Opgepakt en weggevoerd naar Duitsland door de Duitse bezetter op 24 juli 1944

Jos Weyts (° Retie, 10 maart 1922), Kerkhofstraat 30, doet zijn verhaal

De mensen in Retie kennen Jos Weyts als ‘Jos van Charel van Poldillen’.
Jos is de zoon van kleermaker Karel Weyts (Retie 1886-1966) en van Anna Prinsen (Turnhout 1891- Mol 1977).
Zijn grootvader was kleermaker en ‘klakkenmaker’ Leopold Weyts (Dessel 1844-1922), bijgenaamd Poldillen (omdat zijn moeder Dillen heette), zijn grootmoeder was Maria Theresia Slegers (Herenthout 1848-1913).

Bij Jos thuis waren zes kinderen: Leopold (°1921), later postmeester in Turnhout, Jos (°1922), Maria (°1923), die nog hetzelfde jaar overleed, Mia (°1924), gestorven aan een hersenvliesontsteking op haar twintig, Jan (°1925), later oppasser in het Rijksopvoedingsgesticht in Mol, en Leonarda (°1929).

Zijn grootvader Leopold Weyts (Poldillen) was van Dessel afkomstig.
Hij kocht in 1870 in Retie het hoge woonhuis met herberg en stalletje 'In den Toren' op de hoek van de Markt en de Peperstraat (nu café Den Hoeck).
Over hem haalt Jos deze anekdote aan: ‘Tegenover mijn grootvader, op de andere hoek van de Markt, hield Jef Slegers, Herten Boer, de boer uit Den Hert, een herberg open.
Ik heb dikwijls door mijn vader horen vertellen dat ze geregeld bij mekaar een pint gingen drinken zonder te betalen: Herten Boer kwam bij mijn grootvader een pint drinken, betaalde niet, en op zijn beurt ging mijn grootvader, Poldillen, een pint drinken bij Herten Boer en betaalde op zijn beurt ook niet.
Zo ging dat vroeger
’.
Jos voegt er nog een ‘straffere’ aan toe: ‘Toen Anna, de jongste zuster van mijn vader geboren werd, zei Herten Boer tegen mijn grootvader: Houd die voor mij, daar wil ik later mee trouwen.
En achttien jaar later trouwde Herten Boer met tante Anna. Echt gebeurd
’.

Nadat een groep Duitse ulanen in augustus 1914 als repressie de hoekhuizen van de Markt in brand hadden gestoken, verhuisde de grootvader van Jos een tijd naar de Duinberg en kort daarna naar de Molenstraat, toen nog Ravennest genoemd.
In de Molenstraat huurde hij samen met molenaar Fons ‘Foen’ Slegers een tweewoonst van Jan Thijs, recht tegenover de woning van Kees Van Hoeck. (De tweewoonst werd in 1998 afgebroken.)
Fons Slegers was getrouwd met Toke van Jan Thijs.
Thijs was toen beheerder van het werkvolk van baron du Four in Retie.
Jan Thijs, die niet getrouwd was, woonde elders in een huis van du Four.
In de Molenstraat is de grootvader van Jos in 1922 overleden en op dezelfde dag is Jos daar geboren.

Jozef ‘Jos’ Weyts op leeftijd.
(Foto: Jos Weyts, 2006.)



De woning uit 1927 van Karel en Anna Weyts - Prinsen, Steenweg op Arendonk nr. 16, nu Kerkhofstraat 30.
Op de foto: Jos Weyts en Leopold ‘Pol’ Weyts.
Foto: Jos Weyts (1945).

Zijn ouders woonden in bij grootvader.
Het huis 'In den Toren' op de Markt werd na de Eerste Wereldoorlog heropgebouwd door Louis Haest.
Die was net als de grootvader van Jos afkomstig van Dessel en hij was ook kleermaker.
Haest stopte met de kleermakerij en is in zijn nieuw huis postmeester geworden.

Pas in 1926 hebben Leopold en Maria Weyts - Slegers de vergoeding getrokken van het in 1914 in brand gestoken huis op de Markt.
De dertien kinderen deelden dat bedrag.
De vader van Jos kocht met zijn deel in 1926 tien are grond van de familie De Vel op de Asberg en bouwde er in 1927 het huis waarin Jos en Narda nu nog altijd wonen.

De ouders van Jos verhuisden vanuit de Molenstraat naar de Steenweg op Arendonk (Asberg) met de kar en het zwarte paard van Van den Eynde, want zijn moeder naaide geregeld voor ‘madammeke’ Van den Eynde.
Leerlooier en gemeenteontvanger Karel Van den Eynde was al gestorven in 1923.
Na de dood van haar man is ‘madammeke’ gemeenteontvanger geworden.

Achter de familie Weyts woonde destijds Jan Verstraelen (Jan Pinnemuts) met zijn vijf zonen en vier dochters in een van de vier kleine huizen tegen het Weverspad, die in 1925 daar gebouwd waren door aannemer Rikus De Vel.
Jan Verstraelen stak vroeger – toen er nog geen elektriciteit was – ’s avonds de gaslantaarns aan in het dorpscentrum.


Jos Weyts en de oorlog

Op 24 juli 1944, slechts enkele maanden voor de bevrijding van de Kempen, werd Jos Weyts nog door de Gestapo opgepakt en weggevoerd naar Duitsland.
Maar dat laten we hem zelf vertellen.
‘Toen op 10 mei 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was ik 18 jaar.
Ik was van de klas van 1922.
Vooraleer de oorlog uitbrak, waren er wel geruchten over een nakende oorlog maar de mensen geloofden daar niet veel van.
Op een dag kreeg ik bericht dat ik naar het gemeentehuis moest komen.
Daar waren niet alleen jongemannen van Retie maar zowat van alle dorpen in de omtrek: van Dessel, Arendonk, Mol…
Op het gemeentehuis kreeg ik te horen dat ik met nog andere mannen moest verzamelen in het rekruteringscentrum van Eeklo om me te laten inschrijven in het Belgisch leger.
Voor Retie was dat meer dan dertig man, maar onderweg bleven die helemaal niet bijeen.
Ieder had zijn eigen kameraden.
Burgemeester Edgard De Vel zei toen: ‘Ik kan u niet veel goeie raad geven, probeer maar uw plan te trekken.’
Samen met andere dienstplichtigen van Retie nam ik op de Markt de stoomtram naar Turnhout, van daaruit tram 41 naar Antwerpen en dan verder door naar Eeklo.
Daar kwamen we Retiese douanen tegen die ook gevlucht waren.
En ook Albert Aerts, Bert van boer uit den Dries, moederziel alleen.
Hij was soldaat maar hij had geen wapens.
Hij riep: ‘Hei Jos, wa komde gai hier dûn?’
In Eeklo zijn we in een klooster aan eten geraakt.
Maar om te overnachten moesten we ons plan trekken.
We waren toen met zijn tweeën.
We belden ergens aan met de vraag om slaapgelegenheid.
Een vrouw deed open en zei: ‘Mijn man is ook in dienst.
Ge kunst hier overnachten want ik heb nog een bed vrij.’
Een paar dagen later zijn we vertrokken richting de zee.
Men had ons gezegd dat daar boten klaarlagen om ons naar Engeland te brengen.
Maar de Duitsers waren ons al lang voor.
Sommigen hebben nog wel de zee kunnen oversteken: o.a. een broer van schrijnwerker Vic Van Herck (Fik van Krèppen).
Die is zelfs in Engeland getrouwd en daar ook gebleven.

Onze trein werd door de Duitsers tegengehouden en wij werden verplicht terug te keren.
Op de terugweg konden we hier en daar op een vrachtwagen springen en meerijden.
Per toeval zagen we op zekere dag een vrachtwagen van de brouwerij Campina van Dessel, geladen met lege vaten.
Met negen man zijn we tussen die vaten in Retie aangekomen.
Fons Feyen ‘Fons van Leujen’ was daar toen ook bij.
Bij mijn thuiskomst stond ons moeder de wekelijkse was te doen aan de waskuip.
Ze schrok gelijk ik-weet-niet-wat.
Drie weken was ik van huis geweest.
Onze Pol kwam pas een week later thuis aan.
Hij was in Tervuren in het juvenaat.
Het vliegveld van Evere, niet ver daarvandaan was gebombardeerd, en daarom moesten alle studenten naar huis.

Dagelijks leven in de oorlog

Bij mijn thuiskomst in 1940 waren er weinig Duitsers in het dorp te zien.
Ik weet nog dat hiernaast op het kerkhof Duitse soldaten een kanon hadden geïnstalleerd in een grote put.
En ook dat op een dag een hele groep Duitsers per fiets vanuit Arendonk Retie binnenreden.
Aan fietsen hadden ze blijkbaar een groot tekort, want burgers die een fiets hadden, moesten die afgeven.
Twee van die Duitsers zijn hier bij ons nog afgestapt om naar het ‘gemak’ (WC) te gaan.
Op bevel van de Duitsers moesten ramen en deuren ’s avonds afgeschermd zijn met bruin papier of iets dat geen licht doorliet: het licht van dorpen en steden zou immers de overvliegende vijandelijke vliegtuigen kunnen helpen om zich te oriënteren.
Bij ons thuis dekten we alles af met doeken.
Op het Kasteel du Four lagen ‘bruinhemden’: vooral vrouwen, maar ook enkele mannen.
Ze droegen een bruin uniform met witte kraag.
In de winter schaatsten ze op de dichtgevroren vijvers.

In het begin van de oorlog kondt ge nog wel aan eten geraken, maar in de winter van 1941-1942 was dat wel anders.
Die winter was het geweldig koud met veel sneeuw.
Op sommige plaatsen was die door de wind tot anderhalve meter hoog tegen de muren bijeengewaaid.
Dat was een verschrikkelijke tijd.
Brood was een rariteit.
Maar omdat ons vader kleermaker en ons moeder naaister was, lieten ze de mensen voor het naaiwerk niet in geld betalen maar in graan.
Ik reed dan met zo’n ‘kwatske’ graan op het ‘stoeltje’ van de fiets naar ‘mulder’ Louis Quets in Obroek.
Ons moeder bakte dan zelf roggebrood van het meel in de oven van de Leuvense stoof.
Ieder kind kreeg dan twee sneetjes en meer niet.
Wij waren toen al met vijf kinderen.
In de ‘hof’ bleef geen vierkante meter onbeplant met aardappelen, kolen en andere soorten groente.
Van het ogenblik dat de huishoudwaren als vlees, melk, boter en suiker ‘op de zegel gingen’, moest iedereen zijn winkelier aanduiden.
Voor ons was dat Pol van nonkel Emiel, Leopold Weyts in de Kasteelstraat.
Soms kwamen we zegels te kort, maar omdat we familie waren, lieten Pol en zijn vrouw, Stef van de Kantonnier, dat zo.
Toen werd er veel panharing en pekelharing gegeten.
Ook aan ‘stook’ was er grote schaarste.
Ik ben toen bomen gaan afzagen in de gemeentebossen, helemaal op ’t einde van de Goorstraat, juist over de Gracht.

We geraakten daaraan langs iemand van de gemeenteraad, een bekende van ons huishouden.
‘Ja’, zei die, ‘die dorre bomen gaan toch dood.
Als ge ze kunt gebruiken, doe ze dan maar af, want degenen die ze later zullen meepakken, hebben ze eigenlijk niet nodig.’
Wij hebben die bomen in stukken gezaagd en naar huis gebracht met de kruiwagen.
Aan de vloer in de woonkamer was later nog te zien waar we in die strenge oorlogswinters de houtklompen in stukken ‘kloofden’ (kliefden).

In de gemeentebossen gingen we in de maand september ook bosbessen plukken.
Daar kwamen ook veel Turnhouters op af: sommigen per fiets, anderen met de stoomtram.
’s Zondags en donderdagnamiddags reed ons vader met mij op de fietsbuis naar de bossen.
Bij Broeckx in de Goorstraat gingen we soms wat water drinken.
Omdat toen de suiker gerantsoeneerd was, deed ons moeder saccharine bij die bessenconfituur.
In de zomer gingen we geregeld in de Gracht zwemmen.
De bossen van de Graaf lagen tegen de weg van de Brand naar Brug 2 en Postel.
Wij stookten een Leuvense stoof in de woonkamer en een ‘kerfoewer’ (een fornuis) in de achterkeuken.
Naast hout stookten we ook – tenminste als ze te krijgen waren, want ze waren gerantsoeneerd steenkolen en schlamm (bezinksel van steenkoolgruis in water anders was het in een oogwenk opgebrand) van kolenboer Jef Verdonck van de Asberg.
Zijn zoon Charel bracht die steenkolen aan huis met de kruiwagen, later met de stootkar.
Soms gingen we ze zelf halen met de kruiwagen: twee zakken van vijfentwintig kilogram.
In Postel was er ook spriet (halfvergane wortels en stronken van bomen) te verkrijgen om te stoken.
Ene Matthijs uit Turnhout leurde ook met spriet langs de huizen.
Hij voerde het aan in hoge zakken en verkocht het tegen 0,25 frank (een kwartje) de kilo.
Wij staken eerst een laag spriet aan in de Leuvense stoof en als dat goed brandde, deden we daarop een laag schlamm.
Niet te veel ineens, want schlamm geeft veel hitte, zoveel zelfs dat de pot van de stoof ervan kan springen (scheuren).

Wegvoering

Onze Pol werkte op het postkantoor in Turnhout.
Op een dag werd hij door de Gestapo tegengehouden voor een paspoortcontrole en ze reden met hem per fiets naar het kasteel.
Die dag had hij mijn jas aan, vandaar de vergissing.
In het kasteel zagen ze dat hij al een vrijstelling had, getekend door ene meneer Stokkel.
Toch zochten ze ene Weyts van Retie en dat was ik, want ik had al in 1942 geweigerd om in Duitsland te gaan werken.
Van toen af was ik voortvluchtig.
(Een decreet van 6 oktober 1942 van de Duitse bezetter maakte de arbeidsdienst in België of in Duitsland verplicht voor alle mannen van 18 tot 50 jaar en alle vrouwen tussen 21 en 35, nvdr.)
Omdat de Duitsers mij zochten, ging ik mij bij onraad verstoppen achter de grafzerken van het kerkhof naast ons.
Ooit ben ik in een boom gekropen om me te verschuilen.
Geregeld zagen we Gestapo’s op de fiets voorbijrijden om ons huis in het oog te houden.
Er stond bij ons thuis constant een mand onder de tafel met kleren voor mij voor het geval dat ik ooit opgepakt zou worden door de Duitsers.
Het voorval met onze Pol kwam kort nadien al iemand bij ons thuis vertellen, gevolgd door nog een andere: ‘Zeg, Pol zal vlug naar huis komen, want die hebben ze in Turnhout laten gaan.
Jos, maakt gij dat ge wegkomt!’
Ik ben dan gevlucht naar de zolder van het huis van Jan Verstraelen (Jan Pinnemuts), hier vlakbij aan het Weverspad.
Een paar dagen later was ik thuis op het ‘koerke’ een veloband aan ’t repareren en dat moeten ze gezien hebben, want de dag daarop was ik bezig in het schob achter het huis en ineens stond daar een Duitser.
Hij zei dat ik moest meekomen.
Daarop ging hij naar zijn twee ‘compagnons’, die met de velo aan de hand op straat de wacht hielden.
Hijzelf was ook per velo.
In paniek vluchtte ik in ons huis naar de zolder.
De vloer van de zolder was gemaakt van dunne kepertjes met daartussen latjes en kalk.
Al vlug had de Duitser mij gevonden en onder bedreiging van een revolver moest ik mee.
In zijn haast zakte hij ook nog met één been door de zoldering.
Mijn vader protesteerde geweldig, maar de Duitser probeerde hem te kalmeren met de woorden ‘Es kommt alles in Ordnung, lieber Mann’.
De Gestapo’s in burger mensen van bij ons in dienst van de Duitsers waren heel brutaal in tegenstelling met de Duitse Feldgendarm, die kalm was en die de aanhouding ‘precies tegen zijn goesting’ deed.
Ik werd opgepakt als werkweigeraar: juli 1944.
De Duitser zette mij op de buis van zijn fiets en ging zo met mij naar de tramhalt aan hotel De Keizer op de Markt (nu tankstation Texaco).
De twee Gestapo’s volgden.
Vanuit De Keizer belde de Duitser naar het Arbeitsamt (tewerkstellingsbureau) in Turnhout en dat stuurde een Duitse soldaat om mij met de zwarte mazouttram naar Turnhout te brengen.


Kaart van weggevoerde voor verplichte arbeid in Duitsland van 24 juli 1944 tot 2 mei 1945.
(Kaart: Jos Weyts.)


Tante Anna, Anna van Hertenboer, heeft me zien vertrekken.
‘Ik kom wel terug’, heb ik nog geroepen.
‘Ruhig sitzen bleiben.
Ich habe einen revolver,’ zei de Duitse bewaker tegen mij op de tram.
In Turnhout werd ik opgesloten in een huis recht tegenover het kasteel.
Na twee dagen moest ik naar het bureau komen.
Daar zaten twee vrouwen die ook naar het gevang moesten.
Zij waren opgepakt wegens handel in-de-zwarte-markt: voedsel versjacheren aan woekerprijzen.
Dat was streng verboden door de Duitse bezetter.
Zij dachten dat ik voor hetzelfde vergrijp daar was, maar ik antwoordde hen dat ik opgepakt was als werkweigeraar.
Van Turnhout werd ik met tram 41 naar de gevangenis in de Begijnenstraat in Antwerpen gevoerd.
Daar hebben ons vader en ons moeder nog sokken, tabak en wat geld voor mij binnengesmokkeld.
Na drie dagen ‘Begijnenstraat’ werd ik samen met vele anderen per autobus naar het station van Berchem gebracht.
Dat was de vertrekplaats voor de deportaties naar Duitsland.
Op dat ogenblik liep daar een trein binnen met Fransen die vrijwillig in Duitsland wilden gaan werken of die terugkwamen uit verlof.
De Duitsers maakten al lang grote reclame (sinds zomer 1940, nvdr.) om vrijwilligers aan te trekken voor Duitsland en dat aan interessante financiële voorwaarden.
En omdat armoede in bezet België troef was, gingen sommigen mensen uit miserie daarop in.
Zo ben ik tussen werkvrijwilligers aangekomen in Mariendorf bij Helmsted en ik werd dan ook ‘navenant’ behandeld.
Ik heb daar nooit honger geleden.
Daar was geen tekort aan Kartoffeln (aardappelen), Fleisch (vlees) en Brot (brood).
Mariendorf was een doorgangskamp, waar ‘papieren’ en ‘paspoorten’ werden gecontroleerd.
Van daaruit ging het naar een gebombardeerde fabriek.
Ascaniawerke heette die.
Daar moesten we de machines redden die nog bruikbaar waren.
Weken later werd ik overgeplaatst naar zoutmijnen in de streek van Beendorf, maar ook naar die van Sommersdorf en Sommersburg.
In Sommersburg kregen we onderdak in een cafézaaltje.
Ik werd tewerkgesteld aan een draaibank waar revolvers gefabriceerd werden.
Daar moest ik de dikte controleren van onderdelen als b.v. metalen bouten.
Boven mij stond een Betriebsfürher (bedrijfsleider).
Hij was in de Eerste Wereldoorlog twee jaar lang in Oostende geweest.
Op zekere dag zei hij mij: ‘Ach lieber Mann, der Krieg geht auf sein Ende.’
Die Duitsers waren tamelijk vriendelijk voor ons, want zij wisten ook niet hoe wij tegenover hen zouden staan na de oorlog.
In dezelfde fabriek werkten ook vrouwen die gestraft waren door de Duitse overheid voor zwarthandel.
Zij waren heel nieuwsgiering naar dingen die ik als kleermaker wel kon maken maar zij niet.
Zij wilden zich bekwamen in de kleermakerij.
Zij droegen lange broeken en ‘gilets’.
Ik maakte papieren patronen van de ‘gilets’ en de nachtjapons van de vrouwen.
Op die manier konden die vrouwen die kledingstukken ook namaken.
Voor de vrouwen was er een aparte uitgang en aparte toiletten, waar ze enkel naartoe mochten onder begeleiding van een vrouwelijke politieagent.
Op een bepaald uur en in twee groepen mochten de vrouwen naar het toilet.
Er was ook nogal wat naijver onder hen, onder andere over de kwaliteit van het werk dat ze afleverden.
Naargelang van de kwaliteit van het werk kregen ze af en toe meer en beter eten.
De opzichter zei eens tegen mij: ‘Ach mein lieber Mann, du bist eine grosse Ausnahme!
Schön, schön.
Und das nicht allein, aber die Arbeit!’
Van die man kon ik dan ook heel veel bekomen.
Ik werkte in een aparte werkkamer en kon ook vrij naar de wc gaan.
Als ze met het eten rondkwamen, was ik als eerste aan de beurt.
Zo van die dingen.
Ik werd ook betaald voor mijn werk: maandelijks 4,25 mark.
Dat was eigenlijk een waardeloos bedrag, temeer omdat we ook niets mochten kopen.
Dat was eigenlijk ook niet nodig.
Om op café te gaan tijdens het weekeinde hadden we geen zin al kon dat zonder bewaking want in iedere café zaten oudgedienden van 1914-1918 die ons in het oog hielden.
Daarenboven kregen de Duitsers wel bier, maar wij in het geheel niet.
Er was ook niet zoveel bier voorhanden.
Per aantal vaste klanten werd er een hoeveelheid geleverd aan de cafés.
Als we uitgingen, moesten we alleen maar zorgen dat we ’s anderendaags ’s morgens op tijd aan de autobus stonden.
Wel gingen we geregeld naar een katholieke kerk die daar ergens midden in het veld stond.
’s Zondags mochten we naar de mis gaan, maar we moesten er wel voor zorgen dat we ’s morgens om 8 uur aan de bushalte waren.
De werkdag liep van ’s morgens 8 uur tot ’s avonds 8 uur, ook ’s zondags!
Op een gewone zondag zaten er enkel een paar oudere vrouwen in de kerk, maar met Weihnachten (Kerstmis) zat de kerk afgeladen vol.
Wij sliepen met zeven man in dubbele bedden in een zaaltje in het dorp bij een zekere madame Otae, een Française die met een Duitser getrouwd was.
Zij hield ook herberg.
’s Morgens werden we stipt om 8 uur opgehaald met een autobus.
Die stopte aan een zeker punt en van daaruit moesten we nog zeven kilometer te voet gaan naar de werkplaats.
Om 9 uur moesten we daar beginnen.
Omdat in Duitsland heel veel fruitbomen langs de weg stonden, hoorden wij in de herfst de appelen op het dak van de bus vallen.
Maar het was ons ten strengste verboden dat fruit op te rapen.
Die fruitbomen waren per vijftig meter verkocht aan winkeliers en fruithandelaars.
Als ge bijvoorbeeld een appel opraapte en iemand van de kinderen van de eigenaar had dat gezien, dan zat het ertegen!

Bevrijding

Negen maanden heeft mijn gevangenschap geduurd.
Op een morgen riep de Duitse chauffeur van de autobus: ‘Alles ist geschlossen!
Zurück nach Hause!’
Geen enkele Duitse bewaker was er nog te bespeuren.
We werden bevrijd door Canadese soldaten: 12 april 1945.
Overal wemelde het van de Canadezen: op camions, jeeps en te voet.
Jeeps met MP’s (Militaire Politie).
Overal groot lawaai en geronk van vliegtuigen en van tanks.
Die Canadezen spraken Frans.
Gelukkig had ik altijd Gène De Backer bij mij, een Brusselaar die goed Frans kende.
De Canadezen trakteerden met corned beef en met appelen en druiven.
Een van de MP’s sprak zelfs Vlaams.
Hij vroeg: ‘Waar woont de burgemeester.
Ik moet ernaartoe, want hij moet het dorp overgeven!’
De burgemeester gaf niet alleen het dorp over, hij vroeg ook nog verschoning aan ons.
Met achtenveertig man uit de omliggende dorpen zijn we toen naar het kasteel van het dorp getrokken.
De boerderijen errond waren allemaal eigendom van die kasteelheer.
In de oorlog werkten daar honderden buitenlanders: vooral Russen en Polen.
Allen wilden ze zo vlug mogelijk naar huis.
Maar de wegen waren smal en de Canadezen wilden niet gehinderd worden in hun opmars.
Daarom werd er eerst goed overlegd in een zaal in het kasteel.
Een ingenieur uit Leuven kreeg uiteindelijk de leiding.
De kasteelheer had zich verstopt uit schrik voor eventuele represailles.
We sloegen daar een tractor aan, maar uiteindelijk kon niemand ermee rijden.
Dan op zoek naar de kasteelheer.
Na heel wat uitleg van de kasteelheer konden we dan toch met de tractor en een lange, platte wagen vertrekken.
Onderweg moesten we echter stoppen van Canadese MP’s.
Ze zeiden: ‘Dat is oorlogsbuit!
Direct laten staan en ons volgen!’
Op vele plaatsen hadden de Geallieerden al houten barakken en tenten geplaatst om de duizenden buitenlanders op te vangen en ze te begeleiden op hun terugweg naar huis.
De Canadezen brachten ons naar een station tussen Maagdenburg en Brünsweich op zowat 88 kilometer van Berlijn.
Omdat we richting België moesten, zijn we heel dikwijls van spoor moeten veranderen.
Overal waar we halt hielden, werden we opgewacht door mensen van het Rode Kruis die ons een boterham met gelei aanboden.
Uiteindelijk zijn we aangekomen in Luik.
Daar bevolen rijkswachters ons in rij te gaan.
‘En avant, marche!’ kregen we te horen.
In rij moesten we naar een grote vakschool marcheren, waar we opgewacht werden door militairen achter lange tafels.
Iedere militair had een bak met fiches (steekkaarten) van de jongemannen die de Duitsers opgepakt hadden als werkweigeraars, maar ook van degenen die vrijwillig in Duitsland gaan werken waren.
Weggevoerden hadden geen ‘pas’ (identiteitskaart) meer, want die werd opgestookt bij aankomst in het kamp.
Alleen ik had nog een pas, want bij mijn aankomst in Duitsland had een secretaresse die teruggegeven nadat ze de gegevens genoteerd had.
Ik kwam aan de tafel bij een van de militairen en ik liet mijn ‘pas’ zien.
‘Wel, wel, hoe is dat mogelijk!’ zei die in het Nederlands, want het was een Limburger van afkomst.
Een andere militair bracht de bak met de steekkaarten van Turnhout en omgeving.
Mijn ‘fiche’ zat ertussen.
De militair las de gegevens en toen zei hij: ‘Mijn lieve vriend, u bent vrij van zonden.
U bent werkelijk een werkweigeraar.’
Ik was opgelucht, want er waren er ook in de zaal die direct in de boeien werden geslagen omdat ze ‘gehuisd hadden met den Duits’.
Ik kreeg papieren voor de treinreis naar Brussel en van daaruit naar Antwerpen.
Van de zeventien man van onze groep was er maar een van de Kempen: dat was ik.
Overal in de stopplaatsen stonden mensen van het Rode Kruis.
‘Mijn vriend, komt ge van Duitsland?’
‘Ja’.
Mijn papieren werden nagekeken, alles was in orde en dan volgde de boterham met gelei.
Zo ben ik op de duur aangekomen in Antwerpen.
Aan de parkeerplaats van de trams komt er iemand naar mij toe: ‘’t Is toch niet waar zeker,’zei hij.
Het was de man van Net, een van de dochters van mijn gebuur Jan Verstraelen (Jan Pinnemuts).
Eerst stond hij op de lijn Mol-Turnhout en later op de lijn Antwerpen-Turnhout.
Hij herkende mij direct omdat zijn kinderen geregeld bij ons kwamen spelen.
‘Kom eerst een kom koffie drinken.
Seffens komt er een tram binnen en dan rijden wij samen naar Turnhout.’
In Turnhout wees hij mij het bureau van het Rode Kruis aan voor mijn registratie.
In dat lokaal waren er journalisten, die mijn wedervaren noteerden.
Ik was al meer dan de honderd tachtigste die ze zo ontvingen.
Moedermens alleen ben ik in Retie afgestapt op de Markt.
Ik dacht: ik ga in de boerderij van Keersmaekers achter de kerk binnen om te vragen of iemand ze thuis wil gaan verwittigen.
Want zo onverwachts thuis binnenkomen is ook niet alles.
En dan is een van de jongens van Keersmaekers thuis gaan zeggen dat ik op komst was.
De 4de mei 1945 om 4 uur in de namiddag ben ik thuisgekomen.
Daar werd ik opgewacht door heel wat mensen: buren, vrienden en kennissen.

Gelukkig was ik gezond thuisgekomen.
De negen maanden dat ik in Duitsland was, ben ik nooit ziek geweest.
Altijd was er voldoende te eten, omdat ik kon genieten van het gunstregime van de werkvrijwilligers.
Er waren natuurlijk dingen die minder plezant waren: ver van huis zijn, geen nieuws van thuis krijgen, want naar huis schrijven mocht niet en van huis uit brieven of pakjes aankrijgen kon evenmin.
Ook het Rode Kruis kon daar niets aan veranderen.
Misschien had dat ook te maken met het feit dat, toen wij in Duitsland aankwamen, al heel veel plat gebombardeerd was door de Geallieerden.
Trouwens de opdrachten die wij moesten uitvoeren, moesten we zelf gaan halen, omdat de Duitsers zelf het te gevaarlijk vonden om ze te brengen.
Wij gingen dat werk graag aan huis halen om wat amusement te hebben.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik blij ben dat het in Duitsland goed afgelopen is.
Ik deed ook niet moeilijk en probeerde de reglementen zo goed mogelijk op te volgen.

Drie dagen na mijn thuiskomst moest ik al naar de soldatenkeuring in Turnhout!


Opgetekend door Walter Raeymaekers op donderdag 20 december 2007.