De ‘Zwitsers’ van Retie

Het verhaal van Karel Adriaensen (‘Charel van Wietjen’)

De Tweede Wereldoorlog begon op 10 mei 1940.
De twaalfde mei, om middernacht, zijn we met een twintigtal jongemannen van o. a. het Looiend en de Berg per fiets naar Eeklo vertrokken.
Alle mannen van 18 tot 45 jaar werden opgeroepen om dienst te nemen.
In Eeklo zouden we een opleiding krijgen van het Belgisch leger.
Wie waren daar allemaal bij?
Van de Berg: Louis Huysmans, Jef Van Dael, Gust Van Herck, Ward en Walter Smets, Jef Adriaensen (onze Jef) en ik. Van het Looiend: Karel ‘Charel’ Dewitte, Louis Van Gestel, Henri ‘Hein’ Keersmaekers, Fons en Bert Deckx, Juul Van Herck, Jef en Ward Mijnendonckx, Gust Peeters, Louis Blockx, Louis en Jef Adriaensen (‘Louis en Jef van Snoiven’) van het Horzelend en Jef Keersmaekers uit Arendonk.
Omzeggens allemaal boerenzonen, behalve Fons en Bert Deckx, Louis en Jef Adriaensen.
Fons werkte in de melkerij, Bert was sigarenmaker in Arendonk, en Louis en Jef zaten in de metsersstiel, zoals al die van ‘Snoiven’.
Mogelijk ben ik iemand vergeten, want ’t is al een hele tijd geleden.

We hadden een beetje proviand meegenomen: wat brood, een blikken doos met spekvet met daarin ‘pillekes’ (‘koaikes’) en wat bruine suiker.
Onderweg naar Kastel (Kasterlee) moesten we soms opzij voor de Franse tanks.
Over Lichtert (Lichtaart) reden we naar Grobbendonk, naar de enige brug over het Albertkanaal die nog niet opgeblazen was.
Tussendoor gingen de geruchten over baldadigheden van de Duitsers, die bij de mensen zelfs de kop afsneden.
Misschien waren dat nog overblijfsels van de wreedheden die de Duitse troepen begingen bij de inval in 1914.
Wie zal het zeggen.
Ik weet wel, dat ge niet moest tegenstrubbelen als ‘den Duits’ een paard opeiste, met of zonder ‘bon’.
Op 4 uur ’s morgens kwamen we in Grobbendonk aan, we sliepen er een paar uur in een zaal en trokken dan verder over de brug van het Albertkanaal.
’t Was al vroeg warm.
Geregeld moesten we dekking zoeken voor Duitse vliegers die aanhoudend mitrailleerden.
In Lier reden er enkelen van ons terug naar huis.
Ik weet niet meer precies wie dat waren, maar waarschijnlijk waren dat vooral de getrouwden.
Rond een uur of zes ’s avonds kwamen we in Eeklo aan.
Daar stond alles overhoop.
Een massa volk.
Na lang zoeken vonden we toch onderdak om te slapen.

Omdat er in Eeklo geen sprake was van een opleiding, trokken we ’s anderendaags verder naar Brugge.
Daar werden we goed opgevangen door het Rode Kruis en konden we ook overnachten.
Dan naar Ieper.
Met duizenden en duizenden waren de vluchtelingen er samengepakt.
Iedereen was op de vlucht voor de oprukkende Duitsers.
Tussendoor luchtalarm.
Wat een miserie!
Wij waren enorm blij dat ze ons niet op de boot naar Engeland zetten.
Op de grens bij Poperinge, in het dorp Abbeele, sliepen we in een grote boerderij.
Daar kregen we ook eten.
De boer schonk zelfs de koffie op.
Maar omdat de boerderij vlakbij een spoorweg lag, bombardeerden de Duitsers steevast.
Dat is oorlog.
Al vroeg in de morgen stonden we in Hazebrouck.
Vandaar reden we naar Abbeville, Dieppe, Rouen, Le Mans tot in La Loupe, in de omgeving van Chartres.
Daar moesten we onze fietsen achterlaten en stapten we op een trein richting Tours met zowat zeshonderd man.
In Tours sliepen we ’s nachts op de vloer van het station.
’s Anderendaags, om 8 uur ’s morgens, weer de trein in naar Châteauroux, Limoges, Toulouse, tot we op een zondagmorgen aankwamen in Narbonne, helemaal in het zuiden van Frankrijk, vlak bij de Middellandse Zee.
Daar werden we ingedeeld in twee compagnies: de 13de en de 15de.
De groep van Retie moest naar Maroussan, een klein dorp van zowat 500 inwoners bij Béziers.
We kwamen er terecht in een wijnschuur.
Gelukkig was het kersentijd, want er was niet veel te eten en in het dorp waren de eetwaren heel duur.
Daarom ook gingen sommigen van ons vissen.
De dorpelingen waren goed voor ons … tot aan de capitulatie van Leopold III na de Achttiendaagse Veldtocht.
Daarna waren we voor hen ‘Duitsers’, des Boches, verraders.
We moesten ook onze pas (identiteitskaart) afgeven en vingerafdrukken laten nemen.
Een zestig man van de tweehonderd moesten vertrekken.
Twaalf van de groep van Retie gingen de trein op naar een onbekende bestemming, een zestal bleef er achter.
Vier dagen en vier nachten reden we in beestenwagens richting Parijs tot we uiteindelijk in Metz aankwamen.
Het waren open treinwagens met aan de zijkanten een sponde erop.
Met enkel een half brood moesten we drie dagen toekomen (ik had het mijne al op bij het vertrek).
Als drank hadden we een fles water, die we aan de buitenkant van de trein hingen, om het water fris te houden.
Bij stopplaatsen vulden we de fles bij met water van een dorpspomp.
Toiletten waren er helemaal niet op de trein.
Maar als ge niet eet, moet ge ook niet ‘goan’.
Dat is dan weer een voordeel.
En als ge dan toch eens moest ‘goan’, gebeurde dat achter kant of struik.
Bij bombardementen stopte de trein, iedereen eraf en plat de gracht in.
Wat een miserie.
Vanuit Metz trokken we naar een dorpje dicht bij de Maginotlinie.
Opdracht: een tweede verdedigingslinie optrekken: houten palen rechtop in de grond steken om de Duitse tanks tegen te houden.
Vier dagen lang, van maandag tot donderdag, zwoegden we daaraan.
De nacht daarop moesten we al op de vlucht, want de Duitse tanks reden door de versperringen alsof het niets was.
Dan weer de trein op in Lunéville bij Nancy.
Van vrijdagmorgen tot maandagavond spoorden we dag en nacht in open wagons onder de kletsende regen naar het neutrale Zwitserland.
Gelukkig bombardeerden de vliegtuigen de trein niet, wel de sporen.
Om 10 uur ’s avonds kwamen we in het Franse grensstation Delle bij Belfort aan.
Daar was het station zwaar gebombardeerd.
Overal lagen er doden en gekwetsten.
Bij een van de doden liep het bloed dwars door zijn overjas.
Vreselijk.
Weer de trein in op een spoor dat nog intact was.
Er waren ook heel wat Italianen die meewilden, maar die mochten Zwitserland niet in.
België had een akkoord met de Zwitsers om ons onderhoud te betalen.
Langs Porrentruy (Pruntrut) kwamen we Zwitserland binnen.
Daar overnachtten we in een gevangenis.
’s Morgens vertrokken we per trein naar Fribourg en van daaruit reden we in autobussen naar Sankt Stephan in het Berner Oberland.
Vijf weken lang verbleven we in zalen en scholen.
Gedurende drie weken werkten we bij boeren: helpen hooien in de bergweiden aan twee Zwitserse frank per dag.


De Retiese ‘Zwitsers’ bij een bakkerswinkel in Sankt Stephan (zomer 1940).
Vooraan: Karel Adriaensen, Louis Van Gestel, Ward Mijnendonckx en Jef Adriaensen (Horzelend).
Midden: Bert Deckx, Karel Dewitte, Jef Mijnendonckx en Jef Smets.
Achteraan: Jef Adriaensen (Berg), Gust Van Herck en Jef Van Dael.
Louis Huysmans ontbreekt. (Foto: verz. Karel Adriaensen)

En toen deed op zekere dag het gerucht de ronde: de Belgen mogen naar huis.
De trein op naar Reichenbach bij Bern.
Weer veertien dagen in zalen en scholen en uiteindelijk naar een hotel in de bergen.
Veertien dagen later naar Bettwiesen tussen Tobel en Wil.
Altijd maar trein in trein uit.
In Bettwiesen leefden we drie maanden in een leegstaande schoenfabriek.
We brachten er onze dagen door met slapen, eten en turnen, een beetje werken bij de boeren, wat appels plukken.
Verveling troef.
Voor onze aankomst in Bettwiesen hadden we, van begin mei af, maar twee keer de kans gehad om mis te horen.
In Bettwiesen gingen we alle dagen naar de kerk en gingen we te communie.
Op een dag kwam de Belgische consul op bezoek om ons moed te geven.
Hij beloofde dat hij alles zou doen om ons terug thuis te krijgen.


De Retiese ‘Zwitsers’ in Lenk (zomer 1940).
Vooraan: Jef Adriaensen (Horzelend) en Jef Van Dael.
Tweede rij: Karel Dewitte, Ward Mijnendonckx en Jef Mijnendonckx.
Derde rij: Louis Huysmans, Jef Smets en Karel Adriaensen.
Achteraan: Jef Adriaensen (Berg), Gust Van Herck, Bert Deckx,Louis Van Gestel.
(Foto: verz. Karel Adriaensen)

Dan kwam de winter.
Vanaf 20 november zaten we in Münchwillen bij Wil (tussen Winterthur en Sankt Gallen) met een halve meter sneeuw.
Door bemiddeling van een jonge Franse aalmoezenier konden we met Kerstmis de nachtmis bijwonen in een protestantse kerk.
We vergingen van heimwee, dat kunt ge wel denken.
Er was ook een kerstfeest met een tombola.
We kregen geleidelijk aan meer en beter eten.
Met nieuwjaar bezorgde de Zwitserse bevolking ons een pakket met onder meer een paar kousen, wat rookgerief en chocolade.
Een paar dagen later organiseerde de plaatselijke bevolking zelfs een grote tombola voor ons.

Op 20 januari 1941 kwamen we terecht in een splinternieuw kamp in Aadorf dicht bij Winterthur.
Mooie zalen, goed ingericht, alleen de omheining van pinnekensdraad was er te veel aan.
Het eten was er goed: ’s morgens brood en chocomelk (‘chocolade koffie’), ’s middags soep, patatten en vlees of soms spaghetti, ’s avonds hetzelfde.
Als we een armband aandeden, mochten we het dorp in tot aan de verbodsplaat ‘Einde voor geïnterneerden’.
Daarom deden we soms de armband af en gingen we om werk bij de boeren.
Zo heb ik een tijdje bij een boer in het nabije Elgg met de paarden gereden.
Omdat de Franse ‘internés’ naar huis mochten, groeide bij ons de hoop dat ook wij vlug zouden kunnen vertrekken.
Geruchten gingen dat dat wel eens de twaalfde februari kon zijn.
Maar op de dag zelf was er geen kwestie meer van naar huis te gaan.
Ontgoocheling en gemopper bij iedereen natuurlijk.
Dan maar aan het werk bij de boeren om te kunnen vluchten, maar de meesten die dat probeerden, werden gesnapt.
De boeren waren goed voor ons, dat moet gezegd.
Toch bleef de ontgoocheling en de ontmoediging bij velen nawerken.

De zevende maart 1941 trokken Gust Van Herck, Bert Deckx en onze Jef (Jef Adriaensen) er vanonder.
Degenen die vroeger ‘gesnapt’ waren, hadden informatie doorgespeeld over de te volgen wegen.
Zonder veel hindernissen zijn die mannen Zwitserland uitgeraakt.
Maar eens over de Duitse grens in de bossen van Oberwil hielden Duitse wachters hen aan.
Na ondervraging belandden ze in een gevangenis.
Uiteindelijk zouden ze twee maanden na ons thuiskomen (2 augustus 1941).

In de lente van 1941 waren we nog met negen man van Retie samen.
En dan gebeurde het.
Een vrouw van het Rode Kruis kwam ons zeggen dat we naar huis mochten.
Wij sprongen een gat in de lucht van blijdschap.
Vanuit Basel treinden we langs de Rijn naar Luxemburg en België.
In Marneffe achter Hannut kregen we van de Duitsers nog een controle op wapenbezit.
Uiteindelijk bereikten we Brussel.
In het grootwarenhuis Au Bon Marché boden ze ons een gratis maaltijd aan.
Daar hebben we afscheid genomen van de andere krijgsgevangenen.
Die van Retie reden via Antwerpen naar Turnhout.
Op de Markt in Turnhout zijn we binnengegaan in het café van Maria Raeymaekers van het Lindenhof.
Brouwer Arnold Van Gansewinkel trakteerde er ons.
Aan de tramhalte op de Berg stond heel wat volk ons op te wachten.
Waarschijnlijk had iemand van de groep naar huis getelefoneerd.
Het was 5 juni 1941.
Na dertien maanden waren we terug thuis.
Het ergste in heel die periode was niet de honger of het tekort aan eten, maar wel de onzekerheid en de drang naar huis.

Na een jaar begon de miserie opnieuw.
In 1942 kreeg ik van het Arbeitsamt in Turnhout een oproep om te gaan werken in Duitsland.
Maar zoals de meeste van de jongemannen ging ik daar niet op in en werd ik ‘voortvluchtig’.
De voortvluchtigen van de gehuchten konden gemakkelijker ontkomen dan zij die aan de Markt woonden.
Drie jaar lang heb ik ’s nachts thuis in de schuur geslapen.
Maar omdat wij in die tijd geregeld voetbalden tegen de mannen van andere gehuchten, was het toch interessant om een valse pas te hebben, omdat de Feldgendarmerie, al dan niet bijgestaan door de Gestapo, daar veel controle deed.
Mensen van het gemeentehuis hebben toen voor een valse pas gezorgd.
Ik zal hen daar altijd dankbaar voor blijven.


De Retiese ‘Zwitsers’ in Münchwillen (najaar 1940).
Vooraan: Jef Adriaensen (Horzelend), Jef Verhoeven (Mol), Ward Mijnendonckx, Karel Dewitte, ene Mertens (Wezel) en Karel Van Sant (Wezel)
Staand: Staf Maerschalk (Mol), Louis Huysmans, Karel Adriaensen, Bert Deckx, Jef Van Dael, Jef Mijnendonckx, Gust Van Herck, Louis Van Gestel, Jef Adriaensen (Berg), Jef Smets, onbekend, onbekend.
Foto: verzameling Karel Adriaensen)

Van de Retiese ‘Zwitsers’ zijn er nog twee in leven: Gust Van Herck, de oudste van de groep, en ik, de jongste van de groep.
De groep van Retiese krijgsgevangenen wordt met de dag kleiner.
Vroeger teerden we met zowat veertig man, vrouwen inbegrepen, op het ogenblik nog met veertien, de vrouwen inbegrepen.

Opgetekend door Walter Raeymaekers 19 oktober 2004