Even voorstellen...Suzanne Rollenberg

Suzanne Rollenberg


‘Zou men in Hollywood niet vlotjes de rode loper uitrollen voor zó ’n schitterende naam?’
Het was een gedachte die eventjes bij me opkwam.
Helaas voor Steven Spielberg en co, is Suzanne Rollenberg – oftewel: ‘Suzanne van Peer Gijs’ – enkel wereldberoemd in Retie en omstreken.
Wij zijn daar niet rouwig om, want we hebben haar nogal eens nodig.
Zoals ook nu weer zal blijken.
Op haar vijfentachtigste – Suzanne werd in Antwerpen geboren op 11 mei 1926 – is ze nog altijd een kwiek dametje.
Al talloze keren werd ze geraadpleegd, gevraagd en geplaagd, om ‘die dingen van vroeger’ nog eens te expliceren.
Want Suzanne kan dat.
Zij heeft namelijk een feilloos geheugen.
Ter verduidelijking wijst zij voorzichtig naar haar voorhoofd, ten teken dat daar alles nog klopt.
Maar de benen willen niet meer zo goed en ook lang rechtstaan wordt een probleem.
Suzanne vertelt me dat ze zo graag danst, acteert en de edele kunst van het petanquespelen beoefent, maar dat het nu toch allemaal wat minder wordt.
Een beetje later toont ze een beeldige foto van haar, vorig jaar genomen in de tuin, waarop zij poseert bij een rijkelijk bloeiende rododendron.
Deze foto mag in het tijdschrift!
‘Wist je dat jouw vader die rododendron naar hier heeft gebracht?’ vraagt ze.
‘Dat moet in ’53 of ’54 geweest zijn…’

Suzanne vertelt verder en haar woorden krijgen een schone weerklank in de volgende vertelling…

Vanaf 1932 – ik was toen een jaar of zes – ging ik regelmatig met tante Lisa Crols (Beth van Fiene) mee naar het Boesdijkhof.
Tante werkte daar als kok en hielp er ook wat mee bij de andere huishoudelijke taken.
Voor zo’n kleine hummel als ik, was het Boesdijkhof een wondere wereld!
Dát heb ik altijd goed onthouden.
Ik mocht er soms ook een beetje meehelpen met de makkelijke keukenklusjes: erwtjes doppen, boontjes bliezen enz., en voor zover ik weet, deed ik dat graag.
Wat ik me ook nog herinner is een enorme cuisinière, centraal in de keuken, en die werkte op gas.

Suzanne poseert in haar zonovergoten tuin.



Lisa Crols: een tante van Suzanne en een zuster van o.a. ‘de Kômmer’ (Hendrik Crols).

De chiquere huizen van ’t dorp waren toen aangesloten op de gasleiding en ook de straatlantaarns brandden op gas.
In de Zandstraat stond een grote gasketel voor de gasvoorziening.
Wat er verder nog te zien was in de keuken?
Wel, enorme kastrollen en pannen, en heel veel passe-vites!
Ze aten daar veel puree, denk ik.
Er bevonden zich ook flinke voorraden etenswaren in de keuken en in de kasten.
Soms verbleven er echt veel dametjes op het Boesdijkhof en die moesten goed en gezond kunnen eten.
Per slot moesten zij toch herstellen van een of andere kwaal of operatie.

Wij mochten geen contact hebben met de herstellende juffrouwen.
Het was verboden om de keuken te verlaten en om de andere kamers te betreden, tenzij je er in opdracht iets moest doen.
Men maakte toen nog een groot onderscheid tussen de mensen.
De juffrouwen en dames, die vooral uit Brussel kwamen, waren van goede komaf en spraken uitsluitend Frans.
Tante Lisa en de andere leden van het personeel zeiden wel eens dat ze zo toch een mondjevol ‘kwakkelfrans’ hebben geleerd.
Ze moesten wel.
Soms kwam een of ander dametje tot aan het halfdeurtje van de keuken – nooit verder – en trok er aan het belletje dat aan de deurstijl hing.
Dan verwachtte het dametje dat iemand van het keukenpersoneel zich terstond naar het halfdeurtje spoedde om te vernemen wat het dametje in kwestie beliefde!
En om haar ter wille te kunnen zijn, moest men toch een beetje Frans kennen.
Aan dat halfdeurtje tussen de keuken en de ‘salle à manger’ was een plateau voorzien, een soort dienluik.
Daar werden dan de gevraagde gerechten en dranken op gezet voor de tafelbediening.
Zo ging dat toen, in de jaren 1930!
Nu moet ik wel zeggen dat de mevrouwen Moefkens en Claeys – beiden afwisselend directrice op het Boesdijkhof – heel vriendelijk en bekommerd waren.
Zij spraken ook Vlaams en dat maakte de omgang met hen toch aangenamer.
Van hen kreeg ik wel eens een lief woordje te horen.
Als ze een beetje tijd hadden en ’t was goed weer, mocht ik mee gaan wandelen in de tuin.

En die tuin was voor mij waarlijk het Aards Paradijs!
Tenminste, zo stelde ik mij dat toch voor!
Het was er zó mooi met al die prachtige bloemen, en ’t was er zó stilletjes!
Af en toe zag ik daar ook de tuinman aan ’t werk.
Ik geloof dat hij Damen heette en van de Brand afkomstig was.
Een Retienaar dus, zoals de meesten van het personeel.

Aan de zijkant van het Boesdijkhof was er een klein poortje dat zowel door de dames als het personeel gebruikt werd als in- en uitgang.
Net achter dat poortje, aan je linkerkant, had je de deur naar de keuken.
Onze ingang dus.
Stapte je een beetje verder, onder de prieelgang vol klimrozen, dan kwam je bij de chique voordeur: de ingang van de dames, de directie en ’t groot volk.
De grote poort aan de kant van de Boesdijkstraat was gewoonlijk op slot en werd zelden geopend.
Er liep een paadje van de Boesdijkstraat tot aan het kleine poortje en van daar verder naar de Markt.
Het was maar gedeeltelijk verhard en je kon er amper met twee naast elkaar lopen.
Vanuit onze tuin – wij woonden in de Kerkhofstraat – zagen wij ‘de juffertjes van ’t Hof ’ komen en gaan, in hun keurige toiletjes en soms met hun bagage.
Zo zagen wij ‘de nieuwe’ arriveren en ‘de oude’ vertrekken.
Ze reisden met de ‘zwarte tram’: een stoomtram waarmee ze naar Mol of Turnhout werden gebracht.
Hoe die dametjes het klaarspeelden, weet ik niet, maar zij kwamen altijd netjes en proper uit de tram.
Bij mij daarentegen – na de zeldzame keren dat ik een tramreisje mocht maken – zat er altijd een zwarte laag roetstof op mijn gezicht, mijn kleren en mijn handen.
De stoomtram blies toen nog een en ander de lucht in.

Het Boesdijkhof eind de jaren 1920.
Het lag netjes tussen de velden ‘achter de hoven’, de voorkant gericht naar het dorpscentrum.
De vlag geeft het gebouw een feestelijk tintje.



In de tuin van het Boesdijkhof anno 1953.
Op de achtergrond genieten enkele juffrouwen van een ‘dolce far niente’.

De juffrouwen en dametjes van het Boesdijkhof hadden geen contact met de buitenwereld.
Zij spraken zelden iemand aan in het dorp en omgekeerd heerste er te veel schroom onder de Retiese mensen om de juffrouwen te benaderen.
Vrijwel niemand in Retie sprak behoorlijk Frans en daarom bleef het meestal bij een bescheiden en wederzijdse ‘bonjour’.

Bij tijd en wijle ging mevrouw Moefkens of mevrouw Claeys op bezoek bij de buur ‘den boer uit Den Dries’ (Louis Aerts), kwestie van aardappelen, groenten, boter en dies meer aan te kopen voor het Boesdijkhof.
Dat getuigde – voor mij dan toch – van enorme moed en durf!
Want bij de boer uit Den Dries stond een levensgevaarlijke stier!
Hij had al eens zwaar uitgehaald naar de boer en hem met zijn horens vreselijk toegetakeld.
Ik had een heilige schrik van dat beest, dus op boerderij Den Dries kwam ik nooit!

Op het Boesdijkhof golden toen erg strenge regels.
Alles verliep er op uur en tijd en afwijkingen werden maar zelden toegestaan.
Fietsen waren er verboden, iedereen ging te voet.
Buiten de tuinman en dokter Jules Van Elst kwamen er vrijwel geen mannen op het Boesdijkhof.
Een enkele keer liep Jozef Lathouwers (de vorige bewoner en eigenaar van het Boesdijkhof) eens aan.
Hij was een klein, joviaal ventje met een forse snor en hij zat goed in ’t vlees.
Een aangename mens en hij had dat enge hooghartige, waar wij al zo vaak mee te maken kregen, helemaal niet.
Eind de jaren 1930 stopte tante Lisa met haar job als kok op het Boesdijkhof en begon zij als zelfstandige te werken.
Zij kookte op feesten en bruiloften, net als ons moeder (stiefmoeder) Maria Crols.
Als afscheidscadeau kreeg tante Lisa van de directrices een mooie, houten ligstoel met voetenbankje, uit de tuin van het Boesdijkhof.
Tante Lisa gaf hem later aan mij en tot op de dag van vandaag heb ik hem bewaard!
Mevrouw Moefkens en mevrouw Claeys zijn later nog dikwijls bij ons thuis op bezoek geweest.
Het waren zo min of meer vriendinnen geworden van tante Lisa.
Mijn bezoekjes aan het Boesdijkhof waren helaas afgelopen, en dat vond ik wel spijtig.
Maar ’t leven ging voort en omdat ons vader, Peer Gijs (stiefvader) toen knecht was in brouwerij De Zevenster, bij Van Gansewinkel, begon ik daar na mijn schooljaren ook te werken.
Er werd toen al geen bier meer gebrouwen in de brouwerij, maar limonade werd er nog wel gemaakt.
In een grote, vierkante bak zat een siroopachtige vloeistof.
Die had een gele kleur en rook heel lekker naar citroenen.
De siroop werd door een speciaal tuitje telkens met een kleine dosering in een limonadefles gedaan.
Daar moest dan zuiver water worden bijgevoegd en je had limonade!
De gevulde flessen moesten dan weer in een houten bak worden gezet.
Alles gebeurde nog met de hand, ook het spoelen van het leeggoed.
Eén voor één moesten de flessen omgekeerd op een ronddraaiend wiel worden geplaatst en langs onder werd er dan water in gespoten om de flessen te reinigen.
Dat werk heb ik een tijdje gedaan, maar eigenlijk was ik te jong en niet sterk genoeg om dat te kunnen volhouden.
In Turnhout kon ik beginnen in drukkerij Somers.
Maar ’t ging van kwaad naar erger!
Ze plaatsten mij daar toch wel aan zo’n onmogelijk grote papierpers zeker!
Ik moest er een heel zware hefboom hanteren en met mijn kleine gestalte lukte dat maar moeilijk.
Na de oorlog kon ik gaan werken in de confectiebedrijven Otten in Reuzel en Bladel.
Dat heb ik een hele tijd volgehouden.
Maar het langst heb ik gewerkt, samen met mijn echtgenoot Leon Melis (Leon van Pjèrke van Mannen) in de sigarenstripperij.
In 1956 zijn we begonnen in de oude cinemazaal van Aloïs Luyten, alias de Klomp, in de Sint-Martinusstraat.
Er werkten daar toen 96 stripsters!
En strippen was natuurlijk niet: je kleren uitdoen, maar uit de tabaksbladeren de nerven voorzichtig verwijderen.
Dat vergde toch wat oefening en vaardigheid.
De tabaksbladeren kwamen meestal uit Sumatra, soms uit Havana.

Het alom bekende kleine poortje van het Boesdijkhof.
Ten behoeve van de fotograaf mocht het eventjes open staan!



Het huis en de brouwerij van de familie Van Gansewinkel op de Markt.
Een postkaart uit het begin van vorige eeuw.

Ze moesten eerst naar de vochterij om ze soepel te maken, dan naar de stripperij.
Onze Leon en ik hielden daar zowat het toezicht op de zaak.
In 1960 verhuisden we met een deel van de mensen naar Arendonk en in 1965 naar het gebouw De Arend aan de Bergenstraat in Dessel.
We werkten er op het gelijkvloers en de eerste verdieping met een 200-tal mensen.
Dat hebben we volgehouden tot in 1981.

Zal ik nog eventjes iets vertellen over de oorlogsbelevenissen in Retie?
Welaan dan.
In het begin van de oorlog waren hier een tijdje Franse soldaten gelegerd.
Naast de gevel van ons café stond een Franse tank geparkeerd en aan het klooster gaven hun kanonnen flink katoen: ze schoten constant richting de vaart en Brug 2.
In de kerktoren zat een Franse wachtpost de weg naar Postel af te spieden.
Hij verwachtte blijkbaar een Duitse doorbraak naar Retie.
Ons moeder had in haar jeugdjaren ooit ‘gediend’ in de stad en had daar wat Frans geleerd.
Zo vernam zij van een van de Franse soldaten dat we beter zouden vluchten.
‘Als de Duitsers zoveel gaan terugschieten als wij hén onder vuur genomen hebben, ligt heel het centrum van Retie plat’, beweerde hij.
Dus met ‘hoot en poot’ op pad naar Duinkerken (in Retie)!
Daar werden we opgevangen bij een boer.
Maar al vlug waren de Duitsers hier toch de baas.
De schade viel al met al nog mee en we keerden terug naar huis.


Héél zelden kwamen er Duitse soldaten in ons café.
Eentje kwam wel af en toe een flinke pint drinken.
Wij noemden hem ‘zatte Hanz’.
Als hij dronken genoeg was van het minderwaardige ‘oorlogsbier’, verwenste hij ‘die smerige oorlog, Hitler en de hele zwijnerij’!
Er was vanalles te kort onder de oorlog en ik ben, als jong meisje, dikwijls mee op smokkeltocht geweest naar Lage Mierde in Holland.
Met slechte ‘rommelvelo’s’ – de Duitsers hadden al de goede fietsen aangeslagen – ondernamen wij die tochten langs Postel, en het was zeker niet ongevaarlijk!
We smokkelden meestal graan, eieren en ‘Caramella-siroop’, voor op de boterham.
Om te ontsnappen aan de Gestapo vluchtten een aantal ‘werkweigeraars’ naar de bossen van de Graaf, achter de Grote Gracht.
Ook onze Leon, met wie ik toen al kennis had, was daar bij.
Ze probeerden om kleine visjes te vangen in de Gracht om toch maar iets te kunnen eten.
Het was echt een miserabele en angstige tijd!
Zelf werd ik op zekere dag onder vuur genomen toen ik melk ging halen bij boer Van Dael op de Berg.
Ik ging te voet op weg naar de Slijkstraat via ‘het planken bruggeske’ in de Boesdijkstraat.
Ons hondje Leddy vergezelde me.
Nog vóór we aan het bruggetje waren, begon hij plots te janken en dook de gracht in!
Uit pure schrik dook ik hem maar achterna, en gelukkig maar!
Ik lag amper goed en wel in die gracht of er ratelde mitrailettevuur en sloegen de kogels vóór onze neus in ’t zand!
Zonder die reactie van onze Leddy had ik hier nu niet gezeten – dat beestje heeft waarlijk mijn leven gered!
Stilaan keerden de kansen en moesten de Duitsers de aftocht blazen.
Toch werd er nog zwaar gevochten.
De geallieerden veroverden maar moeizaam terrein en er vielen ook nogal wat burgerslachtoffers.
Veel mensen werden getroffen door rondvliegende schrapnels of trapten op een van de talrijke landmijnen die de Duitsers in de bossen en op de velden plaatsten.
Ze werden naar het gemeentehuis gebracht voor verzorging.
Ook mensen uit Dessel, Kasterlee en Schoonbroek.
Op het gelijkvloers van het gemeentehuis werd op de grond een dik pak vers stro gelegd en daarop mochten die sukkelaars gaan liggen.
Uit het kasteel du Four haalde men bedden en die werden opgesteld ‘in den bak’ van het gemeentehuis.
De bedden waren bestemd voor de zwaarst gewonden.
Zij werden zo goed mogelijk behandeld door een bewonderenswaardig duo: dokter Albert Van Elst en verpleegster Dora Van Mechelen.

Leon en Suzanne trouwden op 12 juli 1947.



Een kijkje in een tabakstripperij (eind de jaren 1950).

Wat zij deden met zo weinig middelen was fenomenaal.
Zelfs verdoving of pijnstillers waren er niet.
Het enige wat de pijn een beetje verzachtte, was een scheutje goedkoop gestookte jenever.
En wat ik nu ga vertellen is niet voor gevoelige lezers bestemd.
Dokter Van Elst heeft namelijk bij een van die ongelukkigen een been moeten amputeren... met een zaag van beenhouwer Deisje (Modest Goetelen) uit de Peperstraat!
Samen met een aantal meisjes die in de nabijheid van de Markt woonden, hielp ik mee om de gekwetsten te verzorgen.
Er waren soms gruwelijke taferelen te zien maar wij hielden vol!
We deden ook de nachtdienst.
Tijdens een van die nachten hoorden wij plots de pomp op de Markt kriepen: twee Duitse Feldwebels waren aan ’t drinken.
Tot ze ons opmerkten!
In een mum van tijd stond een van hen vlak voor me en plaatste de geweerloop op mijn borst!
Hij vroeg wat wij daar deden.
Ik vertelde hem heel kalm dat wij burgerslachtoffers verzorgden en wees op mijn armband van het Rode Kruis.
Toen ik er nog bij vertelde dat er ‘tyfus’ was uitgebroken (een leugentje) sprongen ze als hazen weg!
Later, als het ergste oorlogsgeweld geweken was, werden de gekwetsten naar ziekenhuizen gebracht.
Toen dan uiteindelijk de Duitsers verdwenen waren, installeerden de Engelsen zich in Retie.
Er werd zelfs een veldkeuken ingericht in de tuin van het huis van Mathé.
Dat huis stond tegen de Kloosterstraat, de tuin kwam tot tegen de Kerkhofstraat.

In die veldkeuken mocht ik wat meehelpen en als beloning kreeg ik heerlijk vers brood en lekkere confituur.
In de Kloosterstraat was er toen ook tijdelijk een brandstofdepot ingericht voor het Engelse leger.
Op zware camions werden daar duizenden jerrycans afgeleverd en later weer opgeladen voor verder transport.
Verscheidene mensen uit de Kloosterstraat hielpen met het laden en lossen en kregen ook eten uit die veldkeuken.

En dit was dan, in een notendop, mijn verhaal.

Guy Aarts    

Met dank aan Staf Thijs, Paul Castelijns en Josephine Crols voor het bezorgen van de mooie foto’s.