Opgepakt tijdens de Tweede Wereldoorlog


Fons Melis

Fons Melis is van 1921.  Hij komt uit een kroostrijk gezin van acht kinderen.  Zijn vader was Peer Melis, geboren in 1890; zijn moeder was Colette Lètje Cools, geboren in 1894, dochter van Joannes Cools, alias Jan Hoed, die een broer was van velomaker en herbergier Pieter Cools (Peer Hoed).  Vanwaar de bijnaam `Pjèrke van Mannen' voor zijn vader? `Omdat mijn grootvader een grote man was ­ "groot van was", zoals ze in Retie zeggen ­ en mijn vader heel wat kleiner van gestalte, noemden de mensen in het dorp mijn vader Pjèrke van Mannen', aldus Fons.

Het gezin woonde in De Arendonkse Poort, op de hoek van de weg naar de Asberg en de Arendonkse Steenweg (nu Kerkhofstraat).  Zijn moeder hield daar een herberg en een kruidenierswinkel open; zijn vader dreef een handel in boter en eieren.  De boeren brachten die waren iedere dinsdag bij hem thuis.  Daar werd die boter gemengd met Deense boter, omdat de Retiese boter, wat de smaak betreft, te seizoens gebonden was: ze had een `raapsmaak'.  In de grote gezinnen van toen werden de kinderen van kleins af ingeschakeld bij het huishoudelijk werk. Zo moest Fons, samen met zijn oudste broer Charel, die grote klompen boter verwerken in pakjes van 250 en 500 gram.  `We gebruikten plankjes om die pakjes te kunnen "kloppen".  In het bovenste plankje waren richels om de boter wat te versieren.  Ik was toen een schooljongen van een jaar of twaalf en was daar nogal handig in.'  Vader Melis voerde die zuivelproducten 's woensdags en 's zaterdags met zijn Ford naar klanten in Antwerpen.  Ook bij die leveringen werden de kinderen ingeschakeld.  `Onze Charel en ik moesten geregeld mee, vooral in de winter, om de ruiten schoon te vegen van regen en sneeuw, en ook om de richtingwijzers (een latje met een koordje eraan) te bedienen, want dat gebeurde toen nog met de hand.'  De dagen dat vader Melis niet naar Antwerpen reed, slachtte hij varkens bij de boeren.  De boeren kwamen dan bij hem aan huis het varken `verraden': vragen om het te komen slachten.  Vanaf zijn vijftien jaar ging zijn broer Charel al mee om te slachten.  Maar ook Fons sloeg dezelfde richting in.  De nakende oorlog zou zorgen voor een ongewild oponthoud.

Slager in Marcinelle

Toen op 10 mei 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was ik niet meer in Retie maar wel in Marcinelle bij Charleroi.  Op mijn vijftien jaar, na de lagere school, ben ik als beenhouwersgast naar Antwerpen getrokken bij een beenhouwer in de Lange Leemstraat.  Daar woonden veel Joden en daar werd heel veel Frans gesproken.  Zeker door de rijkere mensen.  Dat was in 1936, 1937. 

In 1938 ben ik als beenhouwersgast in Marcinelle gaan werken om `mijn Frans' te leren.  Het was een vervolg op de Franse lessen van meester Schaeken in de gemeenteschool.  In Antwerpen kon ik die `Franse madammekes' wel verstaan, maar veel meer dan `oui' en `non' antwoorden zat er niet in.  In Marcinelle was ik uiteraard in de kost en ik ben pas na zeven maanden voor de eerste keer naar ons thuis teruggekeerd.  Ik was graag in Marcinelle.  Het ging er veel gemoedelijker aan toe dan in Antwerpen.  Bijna iedere avond werd ik, samen met nog een van de elf andere gasten die in de beenhouwerij werkten, bij de mensen aan huis uitgenodigd om te buurten.  Als er geen Tweede Wereldoorlog zou geweest zijn, was ik waarschijnlijk in Marcinelle blijven wonen.  In 1938 was er al een mobilisatie geweest: mannen die opgeroepen werden om de landsgrenzen te bewaken.  Kort daarop werden ze vrijgesteld, maar in augustus 1939 werden ze toch weer opgeroepen.  De gemobiliseerden van Marcinelle moesten in 1938 het zogezegd oninneembare fort van Eben-Emael gaan bewaken.  Op 10 mei 1940 zijn er Duitse parachutisten achter die `oninneembare' bunker geland en in korte tijd hebben ze het fort ingenomen.

Opgeroepen voor Duinkerken

Ik was van de klas van 1940.  Toen de Duitsers bij de Maas waren, bijna in Marcinelle, werd ik via de radio opgeroepen om naar Duinkerken te gaan.  Ik had op dat moment nog geen legerdienst gedaan en dus had ik helemaal geen militaire opleiding gehad.  Ik werd beschouwd als een Waal omdat ik mijn domicilie in Marcinelle had.  De Vlamingen moesten verzamelen in Eeklo.  Ik ben toen te voet opgestapt, samen met nog twee anderen, richting Duinkerken in Frankrijk.  Onderweg moesten we geregeld de gracht induiken omdat we gemitrailleerd werden door Stuka's, Duitse jachtvliegtuigen.  Slapen deden we waar er gelegenheid was, gelijk waar.  Bij de bakkers zei ik dat we met tien waren in plaats van met zijn drieën.  Zo geraakte ik aan het nodige brood.  Mijn bazin in Marcinelle had me bij het vertrek 1.000 frank toegestopt, want `ik had nog een maand te trekken', zei ze.  Dat was toen heel veel geld!  In Duinkerken zouden we onze militaire uitrusting krijgen, want daar zouden we ingescheept worden naar Engeland.  Maar de Duitsers waren al lang in Duinkerken toen wij nog maar in Lille (Rijsel) aankwamen.  Wij zijn nooit in Duinkerken geraakt.  Vanuit Lille zijn wij terug naar Marcinelle gegaan.  Altijd te voet, want wie een fiets had, moest die toch afgeven aan de Duitsers.  Onderweg ben ik zelfs Modest Goetelen van Retie tegengekomen.  Aangekomen in Marcinelle, ben ik naar ons thuis in Retie geweest.  Eventjes maar, want omdat mijn baas krijgsgevangen was, had de bazin graag dat ik terugkwam in de beenhouwerij.  Ons madam kocht vlees aan in Anderlecht. 

Bij het uitbreken van de oorlog op 10 mei 1940 was ik dus niet in Retie en ook niet bij de bevrijding in september 1944, want toen zat ik als `weggevoerde' in Berlijn.  Tot halfweg augustus 1940 ben ik in Marcinelle gebleven.  Toen ging het vlees `op de zegel', omdat de Duitsers alles aansloegen.  Vanaf dan was er omzeggens geen vlees meer te verkrijgen en dus was er ook geen werk meer in de beenhouwerij.  Ik denk dat onze Wiet (Louis) en Fons (Alfons) Steemans toen instonden voor de zegelbedeling in het gemeentehuis in Retie.  De boeren moesten vlees en aardappelen leveren.  Zelfs meer aardappelen dan ze `gezet' (geplant) hadden.  Er werden in die tijd veel patatten verstopt en geregeld ook geslachte varkens onder een of andere mutsaardmijt. 

Alles op de bon, dus smokkelen

In de jaren die volgden, was er veel armoede onder de mensen.  Ikzelf ging in de Arendonkse Watering `hei spaaien' om op die grond patatten en rogge te kunnen winnen.  Van de roggebloem werd het zogenaamde `zwart brood' gebakken.  Ook ging ik, zoals vele anderen, met de velo smokkelen naar Holland: patatten en vooral dozen conserven, alle soorten conserven naar gelang die voorhanden waren in Nederland.  Tussen Arendonk en Postel staken we met een vlot de Turnhoutse Vaart over.  Onze Gène was getrouwd met de dochter van Janneke Ruts van de Vrijheid in Arendonk.  Als ik langs die kant ging smokkelen, gingen de zonen van Janneke Ruts mee en dan staken we in Arendonk de vaart over met een vlot.  Die van Ruts waren atleten, zij kenden goed de weg.  Met hen ging ik graag mee.  Mathilde Ruts en ik zijn ooit overdag `marchandies' in Holland gaan kopen.  Die werd daar naar een bepaalde boer gebracht en 's nachts gingen we dan alles ophalen.  Altijd met de velo en zonder verlichting, geen carbuurlamp, dat was trouwens ook verboden door de Duitsers.  Tussendoor deden we hier of daar al eens een varken dood `in het zwart' (zonder officiële toelating).  We stuurden dat vlees op met de trein naar een slager in Antwerpen.

Duitse soldaten in het dorp

In Retie was er van de oorlog weinig te zien.  Er was niets gebombardeerd.  In de oudste lokalen van de gemeenteschool in de Peperstraat lagen Duitse soldaten.  Die hadden daar ook hun keuken.  In 1943 hebben Feldgendarmen bij ons een radio meegenomen en ook een `triporteur' waarmee vader Melis soms bakken en tonnen bier vervoerde.  In die tijd was onze Gène (Eugeen) krijgsgevangene in Duitsland, wel twee of drie jaar.  In het Kasteel du Four lagen bruinhemden van de organisatie Todt.  Dat was eigenlijk een arbeidsleger, dat bijvoorbeeld de spoorwegen moest onderhouden of herstellen na bombardementen of sabotagedaden.  De `Todtmannen' moesten ook fabrieken bewaken.  Ze droegen een bruin uniform en een `pots', een topmuts. 

In het Kasteel du Four kwamen ze op bepaalde perioden uitrusten.  De gebroeders Marten en Jef Top Feyen waren ook bij de bruinhemden.  Marten heeft zelfs het zwart uniform en de kepie van de Zwarte Brigade gedragen.  Ik denk dat de mannen van de Zwarte Brigade gewapend waren.  Marten zou later in de oorlog aan het oostfront gesneuveld zijn.

Voortvluchtig

Na mijn terugkomst van Marcinelle was ik beginnen te werken in de slachterij in Turnhout in de Guldensporenlaan.  In Mol was er toen nog geen slachthuis.  Alle dagen reed ik met de velo naar mijn werk: binnendoor langs smalle paadjes en karresporen, langs de Hoeven, de Bremelshoef, Corsendonk, Dariesdonk, Zevendonk, Schorvoort en zo richting Turnhoutse watertoren, de Rivierstraat in, en over de spoorlijn rechtsaf naar het slachthuis.  Daar waren ook de paardenstallen van de stad Turnhout, die al vlug door de Duitsers werden `overgenomen'.  In het slachthuis ben ik een paar keer moeten gaan vluchten voor de Duitsers.  Ik had me toen verscholen op de hooizolder boven de paardenstallen, want ik was ondertussen al opgeroepen door de Duitse Werbestelle (aanwervingsbureau) om te gaan werken in Duitsland.  Ik was van de klas 1940-1941, maar ik had mij niet gemeld bij het Arbeitsamt (arbeidsbureau) en ik was dus voortvluchtig.  De Belgische Gestapo's (Gestapo: Geheime Staatspolizei) waren de ergsten in het opsporen van zogezegde werkweigeraars.  De eigenlijke Duitse Gestapo's zaten niet hier.  's Nachts sliep ik nooit thuis. Ik ben lange tijd gaan slapen bij Modest Goetelen, de beenhouwer, eerst in de Peperstraat en later, na zijn verhuizing, op de Molsebaan.  Soms moest ik al eens gaan lopen en dan sliep ik in een of andere schuur.  Leon Raeymaekers, den tête, is mij eens op een avond rond halfelf tegemoet gekomen `achter de hoven' in de richting van het Kerkstraatje.  Hij stond mij op te wachten en zei: `Jongen, gij moogt daar vanavond niet gaan slapen.'  Hij bedoelde bij Modest Goetelen in de Peperstraat.  Inderdaad, die bewuste nacht hebben de Gestapo's Jef Spooren meegenomen.  Jef woonde in het huis naast Goetelen.  Waar ik die nacht gebleven ben, weet ikzelf al niet meer, misschien zelfs bij ons thuis.  Maar vanaf toen ben ik geregeld gaan slapen bij bakker Gerard Schaeken aan de Arendonkse Steenweg, nu de Kerkhofstraat.  Leon Raeymaekers was wel een `lawaaimaker' maar in zo'n omstandigheden kondt ge op hem rekenen.  Hij zat overal met zijn neus tussen en wist veel.  Ikzelf was ook bij de Burgerwacht.  Als ge voortvluchtig waart, kondt ge nergens beter zijn, want ge kwaamt overal en ge hoorde van alles.  Op die leeftijd hebt ge ook niet veel slaap nodig.  Er was ook een Boerenwacht om de veldgewassen te bewaken, want wegens de grote schaarste aan groenten en graan werd er veel gestolen.  Die wacht had niet zoveel nut, want de honger maakt de mensen heel creatief.  De mannen van de Burgerwacht hebben onze Charel en mij eens tegengehouden toen we een geslacht varken bij hadden.  Het felste van al, degene die ons tegenhield, wist zelf niet dat het varken van bij hem thuis kwam.  Dat varken werd opgestuurd in een kist naar een `pastoor' (een deknaam voor een gegoede burger) in Antwerpen.  De kist werd verstuurd met de trein als een kist met flessen wijn.  Dat ging redelijk goed en dat bracht ook goed op.  In Antwerpen haalden onze Charel en ik de `kist wijn' op en voerden die naar de `pastoor'. 

Van de Duitse Feldgendarmerie moest ge niet veel schrik hebben, die zochten eigenlijk niet, al moest ge ze natuurlijk niet in de weg lopen.  Ze droegen een Duits uniform en kwamen ook in het slachthuis bij ons slachten.  Ze droegen een overall met de naam Wehrmacht (het geregelde Duitse leger) op.  Zij verwittigden ons zelfs als er een razzia op til was.  Ik had wel een vrijstelling van de stad Turnhout: een bewijs dat ik in een stadsdienst werkte.  Maar al bij al betrouwde ik dat niet helemaal.  Ik was op de duur heel voorzichtig geworden.  Toch hebben ze mij pas na twee jaar kunnen `snappen'.

Opgepakt door de Gestapo

Ik wist dat ik fel gezocht werd door de Duitsers omdat ik niet voor hen wilde slachten.  Toen ik al een half jaar in Duitsland zat, kwamen ze bij ons thuis nog naar mij zoeken!  Ik ben aangehouden op 7 maart 1944.  Hein van Peer Gijs en ik waren met de velo weggereden langs een veldwegeltje door de akkeren, langs het huisje van Janneke Poppelee, richting Brasel, om hout te gaan halen in de bossen van het Koninklijk Domein op de plaats waar nu de Desselse ambachtelijke zone Stenehei is.  Daar stonden toen dennenbossen en veel schaarhout.  Ge mocht daar al eens een boom `afdoen'.  Men zei daar niks van.  Dat werd daar veel gedaan.  Als we berk konden vinden, kapten we die eerst af.  Wat moest ge anders al doen vermits er overal een tekort aan stook was. 

Op de terugweg namen we niet meer dat binnenwegeltje maar wel de Geelsebaan.  Op zowat vijftig meter van het café De Koekoek van de Witte van de Pruis (Louis Nuyens) kwamen we een vrouw tegen die niks zei en gerustgesteld reden we verder.  En toen gebeurde het.  Wat verder sprongen plots een paar Gestapomannen met de revolver in de hand uit de gracht aan de overkant van de weg.  Ze riepen: `Halt! Stoppen!'  Ik zei aan Hein: `Stopt gij maar.'  Want Hein was toch nog maar 16 jaar.  Ik ging recht op de pedalen staan om te ontsnappen, maar honderd meter verder sprongen nog twee Gestapomannen in lange lederen jassen uit de gracht.  Ze hielden me tegen en ik zette mijn velo tegen een boompje, want toen waren de bomen langs de Geelsebaan nog jong.  Ik moest in hun auto stappen, een lage zwarte Citroën.  Ze voerden mij naar Turnhout.  Het waren Gestapo's van hier, van ons eigen volk!  Na de oorlog zijn er drie van hen terechtsgesteld in het kamp van Breendonk.  Wij zijn toen met enkele `weggevoerden' in 1946 moeten gaan getuigen bij de Gerechtelijke Politie (Veiligheid van de Staat) in de Renier Sniedersstraat in Turnhout.  Fons Feyen, Fons van Leujen, heeft toen een van die drie Gestapo's op het gezicht geslagen.  Dat mocht natuurlijk niet, maar Fons kon zich niet inhouden. 
In Turnhout heb ik twee dagen gevangen gezeten in het kasteel (nu de rechtbank) en dan nog drie dagen in de gevangenis van de Begijnenstraat in Antwerpen.  Ik hoor een bewaker in het kasteel nog zeggen: `Endlich Melis!'  In Antwerpen zaten we met velen onder bewaking in een zaal.  We kregen daar eten en drinken en werden goed behandeld.  Als er genoeg `opgepakten' waren om een trein te vullen, werden we weggevoerd naar Duitsland.  Toen we naar de trein geleid werden, bonden ze ons aan mekaar vast.  Buiten stonden heel wat vrouwen de Duitsers uit te schelden.  De reis naar Berlijn duurde vier volle dagen, zonder eten of drinken.  Zeker veertig man tegen mekaar geleund of gehurkt in een wagon.  De luxe van stro op de vloer was er zelfs niet.  De trein stond meer stil dan dat hij reed, want geregeld waren er de bombardementen van de Geallieerden.  Heel gevaarlijke situaties!  In iedere wagon stond een Duitse wachter met een geweer.  In de hoek van de wagon stond een emmer om onze behoeften te doen. 

Toch hadden we nog enigszins geluk, want vanuit de Begijnenstraat hadden we een pakket meegekregen van het Belgische Rode Kruis: wat harde `moppen' (koeken), wat peperkoek en een pakje Vlaanderse `toebak' (tabak) in een blauw papier.  Ooit heb in Duitsland nog van die tabak aangekregen.  Dat was daar geld waard!  Ge kondt daar alles voor krijgen, behalve eten!  Dat was er niet meer voor Ausländer (buitenlanders).

Het doorgangskamp in Wilhelmshagen


Kamppas in kamp nr. 70


Legitimatiebewijs doorgangskamp Wilhemshagen


Bij de aankomst in Wilhelmshagen (Berlijn) kregen we in het Durchgangslager (doorgangskamp) allemaal een voorlopige `pas' (identiteitskaart), een kaartje met foto, beroep en nummer.  Ik had nummer 1498.  Daar vroegen ze ons ook om te tekenen dat we vrijwillig waren komen werken.  In dat geval konden we ergens privaat gaan werken.  De eerste die aan de beurt kwam, was Swat Van Doninck uit Brasschaat.  Hij tekende en mocht daar `op-den-bureau' gaan zitten.  Na de oorlog is Swat vele jaren vanuit Brasschaat met de velo bij ons in Retie een `goeiendag' komen zeggen.  Ik was de tweede om binnen te gaan in het bureau om te gaan tekenen.  `Ha, Fleischer' (slager), las de Duitser op mijn voorlopige `pas'.  `Gij kunt hier in de slagerij gaan werken als ge tekent.'  `Ik teken niet', antwoordde ik.  `Nein', zei hij kwaad.  `Heraus!', riep hij, en ik kreeg nog `ne shot' mee.  `Hoe is het daarbinnen, hebt gij getekend?' vroegen mijn kameraden.  Ik antwoordde: `Dat valt daar niet mee, maar ik teken voor niks, anders had ik vroeger ook wel als vrijwilliger naar Duitsland kunnen gaan werken.  Door niet te tekenen was ik zogezegd een opstandeling.  En we moesten niet te veel verkeerd zeggen of doen of we vlogen naar het concentratiekamp Oranienburg boven Berlijn.  Het kamp waar we toen zaten, was een doorgangskamp naar dat concentratiekamp.  Het was omgeven door dubbele prikkeldraad waarlangs bewakers patrouilleerden met grote honden.  Er waren ook uitkijktorens van waaruit bewakers met sterke `faren' (schijnwerpers) alles in de gaten hielden.  Daar is een van de onzen neergeschoten toen hij 's avonds naar buiten ging om te plassen. 

Na een paar dagen kwam onze Duitse toekomstige werkgever, ene Krenz van een houtzagerij in Berlin-Altglienicke in het Grünenwald, een woud bij Berlijn, 120 man ophalen.  Dat moet 13 of 14 maart 1944 geweest zijn.  Bij die man thuis kregen we een echte Duitse pas.  Onze Belgische pas hadden we vroeger al moeten afgeven.  Berlijn werd toen dag en nacht gebombardeerd door de Geallieerden.  Het hout dat in de bomtrechters lag, moesten we opruimen.  Het hout diende als `gasoxygènehout' om de vrachtwagens mee te stoken.  Buiten aan de vrachtwagens hing een waterketel met een uitlaatpijp die gestookt werd met hout.  De stoom dreef de motor aan.  Bij de zagerijbaas werden we ondergebracht in houten barakken: 42 man per barak.  Het terrein was afgemaakt met dubbele prikkeldraad.  Om op ons werk te geraken moesten we een uur marcheren, onder bewaking.  De bewakers waren Duitse soldaten die gekwetst waren of om ene of andere reden vrijgesteld waren van militaire dienst.  Toch waren dat ook geen zachte mensen: de oorlog zat erin.  Ze waren tot en met gedrild.  In de bossen, die nogal golvend waren, trokken ossen de boomstammen weg.  Een deel van de tewerkgestelden moest de boomstammen zagen, anderen moesten de vrachtwagens laden en lossen.  Ik heb altijd moeten zagen.  Altijd werkten we buiten, van 's morgens zeven uur tot 's avonds zeven uur, in de winter van `donkeren tot donkeren'.  Nooit mochten we eens gaan zitten om even te rusten.  En dat een ganse dag lang zonder eten.  Alleen om halfacht 's avonds kregen we een liter `soep': water met een koolblad in, en een half pond brood.  Officieel kregen we voor ons werk een vergoeding, maar na aftrek van het `logement' en het `eten' bleef daar omzeggens niets meer van over.  Af en toe kregen we tien mark drinkgeld. 


Bankbiljet van 10 Deutsche Mark

In de barakken stonden beddenbakken, opgestapeld per drie.
We sliepen op planken, want er was geen beddengoed.
Daar hebben we heel veel kou geleden, vooral in de winter.
Ik werkte in een overall die ze thuis hadden opgestuurd.
Die werd nat van het zweet of van de regen of de sneeuw, maar die had niet de kans om op te drogen, want ik sliep er ook in.
In dat woud stonden ook de woningen van de `nazibonzen'.
Daar moesten we soms een karwei opknappen met hout dat niet naar zijn voorziene bestemming gegaan was.
Omdat daar grote vijvers waren, sprongen we daar in de zomer al eens in om eens een bad te kunnen nemen.
Van ratten hebben we nooit last gehad, want die waren allemaal al opgegeten door onze voorgangers.
Wel hadden we last van wandluizen: die zijn 's nachts `bezig'.
Als ge daarop ging liggen in uw slaap, dan stonk dat erg.
Maar ja, als ge honger en miserie hebt, dan let ge daar niet op.

Voorlopige vreemdelingenpas 1944

Af en toe brak er een ziekte uit.  Zo heb daar ooit difterie gehad.  Maar voor zover ik weet, is daar niemand van ons gestorven. 

Alle maanden mochten ze van thuis via het Rode Kruis een brief opsturen.  Ons moeder schreef dan wie na mij nog opgepakt was om te gaan werken in Duitsland.  Iedere maand werd de schrijfbeurt door de Duitsers afgestempeld op een Lagerkarte, een controlekaart voor buitenlandse briefwisseling.  Over de oorlogstoestand in Retie schreef ons moeder niets, wel over ons Jeanne, Jeanne Van Herck, waar ik toen al een paar jaar kennis mee had.  Maar de brieven waren altijd gecensureerd: soms werden bepaalde zinnen gewoon doorstreept.  En uit de pakjes tabak was soms de tabak verdwenen. 


Controlekaart voor de brieven

In de bossen waar we werkten, kwamen ook geregeld vrouwen hout sprokkelen.  We staken die soms een pakje hout toe en in ruil daarvoor gaven zij ons een boterham.  We moesten dat natuurlijk doen als de Duitse bewakers het niet zagen, maar met de Volksturmers die ons later moesten bewaken, ging dat gemakkelijker.  Het waren allemaal oudere mannen. 

Velen onder ons dachten aan ontsnappen, sommigen deden dat ook en zijn thuisgeraakt.  Ikzelf heb toen een lederen `frak' (jas) en broek van onze Gène verkocht aan Polen die in een volgend kamp in Schöneweide lagen.  Ik had op de duur 1.500 Mark en daar had ik een treinbewaker mee omgekocht.  Dat waren ook mannen van de Todtorganisatie die aan de spoorwegen werkten en meestal al bejaard waren, de zogenaamde Volksturmers.  De jonge Duitsers zaten allemaal aan het front.  Aan het Russisch front had men heel veel soldaten nodig omdat er daar zoveel sneuvelden.  Die Volksturmers waren redelijk om mee om te gaan.  Wanneer ze goede berichten van het front kregen, waren ze goed gezind, maar wanneer ze daarentegen slecht nieuws doorkregen, waren ze opeens heel wat strenger.  Om te ontsnappen kon men zich verschuilen op het onderstel van de trein, nadat daar de houten bakken weggenomen waren.  Die treinen reden tot een halte voor Amsterdam.  Twee van onze mannen waren op die manier al ontsnapt.  Maar dat was wel heel gevaarlijk: zowel degenen die omgekocht waren als de ontsnapten werden doodgeschoten.  En toch bleef men dat ondanks alles riskeren, want de weggevoerden konden niet zoals de vrijwillig tewerkgestelden om de zes maanden met verlof naar huis. 

De winter van 1944-1945 was heel streng.  Ge hadt geen winterkleren en in de barak mocht ge maar alleen vuur maken in een klein `duvelke', want er mocht geen licht naar buiten schijnen om niet de vliegtuigen van de Geallieerden de weg te wijzen.  Nu ik heb 's nachts genoeg bombardementen gezien waarbij men eerst lichtpijlen afschoot waardoor het zo licht werd als overdag.  Men wist dan heel goed waar men de bommen moest lossen.  Daardoor was bommen lossen nog maar een `kinderspel' op het einde van de oorlog.  Daarbij kwam nog dat er bijna geen Duits afweergeschut meer was en ook geen Duitse jachtvliegtuigen.  Het Duitse oorlogsmateriaal was op.  En toch wilde Hitler van geen opgeven weten! 

Na een maand of zes, het ging naar 1945 toe, wisten de Duitsers dat de oorlog aan 't `schuiven' was, dat ze de oorlog verloren hadden, maar ze bogen nog niet.  Vanaf toen waren we meer aan ons lot overgelaten.  Er waren dagen dat er geen `soep' was, kortom dat er niks was.  We moesten dan ons plan maar trekken en zoveel netels en blaren van de bomen eten `als het maar ging'.  Ik herinner me nog de woorden van de Oberförster (houtvester), die verantwoordelijk was voor de houtproductie in het woud waar wij werkten: `Gij zult nog de schors van de bomen eten vooraleer de Krieg (oorlog) voorbij is en wij ook!'  Hij kreeg gelijk. 


Of wij nieuws over de toestand aan het oorlogsfront vernamen?  Wel, dat is raar, maar wij waren daarvan op de hoogte, want de Duitse bewakers spraken daar onder mekaar over en wij hoorden dat.  De mannen die met de vrachtwagens de bomen naar de zagerij brachten, hadden altijd het laatste nieuws bij.  De Duitsers beluisterden natuurlijk ook de radio-uitzendingen.  In het geheel ben ik zowat anderhalf jaar gedwongen tewerkgesteld geweest.  Ik ben opgepakt op 7 maart 1944 en weer thuisgekomen op 4 juni 1945.  De laatste dagen van onze gevangenschap kwamen er Duitse nazi-officieren in het kamp aan.  De Russen waren Berlijn al aan 't innemen.  Die Duitse officieren bevolen ons de lijken van de dode Duitsers uit de huizen te halen en ze tegen de weg te leggen; degenen die nog leefden, de gekwetsten, moesten we tegen de huizen leggen.  De doden werden opgehaald met vrachtwagens, stootkarren en alles wat maar wielen had.  Drie dagen lang hebben we dat werk gedaan.  We moesten wel, want er stond constant een Duitse soldaat met de revolver in de hand.  Ondertussen schoten de kanonnen boven onze hoofden naar de vijand.  Omwille van het hels lawaai stopten we onze oren af.  Ondertussen passeerden ons legerwagens met soldaten behangen met kogels en ander oorlogstuig.  Die mannen schreiden als kinderen, want ze wisten dat ze niet meer zouden terugkomen.  Maar ze moesten wel, want degenen die niet in de wagen stapten, werden ter plaatse doodgeschoten. 

De vierde dag is er een obus op ons kamp terechtgekomen.  De onderofficier die ons moest bewaken, viel dood neer.  Hij had een schrapnel door zijn lijf gekregen.  De dingen die hij bij zich had, konden wij goed gebruiken: zo zou zijn mes, een dolk, mij later op de vlucht goed van pas komen.  Toen zijn we gaan lopen tot aan een bunker vlakbij een stukgeschoten villa bij een groot water: 25 april 1945.  We waren met zijn zessen: twee Fransen, twee Brusselaars, een Vlaanderaar en ik.  Vier dagen hebben we ons daar verscholen.  Op het eind zijn we nog eens beschoten door de Russen, onze bevrijders.  De kogels kletsten over het water, op handen en voeten zijn we weer naar de bunker gekropen.  Diezelfde Russen zijn ons 's anderendaags uit de bunker komen halen.  De eersten die we zagen, waren allemaal jonge mannen.  Ze waren zo zat als een kanon, allen hadden een fles vodka bij.  Ze zetten de revolver op onze borst.  `Französen', riepen we.  Ze zochten alleen maar naar goud: ringen, horloges.  Maar dat hadden wij juist niet, wij hadden alleen maar honger.  Dan mochten we meedrinken van hun vodka.  Dat viel niet mee na anderhalf jaar van uithongering.  Ik was 17 kilogram afgevallen.  's Anderendaags kwamen er bezettingstroepen, allemaal Mongolen, gele mannen met een snor.  Ze hadden een paard bij en dat schoten ze voor onze voeten dood.  Ze bezorgden ons ook schoenen, want van de onze bleef na anderhalf jaar werk niet veel meer over.  Het paard hebben we in stukken gekapt met een bijl en ander kapgerief dat we daar vonden en het vlees hebben we gekookt.  De Russen zeiden ons dat er wat verderop een trein stond met eetwaren.  Inderdaad, daar stonden nog dozen met macaroni.  We hebben de macaroni verwerkt met het gekookte vlees tot vleesbollen.  Nadien heb ik drie dagen lang de `rappen' (diarree) gehad van dat paardenvlees.  We waren te lang zonder eten geweest.  Wat hebben we toen afgezien!  Veertien dagen zijn we met die Russen opgetrokken.  Dan kwam er een Russische officier die wat Frans kende.  Ik vroeg hem wat we verder moesten doen.  Hij antwoordde dat we maar best te voet naar huis gingen, want dat we anders over een half jaar in Siberië zouden zitten, want daar hadden ze nog heel veel volk nodig.  Hij zei dat vlakaf.  Stalin was al even erg als Hitler. 

Toen zijn we richting Maagdenburg getrokken met een stootkar waarop we de vleesbollen hadden geladen.  We wisten maar al te goed dat we onderweg moesten eten.  Maar bij Maagdenburg stroomt de Elbe en die is daar heel breed, te breed om erover te zwemmen.  We zijn dan `afgezakt' langs de oever in de hoop een brug te vinden of een plaats waar de Elbe minder breed was.  Na twee dagen kwamen we weer Russen tegen en we zeiden dat we aan de overkant wilden geraken.  Op die plaats was de Elbe echter heel woelig, al zo erg als de Rijn.  Alleen echte atleten kunnen daar al zwemmend de overkant bereiken.  Toen hebben de Russen ons meegenomen in een vrachtwagen en weer naar Maagdenburg gebracht.  We kregen van hen zelfs wat Duits en Russisch geld mee.  Ze zetten ons af in een vlakte, een wei, waar miljoenen westerlingen aan de ene kant van de Elbe en miljoenen oosterlingen aan de andere kant zaten.  Per honderd man mochten we daar oversteken op een pontbrug: een brug gemaakt met aaneengebonden reddingsbootjes.  Die `overzetbrug' kwakkelde geweldig en er zijn dan ook mensen afgevallen en verdronken.  Er werden telkens honderd westerlingen tegen honderd oosterlingen geruild.  Aan de ene kant van de Elbe waren de Russen de baas, aan de andere kant de Amerikanen.  Aangekomen bij de Amerikanen, werden we direct ontluisd.  Met kleren en al aan werden we in een zaal bespoten met een ontsmettingsmiddel.  't Was precies of er mist hing in die zaal.  Jeuk en luizenbeten waren we zo gewoon geraakt dat we daar niet meer op letten.  Na de ontluizing kregen we eten van de Amerikanen: corned beaf, droge koeken en brood.  En of dat dat smaakte! 

Per trein zijn we toen in Jambes bij Namen geraakt.  Daar werden we gerepatrieerd: we kregen weer een Belgische `pas'.  We hoorden ook zeggen dat er geen geld meer was en toch kregen we ieder duizend frank.  We kregen er ook lekker eten en we mochten er een nacht uitslapen.  Dat was begin juli 1945.  Dan werden we op de trein gezet naar Brussel, van daaruit zijn we met een vrachtwagen naar Antwerpen gereden.  In Antwerpen ben ik bij tante Trees, een zuster van ons moeder, gaan slapen.  's Anderendaags ging de telefoon.  Tante Trees had ze thuis waarschijnlijk al verwittigd.  Met de gele tram ben ik naar Turnhout gereden en daar stonden Gène Cools, zoon van Cools uit De Valk, en ons Jeanne, waarmee ik later getrouwd ben, me op te wachten.  Zij is ook ooit opgeëist geweest door de Duitsers.  Dat heeft vader Van Herck, schrijnwerker Vic van Krèppen, me later verteld.  Maar omdat er Duitse soldaten bij hem gelegerd waren, is dat niet doorgegaan.  Vader Van Herck zei daar nog bij: `Als ze had moeten gaan, dan was ze ook ondergedoken.'  Zijn zoon Staf was al soldaat en Juul was voortvluchtig.  Vader Van Herck had in de Eerste Wereldoorlog vier jaar aan de IJzer gelegen en was na die verschrikkelijke oorlog ook nog een jaar soldaat geweest in bezet Duitsland! 

Gène (Eugeen) Cools haalde me op met een heel schone auto: een open `luxe-voiture' met rode lederen zetels.  Wij hebben toen niet veel gezegd, zeker Gène niet, want die was al niet zo spraakzaam.  De emotie was te groot, denk ik.  Aan de Oude Wissel, nu het Jozef De Voghtplein, stond er heel wat volk ons op te wachten.  Ook ons vader en ons moeder, vader en moeder Van Herck.  Ons Jeanne en ik kregen een boeket bloemen die ergens uit een tuin kwam.  Ik voelde me halvelings een beetje verloren tussen die lachende mensen, want ik was zo lang van huis geweest en had zoveel miserie meegemaakt.  Zo'n thuiskomst doet raar aan.  Gène Cools heeft me dan naar huis gebracht.  Daar stonden ook heel wat mensen me op te wachten.  Om me te verwelkomen had ons moeder wafels gebakken en ons vader had een paar vaten bier gereed gelegd tegen dat ik naar huis zou komen.  Het `kot' was vol volk: buren, mensen die veel bij ons thuis kwamen, boeren waar ons vader geregeld kwam en dan alle Van Hercken: die zijn die dag `vergeten' te werken.  Iedereen wist al een dag van te voren dat ik op komst was.  Dat was natuurlijk verder verteld.  Iedereen mocht gratis bier drinken.  Heel plezant natuurlijk.  Ikzelf hing er wat afwezig tussen. 

Bevrijdingsstoeten heb ik niet meegemaakt, want die waren al lang achter de rug.  Ik geloof dat ik een keer opgestapt ben in de groep van de krijgsgevangenen in de inhalingsstoet van burgemeester Graulus in 1947. 

Eén weggevoerde van Retie was toen nog niet terug uit Duitsland: Marten Smets, Mètten van de Schèper.  Hij woonde in het Hemelrijk, tussen Werbeek en Brasel.  Hij zat in een kamp in de omgeving van Leipzig en hij zou bij zijn bevrijding te lang getalmd hebben om te vertrekken.  Daarom was hij door de Russen eerst nog naar Rusland gestuurd. 

Daags na mijn thuiskomst ben ik al met de velo naar het slachthuis van Turnhout gereden.  Modest Goetelen, beenhouwer Deisje, had me al laten weten dat ik direct kon beginnen in Turnhout.  De week nadien ben ik daar weer gaan werken als beenhouwer.  Een maand na datum kwamen de `gendarmen' al zeggen dat ik weer soldaat moest worden.  De oorlog was gedaan en toch moest ik weer in dienst.  Ik werd chefkok omdat ik beenhouwer was.  Ik kreeg nog twee bakkers bij in de keuken: ene van Wilrijk en ene van Antwerpen. 

Die legerdienst heb ik niet in bezet Duitsland maar in België gedaan.  Al degenen die in gevangenschap in Duitsland hadden gezeten, werden niet naar Duitsland gestuurd.  Misschien waren ze bang dat we daar baldadigheden zouden hebben uitgehaald.  Ik droeg geen haat tegen de gewone Duitse mensen, maar er bleef toch altijd een zekere wrevel hangen. 

Na de oorlog is er door Vic Schepens, Fons Feyen, Carlo Van den Bergh en ikzelf een vereniging gesticht in Retie van werkweigeraars en gedeporteerden.  Jaarlijks hielden we een teerfeest met daarna een bal in zaal Den Eik bij Van Reusel in de Sint-Martinusstraat.  Geregeld deden we ook uitstappen naar o.a. Monschau in de Eifel.  Met de winst van de bals kochten we in de jaren 1950 een vlag aan voor 5.800 frank.  De vlag wordt thans door mij bewaard. 

Later ben ik overgestapt naar de vereniging van werkweigeraars en gedeporteerden van Arendonk, afhankelijk van Turnhout, omdat die officieel erkend was door het Nationaal Verbond der Weggevoerden en Werkweigeraars.  De toenmalige voorzitter was Jean Van Gorp van het Schotelven, medeoprichter van de firma Ravago in Arendonk. 

Als vergoeding voor mijn gevangenschap trek ik momenteel om de drie maanden een rente van 157 euro.  Die uitbetaling is al begonnen begin de jaren 1950.  De rente komt uit de kas van het ministerie van Volksgezondheid en Gezin - Rente voor Werkweigeraars en Gedeporteerden van de oorlog 1940-1945.  Maar uiteindelijk is de schade van die oorlogsperiode niet te herstellen, want een deel van mijn jeugd is toch maar verloren gegaan.


Walter Raeymaekers