan de mutsaards waarmee men de koeketel warm stookte.
Deze dienden voor het afzetten van waterlopen, kanalen en vijvers, maar ook voor het afzetten van de loopgraven voor het Duitse leger.
Afmetingen van een visinneke: 3 meter lang, ongeveer 30 centimeter omtrek.

De ranke twijgen schaarhout waren van els, berk of werft (waterwilg).
Zes bandjes van ijzerdraad hielden de twijgen hout gebundeld.
Een visinneke was overal even dik en stevig.
Het nabijgelegen Postel leverde overvloedig hout.
 

Karel Damen.


      

Mijn eerste werkdagen.

 

Het hotel ‘Kempisch Rustoord- Pension’ van de familie Spooren op het Retiese gehucht
Brand, langs de weg naar Brug 2 en Postel eind de jaren 1940.


De werklieden werd een strook hout toegewezen van ongeveer 10 meter breed en ongeveer 300 meter lang.
Het hout dat te dik was voor de visinnekes werd uitgekapt en gestapeld in stère (1 meter breed, 1 meter diep, 1 meter hoog).
Betaald werd er in antrepries: 10 frank per kuub (stère, kub: kubieke meter, nvrd.) en 0,80 frank voor een visinneke.
Van het werkhuis Spooren ging ik, zoals de meeste arbeiders in dienst bij Spooren, visinnekes binden in Postel.
Doch houthandel Spooren had ver van huis ook schaarhout aangekocht, namelijk in Cerfontaine in Wallonië.
Ook daar ben ik gaan werken.
Voor een vijftienjarige was dat een boeiend avontuur.
Samen met Jan Slegers en Marcel, de 15-jarige zoon van houtbedrijf Spooren, reisden we elke maandag naar de Ardennen.
’s Zaterdags kwamen we terug.
Reisroute Retie-Cerfontaine: maandag vertrek Retie 7.45 u, vertrek Turnhout 9 u, vertrek Antwerpen 10.30 u, vertrek Brussel-Noord 12.55 u, vertrek Brussel-Zuid 13.15 u, vertrek Charleroi 16.15 u... aangekomen in Cerfontaine was er één dag verlopen.
Reisroute Cerfontaine-Retie: zaterdag vertrek Cerfontaine 6.45 u, vertrek Charleroi 8.40 u, vertrek Brussel-Zuid 10.45 u, vertrek Brussel-Noord 11 u, vertrek Antwerpen 11.50 u, vertrek Turnhout 13.30 u, aankomst Retie 14.30 u.
Logement was bij schapenboer André Marchal, Rue de Montie 530, Cerfontaine, op 18 kilometer van Mariënburg in de provincie Namen.


De houtgastechnologie nam een hoge vlucht in veel Europese landen bij het begin van de Tweede Wereldoorlog, ten gevolge van de rantsoenering van fossiele brandstoffen.

  We sliepen op de hooizolder boven de schapenstal.
’s Avonds voor het slapengaan mochten Marcel en ik bij de schapenboer in de keuken komen en kregen we een tas warme schapenmelk.
De huisbaas bezorgde ons iedere week een echt wit brood om mee naar huis te nemen.
Met veel zorg gedurende de lange rit onderweg en zo fier als een gieter kwamen we dan thuis aan met dat echt wit brood bestemd voor mijn ouders en de zeven kinderen.

Stel je voor: een ECHT wit brood, want onder de oorlog was het brood meestal als spindraad.

Gezien de afstand naar Cerfontaine werkten we vier dagen, terwijl in Postel een werkweek zes dagen telde.
Gedurende die vier dagen maakten we gemiddeld 125 visinnekes per dag per persoon.
Er werd 1 frank per stuk uitbetaald.
Bovendien werd er nog eens 100 frank verdiend door het uitkappen van dik hout.
M.a.w. je kon hier in vier dagen verdienen wat je in Postel in zes dagen verdiende.
De verplaatsingskosten autobus, bus en trein: 15,45 frank.

Na de werken in Cerfontaine heb ik nog een paar maanden visinnekes gebonden in de Kempen, tot 20 oktober 1945.


Roger Damen (zoon van Karel)    


Karel Damen kreeg vooral bekendheid als propagandist bij Dagblad Het Volk.
Hij heeft bij heel wat kermiskoersen, brommercrossen en autocrossen de micro gedaan.
De poppenkast met de sprekende pop Toontje Kapoen, was vroeger vermaak voor heel wat Kempense scholen.