Frontbrieven - Jan Gevers

Soldaat Jan Gevers schrijft...

Op 4 augustus 1915, dag op dag een jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, schrijft soldaat Jan Gevers een opmerkelijke brief over het leed, het kleine en het grote, dat een eenvoudig soldaat in de loopgraven kan overkomen.
De brief is gericht aan zijn zuster Trees, die in Engeland verblijft als dienstmeid bij een Vlaamse familie die gevlucht is.
Hij beŽindigt zijn schrijven met de complimenten aan mijnheer en madam en kinderen en meisjes.
De eerste paragraaf handelt over zijn gezondheidstoestand.
Die is op dat moment niet schitterend.
Hij heeft twee dagen diarree gehad, zoals veel van zijn lotgenoten, geeft hij aan.
Vanochtend heeft hij zich laten onderzoeken.
Zijn koorts is gemeten en hij heeft een medicijn gekregen, maar - typisch wellicht voor de mentaliteit van de Kempische boerenzoon - in plaats van het in te nemen ging ik een kermenaai halen en die braden, dat was de beste medicijn, dacht ik.
Een goed stuk vlees zou het probleem wel oplossen!


En dan komt het treurigste nieuws: mijn kameraad Blockx van Balen is verleden donderdagavond op de voorposten gevallen.
Wij waren zoiets van een uur daar.
Hij was bij mij maar hij moest dan een kommissie gaan doen.
Ik wilde nog gaan in zijn plaats omdat hij juist aan het werken was aan een plaats waar we met tweeŽn in konden kruipen.
En hij zei nog tegen mij: werkt gij nu maar wat voort.
Ik deed dat en gelijk hij juist weg was, vielen er twee kort bij mij, zo'n meter of 8 van mij af en een die viel enige meters verder.
En van die was hij geraakt.
Ik hoorde op den duur dat er iets was daar ende sergeant zegde tegen mij dat hij gekwetst was maar gelijk hij zag dat ik door ging om te zien, zegde hij dat hij dood was.
Dat is mij hard gevallen.
Om te benadrukken dat hij een echte vriend verloor, vertelt Jan dat Blockx hem kort tevoren nog gezegd had dat Jan in zijn plaats op congť zou mogen gaan als hij geen verlof kreeg, en wel in het huis waar hij zo goed behandeld was: daar had hij alles gekregen wat hij wou, een meisje had hem voor een bedrag van 70 frank goederen gekocht en toen hij terug naar het front vertrok had hij nog eens 50 frank gekregen.

Het verdere slechte nieuws is dat Jan geld verloren is.
Ik heb het de laatste keer nog niet durven schrijven, een maleur komt nooit alleen, vertrouwt hij zijn zuster toe.
Jan heeft een portefeuille met 35 frank erin kwijtgespeeld.
Hij had een idee waar het gebeurd kan zijn en heeft navraag gedaan, maar vergeefs.
Hij heeft nu nog 10 frank die hij in zijn zak bewaarde.
Ze zullen me nu zo gemakkelijk niet meer hebben, ik ben nog maar ťťn mes verloren van zo lang als het oorlog is, het is al een jaar nu, schrijft Jan, maar het geld is wel belangrijk voor hem want anders was er nog een stuk spek aan, en nu niet.
Het spijt hem vooral dat hij de 20 frank kwijt is van de Dams en meisjes, terwijl hij maar 10 centiemen kosten had gehad van de paardentram in Lapan (De Panne, waar hij met verlof is geweest).

Op zaterdag 17 juni 1916, schrijft Jan Gevers een andere opmerkelijke brief aan zijn zuster Trees in Engeland.
Hij is gewond geraakt: ik kan niet goed schrijven want pitjepruis heeft nen bal door mijnen rechterarm geblazen.
Het is gebeurd op donderdag 15 juni om twee uur in de namiddag.
Ik heb geluk dat ik nog leef, schrijft Jan, de kogel heeft hem langs achter getroffen.
Den bal kwam door de zakken gevlogen.
Hij heeft hem getroffen ter hoogte van de plaats waar ze de pokken zetten maar hij heeft het been niet geraakt: hij heeft de arm langs de binnenkant doorboord.
Ze hebben er gisteren een darmpje in gestoken en nu drupt daar water in, om te beletten dat het vuur erin komt.

Jan geeft ook aan in welke gevaarlijke situatie er wacht dient gelopen: ik zat over den IJzer op de boort en den Duitsch zat daar maar een 75 meters ten hoogste van ons af en niets ertussen als wat ijzerdraad deen ze er voorgeworpen hebben.
Ik heb verschillige ballen horen fluiten die hij schoot en dat ze in de transjee vliegen van hem, echt waar, zoo zit dat daar dooreen.
Jan lijkt hier aan te geven dat kogels van de vijand soms in diens eigen rangen terechtkomen.
Ge kunt niet geloven hoe het er uit ziet daar aan die posten, merkt hij op.

Graag had hij met zijn linkerarm nog teruggeschoten naar zijn belager, dan had hij de smeerlap misschien nog kunnen treffen, meent hij.
Toen hij zijn kapotjas uittrok werd hij nog niet direct iets gewaar, hoewel het bloed al van zijn hand liep maar het bloeden stopte snel toen hij verbonden was.
Zoals gebruikelijk kon hij pas laat geŽvacueerd worden uit de gevaarlijke zone: ik was nog moeten blijven zitten tot 's avonds halftien.

Jan is nu een beetje ziek.
Hij heeft in de morgen 'Engels zout' moeten nemen, magnesiumsulfaat (dat vaak omwille van de laxerende werking toegepast wordt).
Maar hij heeft een goed bed en wordt verzorgd door goede zusters, zegt hij.
Hij verwijst ook nog naar een dorpsgenoot in het hospitaal, deen broeder van De Foer(Ųu Four?) zijn eerste Madam.
Die is een been kwijt.
Jan verwacht dat zijn wonde op een dag of tien wel zal genezen zijn, maar ik zal daar seffens nog niet aan het front zijn.
Hij heeft trouwens gehoord dat het er binnenkort stevig zal tegen zitten aan het front.

Jan heeft de brief in potlood geschreven: ik kan wel met inkt schrijven, maar het soppen is het ergste.

Hij rondt zijn brief af met: de complimenten aan allen, ik rijk de hand aan van over de zee, de groeten van uwen broeder Jan Gevers, Hopital Ocean, Salie Theodor, Nį 638, Lapanne, BelgiŽ.