Even voorstellen... Pieter Adriaensen

Pieter Adriaensen

Pieter Adriaensen is beter gekend als: Peer van Wietjen.

Welnu: hij is me er eentje! Of... méér dan ‘eentje’!
Ik zie enerzijds een plezante Peer die het leven viert en het constant een kwinkslag geeft.
Hij kan mensen vrolijk maken en dat is een talent.
En ik zie anderzijds een Peer die met kwetsbare, fragiele woorden vertelt over zijn vrouw, over zijn ouders, zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen.
Met mildere stem en een ingetogen blik wordt hij een andere Peer.

Wat later speelt hij op zijn mondharmonica – het lichaam gekeerd naar zijn trouwfoto – op virtuoze wijze het lied: ‘’s Avonds bij het slapen gaan, blijf ik voor je foto staan…’, als ode aan zijn te vroeg gestorven echtgenote.
Tot hij weer switcht naar die andere Peer en hij met een lustig deuntje de kamer vult.

Het wordt een opmerkelijk interview met verhalen van lang geleden, over penibele oorlogsgebeurtenissen en met filosofische wijsheden.
Peer draagt het hart op de juiste plaats.
Het is een gezond hart.
Het klopt al 89 jaar in dat kleine, sterke lijf van hem.
Wanneer ik aanstalten maak om naar huis te gaan, hoor ik nog zijn woorden: ‘Bedankt dat ge gekomen zijt en bedankt dat ik je mocht leren kennen’.

Zo’n mens vergeet je toch nooit?



Ik ben in Retie geboren, in de Goorstraat, op 2 oktober 1926.
Ons vader was Aloïs (Wietjen) Adriaensen en ons moeder heette Maria (Marie) Kuypers.
Anna, mijn enige zuster, was hun eerste kind.
Dan volgden mijn broers Jef, Karel (Charel) en Gust.
Jan was mijn jongere broer.
Onze ouders boerden op een huurboerderij van Broeckx, gelegen bijna aan het einde van het gekasseide gedeelte van de Goorstraat.
Onze naaste buren waren ‘die van Mensen’ (Vosters).
Mens was de bijnaam van de grootvader van Staf Vosters.
Staf boerde in de boerderij naast de onze.

Peer Adriaensen, een uitmuntend verteller...



Peer is onze Retiese Toots Thielemans.

Mens was afkomstig van Dessel en ooit deed volgende anekdote de ronde over ‘het waarom’ Mens zijn heil in Retie zocht.
Het lag aan de pastoor van Dessel!
Die placht zijn pittige donderpreken aan te vangen met:
‘Méns! O, méns!…’.
Hierdoor voelde Mens zich zeer persoonlijk aangesproken en dat begon zó op zijn zenuwen te werken dat hij verkoos om naar Retie te verhuizen!
Bij Staf stond destijds een vermaarde kasj (mannelijk schaap).
Je bleef best bij dat beest uit de buurt.
Op een dag brak hij los en kreeg de spelende kinderen op straat in ’t vizier.
Algauw ging het van redden wie zich redden kon.
De grootste kinderen sprongen op de strooiselhoop (in die jaren vrijwel voor elke boerderij te zien).
Zij waren veilig.
Dan koos de kasj mijn richting.
Ik liep voor mijn leven, riep half Retie bijeen maar de kasj was te snel.
Ik kreeg een paar ferme stoten in de rug en viel.
Gelukkig had ons moeder mij gehoord en redde me uit die benarde situatie.

Toen ik vijf jaar werd, moest ik naar de kleuterschool en ging ik mee met de kinderen uit de buurt.
Altijd te voet.
’s Middags gingen we thuis eten.
Met die korte beentjes van me moest ik dagelijks een afstand van plusminus zeven kilometer afleggen.
Het moet gezegd: vroeger hing het allemaal wat meer aaneen en we amuseerden ons kostelijk op de heen- en terugweg naar school.
En zo leek de afstand wat korter.
Begin de jaren 1930 was er nog geen elektriciteit in de Goorstraat.
Ik weet nog dat er een petroleumventer met zijn triporteur vanuit Turnhout zijn waar kwam verkopen bij ons in de straat.
De petroleum werd per liter verkocht.
Mensen uit de buurt kwamen met kruiken en bussen om hun voorraad aan te vullen.
De brandstof was nodig om de lampen te laten branden.

In 1934 waren er toch al enkele boerderijen in de Goorstraat voorzien van elektriciteit.

Er was slechts één bewoner in de straat die een radio bezat.
Het kon er behoorlijk druk zijn, veel buurtbewoners kwamen er naar het nieuws luisteren.
Zo ook op 17 februari 1934, de dag dat koning Albert I dood werd aangetroffen in Marche-les-Dames.
Ook ik hoorde daar het treurige nieuws op de radio.

Zeker moet ik nog vertellen over de massale toeloop van mensen in de Goorstraat, vaak Turnhoutenaren, vanaf eind juni tot zowat begin augustus.
Dat was de periode dat de bosbessen rijp waren voor de pluk.
Ze kwamen per tram of per fiets en trokken richting de Graaf.
Het was er soms zo’n begankenis dat het op een processie leek.
Achter de Grote Gracht lagen heelder stukken grond waarop de bosbessen zeer goed gedijden.
Vandaar de enorme aanlokkelijkheid.
En het was toen nog niet verboden om de besjes te plukken.

In 1937 verhuisden we naar de huurboerderij van Blockx, op de Berg.
En in datzelfde jaar ging ik bij de Retiese Eucharistische Kruistochters.
Een voorwaarde was: elke eerste vrijdag van de maand, zeven maanden lang, de H. Mis bijwonen en te communie gaan.
Zo kon je een volle aflaat (kwijtschelding van straffen voor gedane zonden) verdienen.
We moesten dan ’s morgens naar de vroegmis en nog voor we naar school gingen, mochten we onze meegebrachte boterhammen bij meester Peeters en Mieke Stessens gaan opeten.
Mieke serveerde koffie maar verwachtte wel dat je een kwartje (25 cent.) in het missiebusje stopte.
Velen zullen zich dat grappig knikkende negertje nog wel herinneren.

Ik moest, net als mijn broers, flink meewerken op de boerderij.
Er waren genoeg kleine klusjes te doen.
Ik reed ook graag mee naar de molen van Jef Jacobs op het Horzelend.
We lieten er ons graan malen.
Jef deed niets liever dan grappen en grollen vertellen aan zijn jeugdige klanten.

Om een centje bij te verdienen, kweekten we konijnen.
Een oude versleten mand werd wat opgekalefaterd en een meter boven de grond opgehangen tegen een der palen in de stal.
We legden wat hooi op de bodem van de mand en klaar was Kees.
Konijnen hebben hoogtevrees en zouden nooit over de rand springen.
Jonge konijntjes werden bij ons meestal opgekocht door een zekere Sooi, die daarvoor de boerderijen afging.
Soms verkochten we ze op de konijnenmarkt in Mol.
Ik ben tot en met het achtste leerjaar in Retie naar de jongensschool geweest.

Op 10 mei 1940 begon de oorlog en mocht ik thuisblijven.
Ik zat toen bij meester Juul Schaeken, die ook schoolhoofd was.
Een doodbrave mens.
Hij woonde in het grote schoolhuis in de Peperstraat.

Retiese Eucharistische Kruistochters poseren voor de woning van meester Peeters in de Nederstraat.
Peer zit op de tweede rij uiterst rechts.
Links achteraan zien we meester Peeters, in het midden onderpastoor Tuerlinckx en rechts meester Karel Verwaest.
Een foto uit 1937.

Ik mocht zijn tuin onderhouden.
En ik herinner me nog goed een farce uit die tijd.
Meester Schaeken had me op een donderdagmiddag gevraagd om de bonen te plukken en ze naar de zolder te brengen om ze te laten drogen.
Dat deed ik met plezier.
En ik zag op die zolder een héérlijke weelde aan appelen en peren.
Tja, blijf daar maar eens af!
Ik stopte mijn zakken vol, sloop stilletjes naar beneden en meende zo de plaat te poetsen.
En daar stond meester Schaeken!
Ik had heel goed gewerkt, zei hij, en als beloning mocht ik een gulle greep doen in het mandje met perziken.
Met twee goedgevulde handen dankte ik hem en wilde ik naar huis gaan.
Maar… meester Schaeken zag toch liever dat ik de perziken in mijn zakken stopte, kwestie van ze onderweg zeker niet te verliezen.
Ai! Dat ging niet.
En meester Schaeken begon hartelijk te lachen, zei dat ik maar vlug moest vertrekken om al het fruit aan ons moeder af te geven.
Zó’n goede mens was hij.

Als blijk van dank voor de behouden terugkomst van ‘de Zwitsers’ werd op de Berg een kapelletje gemetst.

Toen de oorlog begon, werden onze Jef en onze Charel opgeroepen voor legerdienst.
Ze moesten zich zo spoedig mogelijk melden in Eeklo waar ze een opleiding zouden krijgen.
Uit de regio Berg-Looiend-Horzelend kregen nog achttien andere jonge mannen dezelfde tijding.
Samen gingen ze op weg.
Toen ze in Eeklo aankwamen, zagen ze een enorme chaos.
Een geharrewar van volk en alles liep er in ’t honderd.
De Duitsers rukten veel sneller op dan verwacht en vluchten naar Frankrijk leek de enige mogelijkheid.
Na wat tumultueuze omzwervingen belandden twaalf van de twintig Retienaren in het neutrale Zwitserland.
Ze werden er geïnterneerd maar genoten toch een bepaalde (gast)vrijheid.
Met wat politieke hulp en de tussenkomst van het Rode Kruis werden ze vrijgelaten en kon de terugreis worden aangevat.
Op 5 juni 1941 kwam onze Charel thuis.
Onze Jef pas op 2 augustus.
Als blijk van dank voor de behouden terugkomst van ‘de Zwitsers’ werd er op de Berg, op de plaats waar nu de grote kapel staat, een klein stenen kapelletje gemetst.

Zo’n oorlog bracht nog veel andere miserie mee.
In 1942 begonnen de Duitsers jonge mannen op te eisen om in Duitsland te gaan werken.
Er werd massaal ondergedoken met als gevolg dat de Duitsers en de Gestapo ware klopjachten hielden.
Het werd voor velen een bijzonder hachelijke tijd.

Lees hier meer over de 'Zwitsers' van Retie.


Soldaat-milicien Peer Adriaensen in 1947.

De leden van de Gestapo, waaronder veel Belgen, waren het meest wreedaardig.
Zij ontzagen niets of niemand.
Onze Jef en onze Charel werden ook gezocht en tegen het einde van de oorlog hadden ook onze Gust en ik de leeftijd waarmee we in de problemen konden raken.
Als er controles of razzia’s waren, moesten ook wij ons uit de voeten maken.
Overdag werkten we gewoon mee op het veld.
Het werk moest gedaan en we waren het stilaan gewoon geworden om zeer alert te zijn.
Fietsers en auto’s hielden we al van ver in ‘t oog.
’s Nachts durfden we niet meer in ons bed te slapen.
Veel te gevaarlijk.
Er werden soms nachtelijke controles gehouden en ontsnappen was dan veel moeilijker.
Soms waren we op de hoogte van die ongewenste nachtelijke bezoeken.
Er moest bij die controles altijd een plaatselijke garde of veldwachter aanwezig zijn en die laatsten zorgden wel eens voor een tijdige verwittiging en konden we ons op tijd verstoppen.
Voor alle veiligheid sliepen we toch best in onze schuilplaatsen op de hooischelf, diep ondergestopt.
Door de schuld van Dolfje Hitler heb ik twee jaar niet in mijn bed geslapen!

Hoe vaak heeft ons moeder ons verwittigd!
Zij had een feilloos gehoor en merkte het dreigend gevaar vlug op.
‘Daar zijn ze, maak dat ge weg zijt!’, riep ze dan.
Meestal was het loos alarm.
En dan treden gewenning en nonchalance op en wordt het gevaarlijk!
Zoals die ene keer, op een warme zomerdag, toen we ’s middags rustig zaten te eten in het komfoorhuis waar het koel was.
Moeder sloeg alarm!

Het huis in Hoffnungsthal (Duitsland) waar Peer verbleef tijdens zijn legerdienst.


Er vertraagde een auto, wat meestal betekende dat er Duitsers op komst waren.
Toch waren we vrij zeker dat ze niet bij ons moesten zijn.
Ons moeder vertrouwde het niet en ging buiten kijken.
We hoorden luid praten.
Duitsers!
Als hazen vlogen we de stal in, onze Jef, onze Charel, onze Gust en ik.
De stal was leeg want de koeien stonden in de wei.
Op de voorstal lag een hoop groenvoeder gereed en daarin verscholen zich onze Gust en onze Charel.
Onze Jef en ik wilden de schelf op maar de ladder was weg!
Dan maar vlugvlug achter wat korenschoven die nog in de stal stonden.
Omdat ik dat niet erg veilig vond, riskeerde ik een acrobatensprong om toch op de schelf te raken.
Het lukte!
Toen volgde ook onze Jef.
Achteraf bleek dat al onze moeite, al onze angsten nodeloos waren.
Twee Duitse soldaten kwamen gewoon vragen of we eieren verkochten.
Ze hadden vanuit hun auto onze kippen zien lopen.
Later vonden we in de voedergoot in de stal twee lepels terug.
Onze Gust en onze Charel hadden die in alle haast meegenomen en in de voederhoop kwijtgespeeld.

Heel wat schrikwekkender is volgend vluchtverhaal.
We waren zakken patatten aan ’t laden op de kar.
We moesten die gaan leveren aan de Duitsers.
Plots een waarschuwing!
Er was een razzia gaande!
De Duitsers zochten naar voortvluchtige werkweigeraars.
Toch nog vlug de laatste zakken opgeladen.
En jandorie!... daar waren ze al!
Een auto met Duitsers!
We moesten, met een vijftal jonge mannen, rennen wat we rennen konden!
Over het kasseibaantje d’ekkeren (hoog gelegen akkers) in, achtervolgd door de Duitse auto!
We sprongen over een gracht en liepen den horst (lager gelegen land) in.
Louis Smets, die daar vlakbij aan ’t ploegen was, riep: ‘blijven lopen, blijven lopen!’
De Duitsers konden niet verder met hun auto, stapten uit en begonnen met hun revolvers te schieten.
Gelukkig werd niemand geraakt.
Achteraf bekeken waren we vrijwel zeker dat ze ons niet echt wilden raken.
Er lagen vast geweren in hun auto en hadden ze daarmee geschoten, waren er doden gevallen.
We liepen voor ons leven, richting Schoonbroek.
Ik had mijn blokken (klompen) al uitgeschopt om beter te kunnen lopen.
Later trok ik mijn kletsnatte kousen, die twee keer zolang waren geworden als oorspronkelijk, ook nog uit en liep barrevoets verder tot in Arendonk.
We belandden er bij voetbalkennissen.
Zij hadden alle begrip voor onze situatie.
Een van hen is ’s avonds zelfs met zijn fiets naar de Berg gereden om te kijken of het er veilig was.
We durfden niet eerder naar huis.

Nog een laatste verhaaltje over zo’n enge controle misschien?
Vlak bij huis waren we sloorzaadplanten (raapzaadplanten) aan ’t plukken.
Ons vader, mijn oudste drie broers en ik.
Stopten er plots twee Duitse Feldgendarmen die onze paspoorten vroegen.
Geen mogelijkheid om te ontsnappen.
Onze Jef liet een vervalst paspoort zien – waarin nota bene een grove tikfout stond – maar de Duitsers zagen er geen graten in.
Onze Charel en onze Gust moesten mee naar huis om hun paspoorten te gaan halen.
Onze Charel, de slimmerik, toonde de Duitsers míjn paspoort!
Zo kreeg hij míjn leeftijd!
Wij geleken sterk op elkaar en misschien zagen de Duitsers het verschil niet.
En het lukte!
Onze Gust moest zijn paspoort niet meer tonen want hij stond niet op de lijst en toen de Duitsers naar mij vroegen, antwoordde onze Charel dat ik nog te jong was om een paspoort te hebben.
‘Alles in Ordnung’, besloten de Feldgendarmen en ze reden verder.
Wees maar gerust dat we toen met de poepers gezeten hebben!

Als de grond thuis te heet werd onder onze voeten gebeurde het wel eens dat we bij Nard (Bernardus) Mijnendonckx, onze overbuurman, gingen overnachten.
Ook daar zochten we een goed plekje op de hooischelf en trokken we de ladder naar boven.
Juul Hoskens, ook voortvluchtig, was er ook altijd bij.
Hij kreeg het er op een keertje, in volslagen duisternis, zwaar aan de stok met een kat of een kater die hij had opgeschrikt.
Het beest ging lelijk tekeer en krabde hem de neus open.
Juul wist niet wat hem overkwam, lag een hele tijd te jammeren om deze onverwachte ellende.
Ook dat was oorlog.

Op het einde van de oorlog hadden nogal wat Duitsers bij ons hun intrek genomen, in de schuur.
Het was een vrij grote schuur en ze hadden er ook een twaalftal paarden gestald.
Regelmatig moest het stro ververst worden.
Onze stromijt stond vlakbij, dus dat was handig voor de Duitsers.
Wat zij echter niet mochten weten: wij hadden in die grote stromijt onze beste kar verborgen!
Een kar met luchtbanden!
De Duitsers eisten alles wat wielen had op, dat was bekend.
Stilaan kwamen zij dichter bij die verborgen kar en op een dag was het zover.
Ze werd ontdekt!
Geheel tegen de verwachtingen in stopten zij de kar netjes terug onder en ze namen het nodige stro aan de andere kant van de mijt.
Toch wel straf!
Tja, die Duitsers!
Ze kwamen in tanks en vliegtuigen maar ze vertrokken met paarden, karren en fietsen!

Enkele jaartjes na de oorlog werd ik opgeroepen voor legerdienst, voor de klas 1947-1948.
Ik werd ingedeeld bij het 6de Bataljon Infanterie en moest naar Duitsland.
Door het feit dat er onvoldoende kazernes voorhanden waren – er was een groot aantal bezettingstroepen aanwezig – werden wij met kleine groepjes ondergebracht in leegstaande huizen.
Onze taak bestond er voornamelijk in om toe te zien of de Duitsers zich wel koest hielden.
Zo leek het toch.
Ik kwam terecht in Hoffnungsthal, in de buurt van Bensberg, een stadsdeel van Bergisch Gladbach in Noordrijn-Westfalen.
Zo’n 25 km oostwaarts van Keulen.
Duitsland was er erg aan toe.
Ik heb daar serieuze miserie gezien.
Er was veel armoe onder de mensen en je zag er bijna geen jonge mannen.
Wel veel ouderen en vrouwen met kinderen.
Ik moest mijn soldatenkleren laten wassen bij een jonge moeder.
Zij woonde samen met haar kind bij haar ouders in.
Met de kleren van Belgische soldaten te wassen, kon zij wat luttele centjes verdienen.
De laatste keer dat ik er kwam – ik mocht afzwaaien – gaf ik de vrouw wat extra geld, chocolade, sigaretten en etenswaren.
Ik werd hartelijk omarmd door haar, haar ouders en het kind.
Zij waren zo dankbaar.

Van het Belgische leger kreeg ik regelmatig mijn portie sigaretten.
Daar ik niet rookte, verkocht ik ze door aan de liefhebbers die aan hun portie niet voldoende hadden.
Zo kreeg ik aardig wat spaarcentjes bij elkaar en ik kocht er een degelijke Duitse ‘accordeon-120-bassen’ voor.
Een fantastisch instrument.
Zelf kon ik er niet op spelen en ik heb de accordeon dan maar doorverkocht.

In de paasperiode van 1947 moest ik mee op paradewacht in België.
Voor een zestal weken.
Ik heb er wacht gelopen aan het Koninklijk Paleis in Laken en in het parlementsgebouw aan de Wetstraat.
Het voelde aan als ‘dicht bij huis’.
Toch, van naar huis gaan was geen sprake.
Met paaszondag mochten katholieke militairen een H. Mis gaan bijwonen, ergens in Brussel.
Onder begeleiding van onze luitenant stapten we naar de kerk.
Onderweg en in het tumult van de paasdrukte, zagen enkele soldaten de kans om geruisloos te verdwijnen.
En ik was daarbij.
De vogels waren gevlogen.
Maar hoe in Retie geraken?
Het moest en het zou.
Ik had al verkering met ons Josfien en ik had haar al zolang niet meer gezien.
Tijdens mijn soldatentijd ben ik maar drie keer thuis geweest, moet je weten.
Samen met een paar andere soldaten raakte ik aan het Noordstation.
Al van ver zagen we patrouillerende MP’s. Riskant!
We mengden ons onopvallend onder de menigte en we wachtten tot ’s middags om de trein naar Antwerpen te nemen.
Van daar met de tram naar Turnhout en zo naar Retie.
Het bezoekje was van korte duur want ’s avonds spoorde ik al terug naar Brussel.
De volgende dag kreeg ik te horen van onze luitenant dat ik drie appèls had gemist.
Gevolg: twaalf dagen cachot!
Daar ik relevante en verzachtende omstandigheden kon aanvoeren, werd mijn diensttijd niet verlengd.
Een straf die de legerleiding anders graag oplegde.
Dankzij mijn kinderen lukte het vorig jaar om een korte vakantie door te brengen in Hoffnungsthal.
Zij hadden een busje gehuurd en samen zijn we naar ginder gereden.
Het huis waar ik tijdens mijn legerdienst verbleef, stond er nog.
Ik herkende er nog veel.
Die twee dagen hebben me écht deugd gedaan.


Peer Adriaensen en Josfien Lauwen trouwden op 29 januari 1949.

Op 29 januari 1949 zijn ons Josfien (Lauwen) en ik getrouwd en we kregen later een mooi gezin met onze vijf kinderen: Maria, Jef, Hugo, Marleen en Dirk.
In het begin dat we getrouwd waren, ben nog enkele jaren op de boerderij blijven werken maar in 1954 kon ik in de bouw beginnen.
De firma waar ik ging werken nam behoorlijk grote bouwwerken aan.
Kerken, appartementen enz.
Ik had totaal geen last van hoogtevrees en dat speelde zeker in mijn voordeel.
Na een tijdje werd ik meewerkend ploegbaas van een ploegje met een twaalftal collega’s.
Ik heb er altijd graag gewerkt.

Toen onze jongste zoon Dirk trouwde en het ouderlijk huis verliet, wilde ik graag mijn wensdroom in vervulling laten gaan.
Ik wilde zó graag gaan parachutespringen!
In 1993 was dat.
Ik kon daarvoor terecht op het vliegveld van Oud-Turnhout.
Later moest ik naar Schaffen.
Ik heb het altijd bij duosprongen gehouden.
Een cursus valschermspringen was vrij duur en zelf een valscherm aanschaffen zou me ook al gauw 100.000 frank (2.500 euro) hebben gekost.
Kwam daar nog bij dat ik al de leeftijd had van 67 jaar.

Ik heb zo’n 52 keer gesprongen.

Het gaf me telkens een heerlijk gevoel om de wereld van boven te bezien en om – net als een vrije vogel – los te zijn van Moeder Aarde!
Fantastische ervaringen!
In de zomer van dit jaar heb ik het geluk gehad om dé unieke sprong te maken, samen met een dochter, twee kleindochters én een achterkleinzoon!
Vier generaties dus!
Volgens mij nog nooit eerder vertoond en daarmee vestigden wij dan toch een wereldrecord, jaja!
Voor mij het mooiste cadeau ooit.
Ik ben zo dankbaar voor het leven dat ik gekregen heb, al heb ik ook rake klappen gehad.
Ons Josfien stierf op 15 augustus 1983.
Veel te vroeg.
Ook de zware beproevingen die enkele van mijn kinderen en kleinkinderen moesten doorstaan, gingen mij zwaar aan het hart.
Maar zo is, helaas, het leven.
En er is maar één weg.
De weg van altijd vooruit.
Van de ‘ups’ moet je genieten en van de ‘downs’ moet je trachten sterker te worden.
Dat is allezeleven zo’n beetje mijn levensleus geweest.


Boven links: Peer groet de fotograaf, na het openen van de parachute.

Boven rechts: Op een zomerdag in 2015 zullen vier generaties uit de familie Adriaensen-Lauwen, samen de unieke sprong wagen op het vliegveld van Schaffen.

V.l.n.r.: Tuur Geenen, Tess Adriaensen, Inge Boeckx, Marleen Adriaensen en Peer.



Soldatenliefde, een lied waarvan Peer de tekst schreef tijdens zijn soldatentijd in 1947.

Een bewijs van zijn veelzijdigheid.

Refrein:
Soldatenliefde is maar van korte duur
’k zal nooit vergeten dat plekje bij die muur
waar menig jonge meid door woorden werd verleid
en zoekt het kwaad bij één soldaat.

En ’s anderendaags weleer
dan kwam dat meisje weer
op ’t juiste uur door hem gesteld
haar hartje klopt vol vuur
alweer bij de oude muur.

Voldoet zij hem met liefde aan
nog enkele woorden die haar bekoorden
en de klaroen blaast voor de wacht
en bij het scheiden zeggen ze beiden
kom morgen maar eens na de wacht.

Ja, mijn vrienden, gij weet het wel
tot ze kwamen aan het spel waar zij meer zochten
negen maanden en één dag waren verlopen
toen zij hare misstap zag, was zij bedrogen.
Meisjes, luister naar mijn raad:

Kijk uit uw ogen,
vrij toch nooit met één soldaat want je bent bedrogen
een jong meisje ging op zwier
maar wat er gebeurde
daar vanachter bij de muur van de kazerne.


Guy Aarts