| |||||||||||
|
Als kind kwam ik nog onder de indruk van de vele verhalen die de ronde deden
in de diepe Kempen met haar uitgestrekte heide- en bosgebieden.
Het was de tijd dat er bij winteravond aan de haard nog verteld werd. De boeren kwamen samen om licht te besparen. De boerendochters namen hun naaigerief en spinnewiel mee, vandaar dat men die avonden ook spinningen noemde. Dan werd er verteld: het was hun nieuwsblad. Hun verbeelding, geloof en bijgeloof, hun geestesopvatting vonden er stof en uitwerking. Om aan te tonen hoe diep het bijgeloof in onze Kempen ingeworteld was, verwijs ik naar het geruchtmakende heksenproces te Dessel-Witgoor in 1950, waarvan het relaas gepubliceerd werd in Gazet van Antwerpen van 8 juli 1950. Onder de titel 'Martha Staes onthekst' bracht de krant verslag uit over de uitspraak van de Boetstraffelijke Rechtbank van Turnhout; de zogenaamde heks werd vrijgesproken, haar betichters werden veroordeeld. Naast de vertelsels over aardgeesten, vuurgeesten, spookdieren, hekserij enz. waren er ook sterke verhalen over roversbenden en zonderlinge figuren. Waarschijnlijk is het weinigen bekend dat Retienaar Lodewijk Adriaensen (Retie, 15 mei 1846 - Namen, 10 december 1908) de auteur was van het boeiend en vlot geschreven rovers verhaal Kristiaan Seyms. De feiten daarin verhaald spelen zich af op het einde van de 17de eeuw en het hele gebeuren, met plaats, tijd en personen, haalde de schrijver uit het gerechtelijk dossier van een beruchte bende die in die tijd de Oosterkempen onveilig maakte. Een gekende figuur in de vorige eeuw was de Lieveheer van den Asberg of Berrevoetse Tist. Deze deed voor andere mensen een beeweg; hij liep steeds op blote voeten en woonde op de Asberg. Godelieve Van Loock deed in 1957 uitgebreid onderzoek naar sagenmotieven in Mol, Dessel en Retie. In het hoofdstuk Historische sagen nam ze in haar licenciaatsverhandeling enkele vertellingen van inmiddels overleden Retienaren op. Het betreft de sagen van Berrevoetse Tist door Edward Sneyers en De bende van Kristiaan Seyms door Jozef Sneyers. Berrevoetse Tist
'Berrevoetse Tist woonde op den Asberg.
Hij was een struise vent met lang bruin haar en een volle baard tot op de borst; hij droeg een lange blauwe kiel en liep blootshoofds en berrevoets. Hij had altijd zijn paternoster in de hand en in de kerk zat hij tijdens de hele dienst geknield op de vloer en met de armen wijd uitgestrekt. Zo kreeg hij een tweede bijnaam, de Lieveheer van den Asberg. Tist was een bidder, die voor de mensen beeweegde naar Scherpenheuvel, naar Sint-Cornelius te Lichtaart en naar andere heiligdommen. Op zijn bedetochten ging hij geen enkele kerk voorbij en zo was Berrevoetse Tist uren in de omtrek gekend. Er werd verteld dat hij niets dan kalissenhout at, Berrevoetse Tist is al meer dan een eeuw dood. Hij was van 1835' Hugo de Bokkenrijder
'Hugo van de Loonsche Duynen was een brave jongen.
Hij woonde bij zijn welgestelde ouders in Loon-op-Zand, op het einde van de 18de eeuw. Vader was leerlooier, moeder huisvrouw. Maar Hugo geraakte, zoals nogal gebeurt in de beste gezinnen, op het slechte pad en werd lid van de Bokkenrijders - de alles vernietigende bende, die in die tijd de streken van Limburg en de Kempen onveilig maakte door moord, brand en diefstal. We schrijven 1796; Hugo is de aanvoerder van de Bokkenrijders geworden. De rijders verkozen hem als hoofdman omwille van zijn niets ontziende verwoestingsdrang. Op een warme zomeravond besluit Hugo de kerk van de abdij van Postel leeg te roven. Op het ogenblik dat hij alle goud- en zilverwerk uit de kluizen haalt en in een grote zak steekt, spreekt een mysterieuze dame hem aan en vermaant hem. Zij dreigt, met een banvloek, dat hij nooit in zijn leven nog rust en vrede zal vinden. Hugo duwt de dame van zich af, bespot en beschimpt haar, gooit de met edelmetaal gevulde zak over zijn schouders, loopt de kerk uit, springt op zijn bok en verdwijnt in de wolken. Want de legende leert ons dat de Bokkenrijders zich zo verplaatsten.' De bende van Kristiaan Seyms
'De bende wordt tevens de bende van Zwarte Trien genoemd.
Kristiaan wordt op zekere dag naar de schaper (schaapscheerder) op de hei gestuurd. De schaper komt 's avonds thuis en er is geen Kristiaan meer te zien noch te vinden. Kristiaan werd meegenomen door een grote bende die de omliggende dorpen plundert. De schaper zakt af naar Retie en verhuurt zich als knecht op de Corsendonckse hoeve. Ook de bende zakt af naar hier en plundert in Geel en omliggende dorpen. Kristiaan wordt als spion vooruitgestuurd. Hij komt op de hoeve bij de bewoners, die hem verdenken. Maar de schaper begint er mee te spreken en ontdekt dat het Kristiaan is. Hij zal de bewoners helpen. 's Nachts valt de bende binnen en in plaats van een helper vinden ze een tegenstander, die hen mee helpt gevangennemen. Hun woede keert zich tegen hem; maar ze worden gehalsrecht en opgehangen te Geel.' Staf Meeus
Bronnen:
- E. Sneyers, Bijdrage tot de Geschiedenis van Retie, Retie, 1972.
- G. Van Loock, Sagenmotieven Mol-Dessel-Retie, licenciaats-verhandeling (Germaanse filologie), Leuven, 1957. - F. Marchal, in: Vakantiemagazine, De Standaard van 20 april 1996. | |||||||||||