Even voorstellen...Omer Melis

Omer Melis


Omer Melis verwijlt in vroegere tijden...

Een retro sprongetje naar het jaar 1962.
Zes dagen in de week, elke ochtend: wachten aan bushalte De Klok, schuin over het winkeltje van ‘Zjowanneke’.
Wachten op de bus die ons naar Mol zal brengen, naar onze school in de Jakob Smitslaan.
En elke ochtend, vlakbij de bushalte, rijdt schilder/decorateur Omer zijn autootje achterwaarts de garage annex opslagplaats uit.
Hij controleert of de ladders stevig vastliggen op de porte-bagage van de auto, laadt grote potten verf en allerlei spullen in de kofferruimte.
Het aroma van zijn vers opgestoken sigaret kringelt onze kant op en bereikt onze neuzen.
Voor hij vertrekt nog een kwinkslag en Omer verdwijnt uit beeld.
Het was een vast ochtendritueel.

Nu, ruim een halve eeuw later, zit ik tegenover hem in zijn gezellige woonkamer in de Boesdijkhofstraat.
Hij wordt in april 85 jaar.
Ook in diezelfde maand zal Omer, samen met zijn nog altijd ravissante echtgenote Maria, de diamanten bruiloft vieren.

En ik wil met liefde en plezier Omer omschrijven als een warmhartige, aimabele man, die het goed lijden kan dat de zon voor iedereen in ’t water schijnt.

Bovendien is hij een fijne verteller en beschikt hij over een onuitputtelijke baaierd van herinneringen.
Soms bekruipt hem de twijfel en de kommernis omtrent de juistheid van zijn verhalen.
De tijdspanne van ver vervlogen jaren legt soms een mistige sluier over het verleden.
Wie zal hem dat ten kwade duiden?

Voor de Zeven Netenlezers vertelt Omer over zijn kinder- en jeugdjaren, over beklijvende oorlogsgebeurtenissen en nog wat faits divers uit zijn jonge leven.


Ik ben in Retie geboren, in de Peperstraat, op 14 april 1928.
Drie jaar heb ik er gewoond, in het kleine huisje naast inspecteur Sneyers.
Ik geloof dat dat huisje een tweewoonst was en de onderste dakrand was zo laag dat een volwassen mens makkelijk met de hand aan de dakgoot kon.
Ons moeder hield er een snoepwinkeltje.
Men heeft me later dikwijls verteld dat Maria Sneyers, met de kinderwagen waarin ik lag, mocht gaan wandelen in de Peperstraat.
Ons vader, Karel Melis, was twee keer getrouwd.
Zijn eerste vrouw was Marie Van Rengen.
Zij hadden twee kinderen: Ursula en Victor.
Na het overlijden van Marie trouwde onze va met Germaine Verheyen.
Zij kregen samen nog drie kinderen: Suzanna, mij en Aloïs.

8*. We zijn dan verhuisd naar de Turnhoutsebaan (toen nog Metsen) nr. 5, schuin over het café De Klok.
Mijn ouders hielden zelf ook een korte tijd café maar nog voor de eerste mobilisatie – eind september tot begin oktober in 1938 – stopten zij daarmee.
Tijdens de tweede mobilisatie in 1939 hadden onderofficieren van het Belgische leger bij ons hun ‘mess’ ingericht.
Zij gebruikten er hun maaltijden en verdeden er een beetje hun overschot aan tijd.


De Peperstraat in de jaren 1920.
Het kleine huisje rechts is het geboortehuis van Omer.



De kinderen Melis: Vic, Ursula, Suzanne, Omer en Louis.
Een foto uit 1945.

Als kind ben ik nog lang een ‘Peperstrater’ gebleven.
De Peperstraat was vlakbij en met Rie Aarts, Marcel Spooren, Soit Goetelen en zoveel anderen was het er zalig ravotten.

Van mijn kleutertijd herinner ik me niet bijster veel.
Ik heb bij zuster Gerarda gezeten, een strenge non die mij nogal eens deed belanden in het fameuze ‘rattenkot’.
Bij juffrouw Julia Van Woensel zijn er niet zo veel erge dingen gebeurd, denk ik.
Er schiet me toch zo gauw niets te binnen.

In de gemeenteschool volgde ik zeven jaren lager onderwijs.
Door de opeising van de klaslokalen door het Duitse leger zijn we met enkele klassen uitgeweken naar het gemeentehuis.
Ik zat toen bij meester Elsemans.
Of meester Elsemans ook moest onderduiken voor de Duitsers…?
Ik weet het niet meer, maar we kregen plots zijn zuster als juffrouw in onze klas.

Bij meester Oostvogels heb ik een zalige tijd gekend.
Hij was zo’n goedhartige mens.
Eigenlijk te goed om kattenkwaad bij uit te halen.
Dat deden we dan ook zo min mogelijk.

Meester Oostvogels had mijn tekentalent opgemerkt.
En omdat ik op de laatste bank zat, mocht ik die tijdens sommige lessen gewoon omdraaien om een van de talrijke prenten die tegen de achterwand hingen, af te kunnen tekenen.
Kwam daar nog bij dat ik vlak naast de stoof zat en dat was lekker warm in de winter.
Ik herinner mij ook nog dat in de winter de school soms werd gesloten bij gebrek aan kolen.


Een schoolfoto van Omer in het eerste leerjaar.


Een klasfoto bij meester Oostvogels in 1941.
Het witte pijltje wijst Omer aan. Naast hem zit zijn kameraad Rie Aarts.


Nog voor ik veertien werd, mocht ik de schilderstiel gaan leren bij nonkel Aloïs Verheyen.
Hij was een broer van ons moeder en woonde toen nog in de Molenstraat (nu café Folia).
Ik was daar kind aan huis.
Nonkel Aloïs en tante Lisa Hoskens bleven kinderloos en ik werd er zowat als hun zoon beschouwd.
Nonkel was een bekwaam vakman.
Hij had een opleiding gevolgd aan het Alfred Van der Keleninstituut in Brussel.
Dat instituut gold toen (en ook nu nog) als het summum wat betreft decoratieschilderen, hout- en marmerimitatieschilderen en andere verftechnieken.
Nonkel Aloïs schilderde ook prachtige landschappen op doek.
Jammer genoeg heb ik niets van hem bewaard.

In die jaren verhuisde hij met zijn schilderszaak naar Markt 13 (nu KBC-bank) en hield er een schilderswinkel open.

Helaas, het was toen volop oorlog en we kregen steeds minder werk.
Het was heel moeilijk om aan goede verf te geraken.
Ik kon dan maar beter bij nonkel Stan Melis gaan werken.
Nonkel Stan was een broer van ons vader en had een bakkerij op de hoek Markt-Groenstraat.
Daar was altijd werk.
Ik moest met een fiets, voorzien van een reusachtige mand aan het stuur, de broden gaan leveren bij de klanten.
Op het einde van de oorlog eisten Duitse soldaten mijn fiets op toen ik op toer was in Obroek.
Toch kon ik nog bij nonkel Stan blijven werken tot na de oorlog.

Nog tijdens de oorlog, in 1943, en flink aangemoedigd door nonkel Aloïs Verheyen, werd ik coureur!
Eerst behoorlijk trainen, daarna koersen voor de prijzen.
Nonkel Aloïs geloofde erin.
Ik iets minder.
Toch ging het me niet slecht af.
Ik kocht een tweedehands koersfiets bij Miel Raeymaekers op de Markt.
Ook de tubes kocht ik tweedehands.
Tijdens de oorlog geraakte je omzeggens niet aan degelijk materiaal.

Ik trainde vaak met Leon Ooms van Brug 2 en Sus Spooren van de Brand.
Dat waren serieuze kleppers en ik heb dikwijls afgezien met die twee.
In 1944 reed ik ook koerswedstrijden maar ik heb dat maar twee jaar volgehouden.
Eén koers heb ik kunnen winnen!
De Grote Prijs van Obroek!
Al gebiedt de eerlijkheid me te vertellen dat ik die overwinning te danken had aan het feit dat Nest Cools (Nest van Pier Hoed) me de overwinning gunde.
Wij waren samen voorop in de laatste ronde en we spraken af dat ik de koers mocht winnen als Nest het prijzengeld kreeg.
Ik had nooit tegen Nest kunnen winnen.
Hij was een veel betere coureur dan ik.
En zo smaakte die overwinning toch een beetje bitter.

Na de oorlog was het voor mij afgelopen met koersen en trok ik mee met nonkel Aloïs Verheyen naar Borgerhout.
Er was in Antwerpen werk in overvloed.
Ze waren daar volop aan de wederopbouw van de geleden oorlogsschade bezig en ze konden daarbij veel stielmannen gebruiken.
Negen jaar heb ik bij nonkel Aloïs gewerkt: zes jaar bij hem in de kost en enkel met de weekends thuis.
Ik heb toen in Antwerpen ook tekenles gevolgd aan een avondschool.
Samen met een groepje hobbyisten kreeg ik er modeltekenen, lettertekenen, technisch tekenen enz.
Ik heb er veel geleerd.
Dan ben ik nog drie jaar elke dag op en af naar Antwerpen gereden.
Met de gele tram naar Turnhout en met tram 41 naar Antwerpen.
Als het weer het toeliet, reed ik met de koersfiets.

Nu ik het toch al een beetje over de oorlog heb gehad, zou ik misschien best wat vertellen over het begin van die hachelijke tijd.

Er waren toen dikwijls gevaarlijke momenten, niet alleen voor onze soldaten maar ook voor de burgers.
Het gevaar kwam vooral uit de lucht.
Constant patrouilleerden laagvliegende Duitse vliegers boven de baan Turnhout-Mol, op zoek naar de vijand.

Een gehandtekende foto van Omer Melis voor de fans.



Omer op zijn bakkersfiets op de Turnhoutsebaan in 1943.
Op de achtergrond: het huis van Lien Breugelmans.

Een Belgische soldaat die te laat dekking zocht in de schuurpoort van veearts Van Loon, werd genadeloos doodgeschoten.
Zijn kompaan had meer geluk.
Hij sprong vliegensvlug bij ons naar binnen en bleef ongedeerd.
Op de Berg bombardeerden Stuka’s (Duitse duikbommenwerpers) een Belgische munitiewagen, die daardoor met een geweldige knal explodeerde.
Ook enkele nabijgelegen gebouwen liepen schade op.

Om aan de Duitse gruwel te ontsnappen zijn wij met het hele gezin, uitgezonderd onze Vic, gaan vluchten.
Onze Vic was al opgeroepen voor het Belgische leger.
We trokken er met de fiets vandoor en ik moest achteraan bij ons Ursula op de bagagedrager gaan zitten.
Gepakt en gezakt en met drie hespen voor onderweg, zo verlieten we ons huis.
De twee jonge varkens, ocharme, lieten we achter.
Gelukkig, het dappere Zjowanneke Breugelmans zou niet gaan vluchten en beloofde om de beestjes te verzorgen.
Later wist Zjowanneke ons te vertellen dat zij door de Duitsers verplicht werd om de varkens, zolang dat nodig was, goed te blijven voederen.

De eerste nacht sliepen we op een boerderij in Beverdonk.
De tweede nacht in een schuur op de Hoeven.
Dan toch maar de grote vlucht aangevat en vooral: zo snel mogelijk achter het Albertkanaal geraken.
Daar wilde men de Duitse opmars tot staan brengen.


We trokken verder en belandden in Moeskroen.
Daar staken we de Franse grens over.
Er heerste een drukte van jewelste!
Duizenden vluchtelingen trokken naar Frankrijk!
We moesten dikwijls plaatsmaken voor vluchtende soldaten van het Engelse en Belgische leger.
Zij trokken ook naar Frankrijk.
Waar we niet op gerekend hadden: de Duitse opmars verliep zo snel dat zij nog eerder in Frankrijk waren dan wij!
In een dorpje niet ver van de grens vonden we onderdak in een leegstaande woning.
Drie weken zijn we er gebleven en dan besloot ons vader om toch maar terug te keren.
Dat bleek aan de grens moeilijker dan verwacht.
Er moest een hele papierwinkel worden ingevuld, maar uiteindelijk kwam alles in orde en konden we naar huis.
In Antwerpen wist men ons te vertellen dat heel Retie plat lag!
Als ontgoochelend nieuws kon dat tellen!
Toch gingen we de weg verder, de weg naar Retie.
We kwamen nog een groepje Belgische krijgsgevangenen tegen die door Duitse soldaten werden weggevoerd en Staf Crols (Staf van Biljerjen) was daarbij.

Bij onze thuiskomst toch een geweldige meevaller: Retie was nog helemaal intact én onze varkens leefden nog!
Maar in ons huis was het een vreselijke bende.
Overal lag vuil stro en rommel van de Duitsers.
Het was er zó’n smeerboel dat we bij Jacques Spooren in de Peperstraat zijn gaan overnachten.

Aanvankelijk viel de bezetting nog mee, maar gaandeweg nepen de Duitsers de prang dicht met strenge verordeningen en opeisingen.
Er braken moeilijke tijden aan.
Voor veel mensen bracht het smokkelen een uitweg.
Ons moe en ik hebben daar ook aan meegedaan.

Drie schilders in een gerenoveerd appartement in Antwerpen:
Omer Melis, nonkel Aloïs Verheyen en een Claes uit Scherpenheuvel.
Die laatste was een neef van de bekende Vlaamse schrijver Ernest Claes.
Een foto uit 1945.


Een achtergebleven pakje tabak uit de oorlogsjaren.
Het werd enkele jaren geleden tijdens verbouwingswerken gevonden onder het plankier van de zolder in het ouderhuis van Omer Melis aan de Turnhoutsebaan.
De hoogte van het pakje is ongeveer 20 cm.
We stopten zakjes graan van tien kilo in een korset onder onze kleren en brachten dat met de tram naar Antwerpen.
De Duitsers hadden dat vlug door en eenmaal per week namen zij onze marchandise in beslag.
Verder lieten ze ons ongemoeid.
In Antwerpen ruilden we het graan tegen tabak uit de Vlaanders.
Samen met Jos Embrechts uit Arendonk ging ik de tabak verkopen in Nederland.
Wij reden ernaartoe op onze koersfietsen en de tabak stopten we in onze rugzakken.
De Hollanders zagen ons graag komen, bij hen heerste een echte tabakschaarste.
Omgekeerd brachten wij vanuit Nederland al eens een wit brood mee.
Dat was bij ons bijna niet te verkrijgen.

Op een keer liep het fout.
Aan de grens van Poppel werden we aangehouden door de Duitsers.
De tabak werd afgenomen maar onze fietsen mochten we houden.
Dat was toch opmerkelijk.
Als straf moesten we, ter plaatse en gedurende een halve dag, houtblokjes kappen voor de gazogènevoorziening, de brandstof voor auto’s tijdens de oorlog.

Zo kropen de oorlogsjaren verder.
Af en toe gebeurden er – ook in Retie – schokkende gebeurtenissen.
Er vielen oorlogsslachtoffers onder de mensen.
Dat werd de Duitsers erg kwalijk genomen en de haat tegen hen wortelde steeds dieper bij de bevolking.


Op 17 september 1944 startten de geallieerden met Operatie Market-Garden.
Met deze actie wilde men Nederland bevrijden van het Duitse juk.
In groten getale vlogen geallieerde vliegtuigen richting Nederland.
Ook boven Retie werd die dag de lucht verduisterd door de zwaar dreunende gevaarten.
We konden duidelijk de laagvliegende toestellen zien die enorme zweefvliegtuigen op sleeptouw namen.
In die zweefvliegtuigen zaten soldaten en oorlogsmateriaal.
Zelfs jeeps werden zo vervoerd.
Helaas was het Duitse leger in onze contreien nog verre van verslagen.
Hun gevreesde luchtafweergeschut draaide nog op volle toeren.
Alleen al in Retie werden op die dag zeven toestellen neergehaald.
Aan de Oude Arendonksebaan maakten twee zweefvliegtuigen een noodlanding.
De Amerikaanse bemanning werd koelbloedig door de Duitsers om het leven gebracht.
Twee van hen werden snel naast de muur van het café van Truyens begraven.
Later werden ze daar terug opgegraven en elders begraven.
Ik heb dat met eigen ogen gezien toen ik er langskwam op mijn bakkerstoer.
Schrijnende beelden, die ik nooit zal vergeten.

Op 22 september 1944 eisten de Duitsers zowat alles op wat nog wielen had.
Er werden ook heel wat paarden opgevorderd.
De Duitsers verzamelden zich op de Markt en die avond en nacht verlieten ze eindelijk voorgoed ons dorp.
Ze trokken in alle haast naar Postel en Arendonk en zo naar Nederland.
Toen ik de dag daarop ’s morgens om 5 uur naar de bakkerij van nonkel Stan ging, lag heel het marktplein nog vol materiaal, geweren, helmen en alles wat overbodig en te zwaar was.
Een gouden zaak voor souvenirjagers.

Op 23 september werden in Mol-Donk twee Engelse soldaten – waarschijnlijk verkenners – opgehaald door enkele Retienaren.
Zij waren de eerste bevrijders die ons dorp binnenkwamen.
De twee Engelse soldaten hadden grote, goedgevulde ransels bij, boordevol etenswaren en lekkernijen en die werden gul uitgedeeld aan de toeschouwers.
Er werd de Engelse soldaten ook verteld dat er in de kelder van een boerderij in Obroek nog een Duitser verstopt zat.
Die werd vrij snel door de twee Tommies uitgeschakeld en als krijgsgevangene naar Arendonk afgevoerd.

Toch was de oorlog nog niet voorbij.
Hitler kon moeilijk aanvaarden dat de haven van Antwerpen in geallieerde handen was gevallen.
In de laatste maanden van 1944 startte hij een zwaar offensief door V1’s en later V2’s op de stad af te vuren.
Deze vergeldingswapens ontketenden een waar inferno en er vielen heel wat dodelijke slachtoffers.
Op 16 december 1944 belandde zo’n V-bom op het bioscoopcomplex ‘Rex’ in Antwerpen.
567 burgers en 296 geallieerde militairen verloren daarbij het leven.

Een V1 hoorde je duidelijk overkomen door zijn sputterend geluid.
Als de brandstoftoevoer stopte, dook de bom naar beneden en volgde de inslaande knal.
Een V2 daarentegen is een raket.
Ze vloog na de lancering tot boven de dampkring richting doel.
Eenmaal het doel bereikt, stortte de raket zich met een duizelingwekkende snelheid naar beneden.
Je kreeg de tijd niet om je in veiligheid te stellen.
De explosie was ook veel krachtiger dan die van een V1-bom.


Als twee ‘jeunes premiers’ poseren Omer en Hein Gijs voor het café van Peer Gijs in de Kerkhofstraat.
Omer en Hein zijn allezeleven boezemvrienden gebleven.
Een foto uit 1945.

Om mijn verhaal met wat vrolijke noten af te sluiten, vertel ik nog dat ik op 9 april 1953 ben getrouwd met Maria Peeters uit Arendonk.
En dat wij samen hard gewerkt hebben en een mooie schilderszaak hebben opgebouwd.
Ik ben ook vrijwillige brandweerman geweest in Retie.
Daarmee kon ik me ten dienste stellen van de gemeenschap en ik heb er fantastische vrienden aan overgehouden.

Hoewel ik in de muziek niet zo’n straffe was, werd ik toch vanaf mijn twaalfde jaar lid van fanfare De Lindegalm.
En ik ben, tot op de dag van vandaag, lid gebleven!

Bij de Retiese Middenstand (NCMV) heb ik met genoegen mijn steentje bijgedragen.
In de jaren 1960 zetten we een leuke eindejaarstombola en voor de kinderen een spannende prijsvragenwedstrijd op poten.
De eerste prijs van de tombola was een TV-toestel.
In die tijd een straffe stunt!

Graag wil ik nog vermelden dat ik al vele jaren lid ben van ‘Zeven Neten’ én dat ik lid wil blijven zolang het de Voorzienigheid mij nog vergunnen zal...



Omer en Maria trouwden op 9 april 1953.


Samen met zijn idool Tom Boonen op de foto!
Het lukte in 2012 in Dessel.


Guy Aarts