Even voorstellen...René Nijs

René Nijs

Als kortoor ben ik geboren en als pezerik opgegroeid.
Daardoor ben ik perfect tweetalig: ik spreek vlekkeloos Reties én vloeiend Dessels.’
René Nijs ten voeten uit en de toon van het interview is gezet.
Als Werbekenaar werd hij geboren tussen elektriciteitscabine en Mariakapel.
Op zijn minst een bijzondere locatie.
Ligt daar de oorsprong van zijn energieke wils- en werkkracht, zijn begeesterd talent voor rede, wijsheid en humor?
Mogelijk.
Het is zeer aangenaam om René te horen vertellen over vroeger, zijn kindertijd, jeugdjaren en adolescententijd.
Als kleine koter was hij een bijdehandje, een dondersteen met veel inspiratie.
Tijdens zijn jeugd werd hij, als oudste zoon, al gauw opgenomen in de harde wereld der volwassenen.
Dat was eigen aan het boerenleven in die jaren.
Maar René bleef altijd de zonzijde zien.
Liet vrijelijk Gods water over Gods akker lopen en waar hij kwam, was de leuke luim niet van de lucht.
In hedendaags jargon zou men hem ‘een toffe peer’ noemen.
Zijn vrouw Gusta ben ik dankbaar voor haar gastvrijheid en haar bereidwillige medewerking.
Zij zorgde voor de fotoselectie en gaf, waar nodig, gedetailleerde info.
En nu geef ik graag het woord aan René...

Ik ben geboren op 29 maart 1933 in Werbeek, in de boerderij van mijn grootouders.
Ons moeder en ons vader woonden toen nog bij hen in.
Ik ben de oudste van vijf.
Na mij komen nog mijn broers Emiel (Mil), Roger, Karel (Charel) en mijn zus Yvonne.
Onze Roger heeft maar een jaar geleefd.
Ons vader, Alfons (Fons) Nijs, was metserdiender/boer.
Ons moeder, Coletha (Let) Blockx, boerin.
Oorspronkelijk afkomstig van de Heide in Dessel, vestigde onze tak der Nijsen zich stevig in Werbeek.
Ze woonden er met verschillende huishoudens naast of tegenover elkaar.
Het waren vrijwel allemaal boerenmensen.
Toen ik zowat een jaartje oud was, verhuisden mijn ouders naar een huurboerderij op het nabijgelegen Hemelrijk.
De anekdotes over mijn kleutercapriolen speelden zich daar dan ook grotendeels af.
En al ken ik die anekdotes slechts van horen zeggen, ons moeder en mijn grootouders vertelden ze zo dikwijls dat ik vrees dat ze allemaal waar zijn.

René Nijs, piekfijntjes uitgedost...

Zo zou ik ooit een hamer en een kolenschep in de waterput gegooid hebben om te zien of ze bleven drijven.
In een emmer afgeroomde melk, bestemd om de kalveren te laten drinken, had ik een dot blauwsel gestopt om de melk wat bij te kleuren.
Ik weet niet of de kalveren dat later ook werkelijk hebben opgedronken.
Maar ’t zou kunnen.
In navolging van ons vader, die metserdiender was, had ik ook mijn eigen metselspecie gefabriceerd.
Met voedermeel van de beesten, water en slijk.
Goed spul maar het wou niet harden.
Ons vader had op een keer, onachtzaam, zijn hamer en een pot nagels op zijn houten kruiwagen achtergelaten.
Ik heb toen die nagels met zijn hamer een voor een in de sponde van de kruiwagen gemept.
Vond ik een knappe prestatie.
Ons vader niet.
Bij de bouw van een huis in onze buurt, werd de zavel voor de fundatie in de uitgegraven geulen goed aangewaterd.
Ik ben daar toen – als test en omdat mijn maatjes zegden dat ik niet durfde – pardoes ingesprongen.
Tante Julia heeft mij moeten verlossen.
Ik raakte er niet meer uit.
Naar ’t schijnt moesten ook de dieren in mijn buurt het ontgelden.
Als onze kloek met kuikentjes zat, roefelde ik die met een stok vanonder haar warme pluimenlijf.
En dan stiefelde de verschrikte kloek van her naar der om haar volkje terug bijeen te krijgen.
Bij Bertels liet ik de biggen nogal eens los.
Ik vond het leuk hoe zij door de hof dolden.
De zeug en de Bertelsen konden dat maar matig appreciëren.
Een stuk ernstiger werd het toen ik bij boer Adriaensen, de grootste boer uit onze buurt, de wei was ingesukkeld.
Tussen de talrijke koeien liep ook de stier.
En die stond niet bepaald bekend om zijn zachtaardig karakter.
Toen hebben mijn ouders water en bloed gezweet.
Maar ’t liep gelukkig goed af.
Wat ik me nog goed herinner is mijn pijnlijke val tegen de Leuvense stoof.
Ik was op een stoel geklauterd om in de kastrolletjes te loeren die op de stoof stonden.
Maar het ging mis en ik kwam met mijn hoofd tegen de stoof terecht.
Een flinke jaap boven mijn linker oog.
Het is altijd een litteken gebleven.

In de eerste kleuterklas zat ik bij juffrouw Julia Van Woensel.
Veel weet ik daar niet meer van.
Enkel dat de flink uit de kluiten gewassen Louis Raeymaekers, zoon van koperslager/herbergier/winkelier Raeymaekers van de Markt, naast mij zat en mijn kameraad werd.
Het daaropvolgende jaar zat ik bij zuster Gerarda.
Haar gevreesde reputatie was meer dan gekend.
Ik zal dan ook maar vertellen dat het tussen haar en mij niet al te best boterde.
Het akelige rattenkot en de vernederende ‘kakstoel’ werden meermaals mijn deel.
Het was in die jaren dat ons moeder voor mij een ‘klepbroek’ liet maken.
Een broek waarbij het achterdeel ter hoogte van het zitvlak slechts met enkele knopen vastzat.
De vrouw van de gasopzichter uit de Zandstraat zou het kledingstuk maken.
Zij woonde naast de enorme gasketel.
Ik moest daar een paar keer gaan passen en ik vond dat maar een genante bedoening.
De broek werd niet mijn meest geliefde kledingstuk.

In 1939 verhuisden we naar Dessel, naar Brasel (nu Avoortstraat).
Ik moest er al onmiddellijk naar de jongensschool in de Lorzestraat.
Helemaal te voet, op klompen, naar het verre dorp.
Ook onze Mil moest mee, naar de kleuterschool in de Hannekensstraat.
In de zomer deden we de tocht vaak barrevoets, onze klompen onder de arm.
In het eerste en tweede leerjaar zat ik bij meester Jef Goots.
Brave mens.
Toch heb ik van hem eens een ferme draai om mijn oren gekregen.
Ik had fors in de inktpot geblazen en niet alleen mijn snoet hing vol inkt maar ook de schoolbank.
Vooral voor dat laatste kreeg ik die klets.
Meester Louis Samber was onze meester in het derde en in het vierde zat ik bij meester Fons Nijs, een ver familielid.
Ik weet nog dat de schoolfotograaf toen een foto heeft gemaakt met onze Mil, onze Charel en mezelf.
Onze Charel, die eigenlijk nog in de kleuterschool zat, was toen een halve dag mee naar de jongensschool gekomen, speciaal voor die foto.
De fotograaf prees onze flinke, gezonde uitstraling, het was tenslotte nog volop oorlog.
Meester Nijs vertelde hem dat wij dat te danken hadden aan het feit dat wij boerenzonen waren.
Meester Jef Draulans (Jefke Siroop) was onze meester in het vijfde leerjaar en zijn broer Ernest (Nest) in het zesde.
Bij meester Ernest Draulans heb ik ooit straf gekregen: tien maal de tafels boven tien opschrijven!

Een schoolfoto van de vijfjarige René.
(Retie, 1939)

Oorzaak: ik had wat tumult veroorzaakt.
Er was – iets te luidruchtig – wat lucht ontsnapt uit mijn lichaam, vanuit een plek waar de zon nooit komt.
Gelach alom.
Ik heb die straf nooit gemaakt.


Drie broertjes Nijs in de klas bij meester Nijs in Dessel (1943).
V.l.n.r.: René, Charel en Mil.

Meester Jan De Koninck nam ons onder zijn hoede in het zevende leerjaar.
Hij was een pedagogische kei, las feilloos de karakters van zijn leerlingenvolkje en koos altijd de juiste aanpak.
Formidabele man.
Bij hem heb ik veel geleerd, ook buiten de verplichte leerstof.
Tenslotte zat ik in het achtste bij meester Karel Stuyck.
Hij was afkomstig uit Geel en liet de teugels wel eens vieren.
Wij waren op weg om flinke Kempense kadees te worden.
Meester Stuyck kon daar goed mee om.
Hij woonde destijds in het schoolhuis.
Met enkele kloeke kerels mochten wij zijn tuin omspitten.
Elke dag een half uurtje.
Na gedane taak gaf hij elk van ons vijfentwintig frank.
Voor de verdere onderhoud van zijn tuin mochten wij ook zorgen.
De laatste weken van dat schooljaar moest ik thuisblijven.
Ons vader had bij het stikstof zaaien wat van het goedje in zijn oog gekregen.
Het sloeg in ’t kwaad en dat ging hem zoveel parten spelen dat een opname in het ziekenhuis noodzakelijk was.
Het lag voor de hand dat ik zijn plaats op de boerderij innam.
De eindexamens heb ik nog wel afgelegd.
Vanaf het vijfde leerjaar werd in Dessel het hooi- en oogstverlof toegestaan aan boerenzonen.
Gedurende twintig halve dagen mochten ze dan thuis helpen werken.
In de jongensschool van Retie werd een andere regeling getroffen, dacht ik.
Daar konden de boerenjongens de lessen volgen van ’s morgens zeven tot ’s middag twaalf uur.
En ’s namiddags dan vrij om thuis te werken.

Ik herinner me nog dat we tijdens de eerste dagen van de oorlog niet naar school moesten.
Er heerste onzekerheid en angst en men vond het veiliger om de kinderen thuis te laten.
Later ging alles terug zijn gangentje en werd er opnieuw les gegeven.
Toen de Duitsers hun intrek namen in de jongensschool, verhuisden wij naar de meisjesschool.
Ik heb ook een tijdje les gekregen in de raadzaal van het gemeentehuis.
In het begin van de oorlog zijn wij gaan vluchten.
Onze ouders, de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog nog indachtig, vertrouwden de Duitsers voor geen haar.
Dus met ons hele hebben en houden op weg naar… de boerderij op Den Nood in Retie, achter de watermolen, richting Prinsenpark.
Na twee dagen keerden we terug.
Ons vader kon het vee niet achterlaten.
De oorlog bracht heel wat ongemakken mee.
Alles werd gerantsoeneerd, zelfs het eten.
Het werkte met een cijfersysteem.
Ik geloof dat het cijfer 2 voor brood stond en het cijfer 6 voor suiker.
Voor de rokers werd het ook een benarde tijd.
Zij kregen slechts twee pakjes tabak per maand.
Daarom begonnen boeren clandestien tabak te planten tussen de bieten.
Ze lieten de bieten ‘doorschieten’ om de tabaksplanten te camoufleren.
De gele bloemetjes werden ook uit de tabaksplanten verwijderd.
Die bloemetjes kleurden fel en kon je al van ver zien.
Elk risico moest vermeden worden.
De onderste bladeren werden het eerst afgesneden, gedroogd en versneden.
Zo bekwam men wat extra tabak en werd de tabakschaarste min of meer bestreden.

Er werd honger geleden onder de oorlog.
De boeren moesten vaak maatregelen treffen tegen het stelen.
Ze richtten een boerenwacht op.
Deze patrouilleerde vooral ’s nachts.
Werd iemand betrapt, kreeg die een flinke pandoering en daar bleef het meestal bij.
Vaak was het iemand die ze kenden, een sukkelaar die een groot gezin moest onderhouden en uit barre nood wat eten zocht waar nog eten was.
Zelf moesten de boeren hun landbouwproducten wegstoppen om aan de ondoenbare opeisingen van de Duitsers te ontsnappen.
Aardappelen werden tussen de korenmijten verstopt of onder de vloer in huis.
Bij ons kwam een Duitser controleren, liet zijn mitraillette op tafel liggen en ging de kelder in.
Was dat uit verstrooidheid?
Ons vader vertrouwde het niet, had gezien dat de Duitser handgranaten aan zijn gordel had.
De mitraillette werd niet aangeraakt.
Gelukkig maar.
De Duitsers provoceerden soms, de gevolgen waren meestal vreselijk.

Tijdens de oorlog hebben we vier jaar lang zwart brood gegeten.
Tot in de brokkenpap toe.
En toch smaakte dat altijd.
Op het einde van de oorlog werd het gevaarlijk.
In onze hof hadden we een abri gegraven om te schuilen tegen de bombardementen.
Talloze eskaders geallieerde vliegtuigen vlogen richting Duitsland.
Af en toe werd er eentje geraakt door Duits luchtafweergeschut en stortte het neer.
Wij zagen de aangeschoten Halifax, die wat later in Beverdonk zou neerstorten, bij ons laag over scheren.
De noodlottige knal was ver hoorbaar.
In onze buurt, goed gecamoufleerd, stonden Duitse kanonnen opgesteld in een aardappelveld.
De vuurmonden naar Sas 7 gericht.
Op een dag hoorden we de Duitse kanonnen schieten.
Een kort salvo en vliegensvlug werden de kanonnen terug bedekt met takken.
Het antwoord van de geallieerden volgde snel.
Hun eerste reeks schoten vloog vijfhonderd meter te ver.
De tweede reeks viel driehonderd meter te dicht.
Het derde salvo was raak en de Duitse kanonnen waren uitgeschakeld.
Een Duitser die bij ons was ingekwartierd, wist te vertellen: “Stellung kaputt!”.
De slag om Ten Aard hoorden wij duidelijk.
Er werd daar hard gevochten.
De Duitsers die bij ons lagen, werden ook opgeroepen.
Ook zij moesten naar Ten Aard, naar het front.
Ze kwamen afscheid nemen, vroegen aan ‘Mutti’ (ons moeder) om alle eieren die ze nog had, te bakken.
De Duitsers goten er drie flessen jenever bij en aten alles tot het laatste stukje op.
Dan trokken ze naar ’t café van Slegers in Brasel.
Er werd nog flink wat gedronken.
En zo zijn ze gegaan: lijkbleek, beschonken en met de daver op het lijf.
Toen de strijd gestreden was en het veilig leek, zijn veel mensen een kijkje gaan nemen op Ten Aard.
Ook Vic Broeckx uit Brasel en Fons Ooms van de Watermolen.
Ze vertelden ons later over de gruwelijkheden die ze daar aantroffen.
Onder andere over twee soldaten, een Engelsman en een Duitser, die elkaar in een lijf-aan-lijfgevecht een bajonet in de borst hadden geplant en zo samen de dood vonden.

Bij de Duitse aftocht werden alle paarden en alles wat nog wielen had opgeëist.
Ze kwamen ook bij ons, gingen recht naar de paardenstal.
Wij dachten dat ze ons paard zouden meenemen en vreesden ook voor het veulen.
Doch de Duitser, de hoogste in rang, beval toen hij merrie en veulen zag: “Das ist ein Mutter Pferd! Nicht mitnehmen”!
Dankzij dat veulen kwamen we er goed vanaf.
Maar daarmee was het gevaar nog niet geweken.
In zeven haasten wou ik onze nieuwe damesfiets verstoppen in de schuur.
Maar ik werd betrapt.
Afgeven was de boodschap.
En weg fiets!

Van verder studeren na het lager onderwijs en na de oorlog kon geen sprake zijn.
Ook al had meester De Koninck daar sterk op aangedrongen.
Ik werd helemaal ingeschakeld in het boerenbedrijf.
Al vanaf mijn elfde deed ik er zowat alle werk.
Zelfs het graan pikken in het oogstseizoen werd mijn job.
Ik deed dat doodgraag.
Verwoed joeg ik met zwierige slag de vlijmscherpe pik en pikhaak in het rijpe koren en de haver.
Op de heetste zomerdagen stond ik barrevoets in ’t veld, stond ik vlot mijn mannetje tussen de andere pikkers.
En ’s morgens, in alle vroegte nog voor ik naar school ging, had ik al dikwijls onze koeien naar de wei gedreven of een kar voeder gaan halen.
Zo ging dat toen.

Als boerenzoon lag het voor de hand dat ik lid zou worden van de BJB.
Ik ben zelfs een hele tijd bestuurslid geweest.
Toch gingen veel studiedagen en retraites aan mij voorbij, ik kon daar helaas geen tijd voor vrijmaken.
Alleen in Westmalle ben ik op retraite geweest.
En dat had niks te maken met het lekkere bier dat ze daar brouwden, echt niet.
De zomerfeesten van de BJB waren hoogdagen in mijn jeugdjaren.
Heerlijk om daar bij te mogen zijn.
In de winter speelden we met de BJB toneelvoorstellingen in de Sint-Jozefzaal in Dessel.
Ook dat waren fantastische dagen.
Meester René Stappaerts gaf in Retie in de jongensschool ’s avonds landbouw- en veeteeltlessen.
Heel interessant.
Ik heb gedurende drie jaar die lessen gevolgd.
Aanvankelijk werd vooral de plantkunde onder de loep genomen, later de dierkunde.
In Mol heb ik ook nog een cursus gevolgd over erfelijkheidsleer bij dieren en over bijzondere kweekprogramma’s.
De lesgever was een veearts.

Wat ook enigszins voor ontspanning zorgde, waren de wielerwedstrijden.
In Brasel hadden we een paar behoorlijke renners: Frans Meyers, Karel Verholen en de gebroeders Louis en Jos Van Hoof.
Ik was, samen met mijn kameraden, een trouwe supporter van hen.
Af en toe mochten we in Retie naar een bal in de zaal van Van Reusel in de Sint-Martinusstraat.

En toen moest ik naar ‘den troep’.
Op 1 december 1952 vertrok ik naar legerkamp Ieper-Lombardsijde voor mijn opleiding.
Ik ontmoette daar Jos Moons, een Retienaar, die ik via de BJB goed kende.
Jos wilde me mosselen leren eten, nog nooit had ik zo’n beestje geproefd.
Maar zonder succes.
Ik vond ze niet zo lekker en ik ben er nog steeds niet gek op.
Na mijn opleiding zette ik mijn legerdienst verder in Duitsland, in Rheinbach, een stad niet zo ver van Bonn.
Ik werd er ingedeeld bij een observatie-eenheid.
Leuk werk.
Hele dagen prutsen aan zenders en ontvangers maar vooral: kijken en wachten.
Ik heb er wel wat geleerd over de telefonie.
In Duitsland kon je in de legerkazernes makkelijk taksvrije sigaretten kopen.
Ik kocht daar heelder pakken van en nam ze mee naar België tijdens mijn verlofperiodes.
Ik verkocht ze met wat winst aan de rokers onder mijn kameraden.
Zo legde ik een spaarpotje aan en na mijn legerdienst, in 1954, ging ik van dat spaarpotje op reis naar Lourdes.
Dankzij een nieuwe, goedgekeurde socialistische wet verkortte men tijdens mijn legerdienst de diensttijd van 21 naar 18 maanden.
Een leuke meevaller.
Maar nog tijdens mijn legerdienst werd ook onze Mil onder de wapens geroepen.
Daar konden ze thuis niet om lachen.

Na mijn legerdienst weer thuis en de draad weer opgepakt in het boerenbedrijf.
Terug wennen aan het harde werk.

Soldaten van observatie-eenheid Rheinbach poseren voor de fotograaf, René zit links.
Een foto uit 1953.


Als ontspanning ging ik op een keertje met de kameraden te voet naar Scherpenheuvel.
Op zaterdagavond vertrokken en ’s zondags om vier in Scherpenheuvel aangekomen.
We fristen ons wat op en namen een ontbijt in een hotelletje.
Dan naar de eerste Misviering in de basiliek, daarna deden we nog de Kruisweg en baden we de Rozenkrans.
Om negen uur vertrokken we terug naar huis en om drie uur in de namiddag arriveerden we.
Moe, en mijn voeten vol pijnlijke blaren.
De volgende keren dat we te voet naar Scherpenheuvel gingen, deed ik mijn legerbottines aan.
Nooit nog blaren gehad.


Op 27 oktober 1956 trouwden Gusta en René in Retie.

Stilaan kwam ook de liefde in mijn leven.
En die liefde heette Gusta Smets, van ’t Bosend.
Op 27 oktober 1956 trouwden we.
In al die jaren, tot op de dag van vandaag, hebben we samen lief en leed gedeeld en hebben we een prachtig gezin opgebouwd.

Een jaartje voor we trouwden, ben ik werk gaan zoeken buiten het boerenbedrijf.
Eerst heb ik enkele maanden in het kleine betonbedrijf van Van Lommel op Ten Aard gewerkt.
Op 13 januari 1956 kon ik beginnen als losse arbeider op de Mollith (Johns-Manville).
Later werd ik er heftruckchauffeur.
Daarna stoker aan de branders waar de leien en andere asbestproducten werden gedroogd.
In de weekends deed ik ook wachtdiensten.
Ik heb er altijd heel graag gewerkt en kende er veel volk.
Toevallig werkten daar ook mijn drie vroegere klasgenoten uit de jongensschool, die samen met mij streden om de hoogste punten bij de schoolexamens.

Op 26 juni 1988 ging ik met brugpensioen.
En nu tracht ik nog wat in de running te blijven door mijn medewerking en inzet te verlenen aan enkele verenigingen.
Zo blijf ik onder de mensen.
Graag help ik een handje in onze parochie, bij misvieringen, begrafenissen enz.
Ik voel me daar goed bij.
En mag ik nu eindigen met een uitspraak van onze laatste Retiese suisse Jef Slegers?
Jef beweerde altijd: “Hoe dichter bij Rome, hoe slechter de christenen”.
Gelukkig zitten wij hier een héél eind van Rome…

Links:
De boerendag in de Bosstraat in 1985.
René legt de laatste hand aan het binden van de korenhoop.
Gusta kijkt goedkeurend toe.
Dankzij het voortreffelijke resultaat van hun arbeid, wonnen zij de korenpikwedstrijd.








Rechts:
De winnaarsbeker van de korenpikwedstrijd.
René en Gusta zijn er nog steeds bijzonder trots op.



Guy Aarts