Smokkelen om te overleven

Louis Cools (Retie, 22 april 1927- Mol, 21 maart 2010) was dertien jaar toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak.  Hij woonde toen bij zijn ouders, die in de Peperstraat een herberg uitbaatten.  Toen bij de Duitse inval in België op 10 mei 1940 Duitse vliegtuigen brandbommen dropten in hun woonstraat, sloeg het gezin Cools per fiets op de vlucht naar Frankrijk.  Na drie weken van ellende, honger en levensgevaar keerden zij terug naar hun woning.  Op zijn veertiende was Louis werkzaam als arbeider in het Turfkot tussen Brug 3 en Brug 4 en kort daarop als boswerker in Mol-Postel.  In juni 1943 trad hij in dienst als brievenbesteller bij het Bestuur der Posterijen.  Hij bleef postbode tot aan zijn pensioen.

Omdat tijdens de oorlog ook alle eetwaren gerantsoeneerd werden door de Duitse bezetter, zochten de mensen naar creatieve oplossingen voor dat probleem.  En in de grensstreken lag het smokkelen dan voor de hand.  Als jonge gast maakte Louis Cools enkele smokkeltochten mee.  Amper een halfjaar voor zijn overlijden vertelde Louis ons nog over zijn `smokkelactiviteiten'.


Louis Cools in zovele jaren later

In een oorlog is er altijd een tekort aan eten en dat was ook zo in de oorlog van 1940-'45.  De mensen leden armoe.  Alle voedsel ging `op de bon'.  Alles werd gerantsoeneerd.  Voor alles en nog wat moest ge zegels hebben.  Daarom gingen de mensen in de grensstreek smokkelen: uit honger.

Natuurlijk zijn er altijd mensen die van die situatie profiteren en die gaan dan doorgaans smokkelen uit puur winstbejag.  Dat waren vooral de grote smokkelaars, de mannen die koeien en ander vee over de grens brachten.  Ook kort na de oorlog werd er nog veel gesmokkeld, vooral naar Antwerpen, waar ­ na de bevrijding van de Kempen in de septemberdagen van 1944 ­ nog altijd Duitse vliegende bommen (V1's en V2's) op neerkwamen.  Daar was het nog altijd oorlog en daarom werd er ook veel voedsel naartoe gesmokkeld.  Sommige vrouwen lieten toen speciale korsetten maken om daarin tabak naar Antwerpen te kunnen smokkelen.  Dat bracht goed op.  Maar ook vele Antwerpenaren kwamen toen zelf naar `den buiten' afgezakt om de boer op te gaan.  Ook naar Retie: met tram 41 tot in Turnhout en van daaruit met de groene stoomtram naar Retie.

Tijdens de oorlog kondt ge bij de kleine boeren op de gehuchten nogal eens wat koren loskrijgen, maar bij de grote boeren was dat heel wat moeilijker.  Zo hebben wij thuis goede herinneringen aan Janneke Gevers van de Goorstraat.  Hij liet bij ons vader zijn haar en baard doen, daarom konden wij bij hem al eens terecht voor een `kwatske' patatten en een ei.

Op mijn veertien jaar was ik beginnen te werken in het Turfkot tussen Brug 3 en Brug 4 in Mol-Postel; daar werkten toen zowat `half Witgoor' en `half Arendonk'.  Nadien, vanaf mijn zestien, heb ik als boswerker gewerkt in de bossen in Postel langs de weg naar Eersel.  Boswerk was vooral bomen afdoen. Als jonge gast van een jaar of zestien ben ik een keer of drie met ons vader en nonkel Jef mee gaan smokkelen.  Soms waren daar ook mensen van de Hodonk bij.  Ik herinner me nog dat op een keer `Mie van Dirkes Bèt' (Maria Meeus) van de Hodonk in een bos aan de grens helemaal alleen 's nachts de wacht hield bij de velo's.  Voor mij was dat smokkelen een avontuur; dat was plezant. 
Het smokkelen gebeurde alleen in de zomertijd, want in de winter was het te koud of te nat en lag er dikwijls een dikke laag sneeuw.  Bij valavond vertrokken we dan per fiets over Brug 2 naar Postel.  Af en toe pikte de Duitse schildwacht op de brug er iemand uit voor controle.  Aan Brug 2 huisde ook de Belgische douane.  Op de terugweg bleven we daar natuurlijk uit de buurt.  In Postel namen we achter de abdij de weg richting Reusels Kot (Reusels Huisken).  Al vlug sloegen we de eerste weg rechts in, een karrenspoor, richting Bladel.  Aan de overkant, een honderd meter terug, stonden een drietal huizen.  Men noemde die huizengroep `den Diepo'.(dépôt)  Misschien was daar ooit een depot geweest.  Om een goed spoor te kunnen houden was het best dat er een beetje maanlicht was.  In het pikkedonker was het dikwijls moeilijk om recht te blijven op de velo.  Langs veldwegels bereikten wij de Hollandse grens.  Daar staken we onze velo's in de bossen en trokken we verder te voet naar de boeren van Bladel.  We gingen niet langs de voordeur naar binnen, maar langs de achterdeur.  Kwestie van alles zo geheim mogelijk te houden.  Kleine `sukkeleirs' helpen doorgaans andere kleine `sukkeleirs'.  Dat is altijd zo geweest.  In de bossen moesten we goed oppassen dat we niet op dode takken liepen, want dat knetste en dat kon gehoord worden door de marechaussees, de Hollandse douane of door de Duitsers.  Al hebben we van de Duitsers op die tochten nooit last gehad.  Onder de smokkelaars was er een gevoel van samenhorigheid.  Bij onraad probeerden ze mekaar te verwittigen.  Zo waren we op een nacht op de terugweg van `den Diepo' naar Brug 3, toen plots iemand riep: `Weg, weg! Ze komen erachter!'

Bij de boeren in Bladel kochten ons vader en nonkel Jef alles wat ze aan eten konden krijgen: rogge, haver, kaas, ajuin, sacharine.  Geen groente, behalve ajuin, want de meeste mensen hadden in de oorlog zelf een `groentehofken' aan huis. 

De binnenweg naar Bladel zoals hij er nu bij ligt

Ik denk dat de waar soms al vooraf besteld was, want het graan stond dan al klaar in zakken van 30 tot 50 kilogram.  Het graan droegen we op onze schouders.  Het was in de zak zelf al verdeeld in twee `kwatskes': een deel links en een deel rechts, het lege middenstuk van de zak lag in de nek.  Op die manier was er evenwicht en lag dat goed op de schouders.  Met ajuin ging dat niet zo goed; `juinen' blijven niet zo goed liggen, weet ge.  Vooral dat graan was belangrijk.  Om brood te kunnen bakken liet ons vader het koren en de haver malen bij Janneke Quets op de watermolen; de gemalen haver diende als havermout voor de havermoutpap maar ook als mengeling in het varkensvoeder, want tijdens de oorlog hielden ook de burgermensen een varken op.  Het malen van het graan gebeurde in het zwart, omdat de Duitsers ook de boekhouding van de mulders controleerden. 


Prentkaart uit de jaren 1950. Het gebouw `Den Depot',
voorbij de muren van de abdij in noordelijke richting.
De Franse revolutionairen legerden er aanvankelijk.
Ze verjoegen de kloosterlingen en vanaf 22 augustus 1799
vestigden de Franse soldaten zich definitief in en rond de abdij.

Gepakt en gezakt trokken we dan terug over kleine veldwegels naar onze velo's in de bossen.  Voorzichtig ­ om niet in mekaars wiel te rijden ­ reden we weer in de richting van `den Diepo' langs de weg van Reusel naar Postel.

We probeerden altijd goed bijeen te blijven om mekaar te kunnen helpen als er het een of ander gebeurde.  Van daar trokken we binnendoor naar de Varkensdijk, een karrenspoor dat rond de abdij van Postel liep, en zo verder langs de Ronde Put naar de IJzeren Weg en Brug 3.  Daar moesten we natuurlijk nog over de vaart geraken, want de brug daar was in wereldoorlog II opgeblazen.  Aan die IJzeren Weg is nog iemand van Retie, Juul Lemmens van de Duinberg, in 1941 neergeschoten door de Duitsers.  Juul moet daar geweest zijn met een groep smokkelaars.  De Duitsers riepen `Halt', maar Juul reed toch door en werd van achteren neergeschoten.  Een heel spijtig voorval.

Aan Brug 3 probeerde iemand van onze groep ­ degene die het beste kon smijten ­ een steen te gooien op het pannendak van het huis aan de overkant van de vaart.  Daar woonde toentertijd Jan Paeshuysen.  Met hem was vooraf een afspraak gemaakt.  Jan kwam op het gekletter van de steen naar buiten met een groot zinken bad met rondom een houten kader.  Op de bodem van de vaart was van te voren een `elektrische draad' gelegd door de smokkelaars.  Die wisten de precieze plaats waar die lag.  Om het bad te kunnen sturen was dat kabeltje doorheen het oor van het bad gedaan.  Het lege zinken bad werd naar de `smokkelaarskant' getrokken.  Daar werd het bad gevuld met de smokkelwaar en weer naar de andere kant getrokken.  Na de smokkelwaar gebeurde dat op dezelfde manier met de smokkelaars en hun velo's.  Dat bad kon dat gewicht dragen omdat er een houten kader omheen was aangebracht.  Alles gebeurde natuurlijk in de grootste stilte.


Eens over de vaart ging het weer langs De Graaf in de richting van de Goorstraat, de Boesdijk, de Asberg en van daaruit `achter de hoven' langs het Kerkstraatje kwamen we rond twaalf of een uur 's nachts weer thuis: nonkel Jef in het Straatje ­ hij woonde in een van de drie huizen van de koperslager ­ en ons vader en ik in de Peperstraat.  Maar we zijn ook eens thuisgekomen om zes uur 's morgens.  Op de terugweg tussen `den Diepo' en de Varkensdijk kwam er plots een hevige mist op.  We geraakten de weg kwijt en kwamen in een grote weide terecht.  Dan naar de uitgang gezocht.  Maar met de velo aan de hand en goed geladen was dat een hele karwei.  Pas heel laat hebben we toen die uitgang gevonden.


Walter Raeymaekers