Even voorstellen... Mil Sledsens

Mil Sledsens


... onze milde medemens Mil Sledsens verteld ...


In feite is zijn voornaam ‘Emile’, maar ik geloof dat iedereen ‘Mil’ zegt.
Hem voorstellen hoeft nauwelijks.
Elke echte Retienaar van – pakweg – vijftig jaar en ouder, kent hem.
Mogelijk ook nog heel wat jongeren.
Op weg naar huize Sledsens en gewapend met pen en papier, was ik er al zeker van: dit interview komt wel goed.
Mil zal heel wat kunnen vertellen, en dat klopte.
Bovendien leerde ik hem kennen als een zeer waardevolle, aimabele mens.
En hij maakt heel lekkere koffie.
Mijn oprechte dank aan hem voor zijn inzet en medewerking en voor de gezellige uren.
En nu, beste Mil, zullen we onze lezers maar niet langer in het ongewisse laten, we gaan eraan beginnen…

Zal ik maar beginnen met een forse terugblik in de tijd?
Dan beland ik eerst bij Petrus Sledsens, mijn overgrootvader.
Hij werd geboren in Eindhoven in 1818.
België bestond toen nog niet en ‘den Hollander’ was hier baas.
Overgrootmoeder Maria Anna Deckx was van Geel (°1833) en ze was 15 jaar jonger dan haar man.
Mijn grootouders langs vaders kant waren Edward Wardje Sledsens (°1858) en Maria Mie Van den Broeck (°1859).
Wardje cumuleerde nogal wat stielen.
Hij was koster, kunstenaar, dichter, huisschilder, fotograaf en winkelier.
Je kon bij hem o.a. verf en behangpapier kopen.
Wardje was ook uitgever van prachtige prentkaarten met afbeeldingen van ons dorp en omgeving.
Mijn grootouders woonden in de Peperstraat, in het huis waar nu een CM-winkel is ondergebracht.
In het begin van de Eerste Wereldoorlog trok een groepje Duitse Ulanen (verkenners te paard) over de Markt, richting Dessel.
Ze kwamen van Kasterlee.
Enkelen van hen, die wat achterop waren geraakt, werden op de Markt door Arendonkse gendarmes onder vuur genomen.
Daarop keerden de andere Duitsers terug en ze namen furieuze represailles.
Ze staken o.a. de vier hoeken van de Markt in brand en ons vader (Richard Sledsens, °1889) en nog anderen werden als gijzelaar meegenomen.
Ze kregen onderweg venijnige klappen van Duitse geweerkolven maar gelukkig werden ze in Werbeek al vrijgelaten.
Met wat schrammen en blauwe plekken kwamen ze er vanaf.
Erger was het op de Markt.
Daar werd verwoed geblust maar vele huizen, waaronder dat van mijn grootouders, gingen in de vlammen op.
Gelukkig kon het gezin Sledsens opgevangen worden in het grote huis van Graulus achter de kerk.
Er werd snel een aanvang genomen met op dezelfde plek een nieuwe, ruimere woning te bouwen.
Aan de linkerkant kwam de winkel, aan de rechterkant het woongedeelte.
Maria, een zus van ons vader, trouwde met Constant Graulus.
De drie andere zussen Emma, Elodie en Martha bleven ongetrouwd en namen de winkel over.
Het werd een Welvaertwinkel, later nog De Wolmolen genoemd.

In 1922 trouwden ons vader en ons moeder (Germaine Van Coppenolle, °1898).
Ons moeder was afkomstig van Essen.
Zij gingen in Retie op de Markt wonen in het huurhuis van Arnold De Vel-Van Gansewinkel (nu rechterdeel Delhaize).
Het huurhuis werd later het café-hotel-pension Lindenhof.
Ik ben er geboren op 28 mei 1928 als vijfde kind van het gezin.
Ons Maria was mijn oudste zus en onze Edward mijn oudere broer.
Op 29 april 1942 kwam hij helaas om het leven door die vreselijke explosie in Tessenderlo.
Hij was amper achttien jaar.

Familiefoto Sledsens-Van den Broeck met v.l.n.r.:
Elodie, vader Edward, Martha, Richard, moeder Maria, Maria en Emma, omstreeks 1910.



In de tuin achter het geboortehuis van Mil Sledsens op de Markt.
V.l.n.r.: Betty, Ward, moeder Germaine met Mil op de schoot, Maria en Emilienne, in 1931.

Onze Edward, Jos Verdonck en Edward Sneyers studeerden er aan het Technisch Heilig-Hart-instituut.
De school lag vlak bij de fabriek Produits Chimiques de Tessenderloo.
Arbeiders wilden er op die noodlottige dag zo’n 200 ton aan ammoniumnitraatbrokken met dynamiet losmaken, maar dat liep helemaal fout.
De ontploffing was zo heftig dat heel de fabriek en de ruime omgeving werden verwoest.
De schok was voelbaar tot in Antwerpen en de Duitsers dachten dat het om een sabotagedaad ging.
Er vielen 189 doden en 900 gewonden.
Bij de leerlingen van het Technisch Heilig-Hartinstituut waren 39 dodelijke slachtoffers, waarbij onze Edward.
Ook 2 leraren en 2 broeders overleefden de ramp niet.
Een gitzwarte dag in de geschiedenis.

Na Edward werd ons Emilienne geboren.
Zij stierf in 1940 op vijftienjarige leeftijd aan de gevolgen van een hersenvliesontsteking (twee jaar later zal Edward in Tessenderlo verongelukken of hoe zwaar kan een gezin getroffen worden?).
Dan was er ons Betty.
Ook zij heeft ons veel te vroeg verlaten.
Ze was slechts 36 toen ze overleed.
Na ons Betty werd ik geboren en vier jaar later ons Annie.
Als laatste kwam er nog een meisje bij, ons Emilienne.
Uit piëteit en als stille gedachtenis aan hun eertijds veel te jong gestorven dochter kozen mijn ouders opnieuw voor die wondermooie naam.

Van mijn prilste kinderjaren herinner ik me niet zo veel.
Ik weet nog wel dat wij altijd speelkameraadjes hadden om in de tuin of in het grote huis te ravotten.
Naast onze woning stond Het Hooghuis (nu linkerdeel Delhaize).
Ooit de eigendom van de familie Van Gansewinkel.
Jef Schillebeeckx kocht het huis en deelde het in twee woningen.
In het rechterdeel ging hij zelf wonen.
Het linkerdeel verhuurde hij aan onderwijzer Alfons Anthoni (Jan Pijp) en zijn vrouw Yvonne Boulier met hun kinderen.
Yvonne was afkomstig van Veules-les-Roses, een dorpje aan de Normandische kust (Frankrijk).
Alfons had haar leren kennen tijdens de Eerste Wereldoorlog toen hij als onderofficier met een Belgische compagnie bivakkeerde in Veules-les-Roses.
De soldaten sliepen in tenten, de legerleiding in hotels.
In het hotelletje waar Alfons werd ondergebracht, ontmoette hij Yvonne Boulier, de dochter van de hoteleigenaar.
Er ontstond een liefde die een leven lang zou standhouden.
Na de oorlog trouwden Alfons en Yvonne en ze belandden in Retie waar Alfons was aangesteld als onderwijzer.
Ze kregen vijf kinderen en die waren zowat van onze leeftijd en dat klikte geweldig goed.

Wat ik ook nog weet is dat ik negen jaar misdienaar ben geweest, samen met Jos Graulus.
We moesten de mis dienen in de kapel van Sint-Annadal.
De familie Sledsens had een nauwe band met alles wat de Kerk aanging.
Wat normaal was: grootvader was koster en ons vader heeft die stiel ook vijftig jaar uitgeoefend.

In 1936 – ik was toen acht jaar – verhuisden we naar de Kloosterstraat.
Naar het huis van Corneel Graulus (nu apotheek Jo Beyns).
Het had voordien dienst gedaan als postkantoor.
Slechts vier jaar heb ik in de gemeentelijke jongensschool de lessen gevolgd.
Daarna ging ik drie jaar naar het Sint-Jozefcollege (Jezuïeten) in Turnhout.
Dan gedurende twee jaar naar het internaat van het Klein Seminarie in Hoogstraten.
Om uiteindelijk te belandden op het Technisch Instituut in de Prins Leopoldstraat in Borgerhout waar ik de richting Elektromechanica ging volgen.
De Tweede Wereldoorlog was nog volop aan de gang en ik moest gaan logeren in het gesloten home Saint-Joseph in de Van Schoonhovenstraat in Antwerpen.
Er verbleven daar nog meer studenten maar ook tal van bedienden.
Naarmate de oorlog vorderde, dreigde er meer gevaar.

Germaine Van Coppenolle en Richard Sledsens met hun dochtertje Maria.
Een foto uit 1924.


De V1- en V2-bommen waren verschrikkelijke tuigen en veroorzaakten onnoemelijk veel leed.
Ik weet nog dat er op 16 december 1944 een V2-bom neerstortte op de cinemazaal Rex in Antwerpen.

Het geboortehuis van Mil op de Markt in Retie.
Later het café-hotel-pension Lindenhof.

Gevolg: 567 doden en 291 gewonden.
Door het riskante gevaar bleef ik lange periodes thuis.
In 1947, het laatste jaar dat ik in Borgerhout studeerde, werd Aloïs Sledsens – een neef van ons vader – er burgemeester.
Hij was ook senator.
Van 1947 tot 1970 heeft hij beide mandaten mogen uitoefenen.
Toch een behoorlijk lange tijd.

In mei 1940 brak de Tweede Wereldoorlog uit en gingen wij, net als veel anderen, ook vluchten.
Samen met nonkel Stan Graulus, tante Maria Sledsens en hun kinderen togen wij in volle vaart naar… de Kleine Duinberg!
We overnachtten er op de boerderij van Charel Meeuws.
Nadat we hadden vernomen dat de Duitse doortocht toch niet zo dramatisch bleek, gingen we terug naar huis.
Er werden bij ons enkele Franse soldaten ingekwartierd.
Een Frans bataljon moest Retie helpen verdedigen tegen de oprukkende Duitsers.
Het teleurstellende was dat ze zo’n zielig kleine tankjes bijhadden!
Er stonden er enkele geparkeerd op het stuk grond naast ons huis op de hoek Kloosterstraat-Hovenstraat.
Met zo’n petieterige tankjes zou men niet het minste verweer hebben tegen de Duitse overmacht.
Het was echt om er compassie mee te krijgen.
Later werden er ook Duitse soldaten bij ons ingekwartierd maar ik geloof niet dat die lang gebleven zijn.
Naarmate de oorlog duurde, werden de Duitsers vranker en veeleisender.
Zelf heb ik ooit, onder een dwingende Duitse begeleiding, de kerk voor hen moeten openen.
Er moest een begrafenis doorgaan van een Vlaamse soldaat die had meegevochten met het Duitse leger en gesneuveld was.
Wij hadden thuis de sleutels van de kerk en omdat ons vader niet thuis was, moest ik mee.
Op zekere dag hield burgemeester-notaris Edgard De Vel ons vader staande toen hij over de Markt liep.
De burgemeester beweerde dat ik me voortaan best zou schuilhouden.
De Duitsers gingen ware klopjachten organiseren om jonge mannen op te pakken.
Zij hadden werkkrachten nodig om hun oorlogsindustrie draaiende te houden.
Maar ik heb nooit problemen gehad met de Duitsers.
Ik was tenslotte nog maar zestien jaar.

Toen de oorlog al naar zijn einde liep, kregen we op een dag bezoek van een paar Duitsers.
Ze vroegen om burgerkleren.
‘Om zo min mogelijk op te vallen als we naar huis gaan’, vertelden ze.
Ons moeder gaf ze wat kleren van ons vader, maar ze pasten niet.
Ons vader had een nogal corpulente lichaamsbouw.
Ze lieten de kleren voor wat ze waren, bang om met die ruime broeken en jassen nog meer in het oog te springen dan in hun uniformen.
Ook onze fiets werd opgeëist.
Maar die was dan weer te klein en we mochten onze fiets houden.
Na de bevrijding kregen we nog Engelse soldaten te gast.
Zij bleven maar kortstondig.
Het ergste van de oorlog was toen voorbij.
Tijdens de oorlog bakte ons moeder zelf ons brood.
In het washuis was een bakoven voorzien en wat geurde dat toch heerlijk als er gebakken werd!
Na de oorlog bleef ons moeder het brood nog wel bereiden en invormen maar ze liet het bakken bij bakker Stan Melis achter de kerk.
We hadden dikwijls niet genoeg mutserds om de bakoven te stoken.


Mil poseert bij hun woning in de Kloosterstraat (omstreeks 1937).

Voor etenswaren gingen we vrijwel altijd naar Mit van To Mathé (Mit Leysen) in de Peperstraat.
Zij had een winkel die op een ruime klandizie kon rekenen en je kon er altijd verse producten kopen.
Af en toe kochten we ook wel eens wat in het kruidenierswinkeltje vlak bij ons.
Al hield dat risico’s in.
Het kon gebeuren dat de koekjes of de confituur of zelfs de sigaretten een héél andere smaak hadden.
Er was te weinig omzet in dat kleine winkeltje om alles tijdig aan de man of de vrouw te brengen.

Voor een smakelijk ‘crème-glaske’ trokken we graag naar de Kasteelstraat.
Bij Pol Weyts hadden ze toen het beste schepijs, vonden wij.
Als ik eraan terugdenk, krijg ik nog goesting.

Zal ik nog wat kleine anekdotetjes vertellen?
Ik heb ze zo dikwijls horen vertellen door ons vader of nonkel Stan en het gaat over ‘de oude Mathe’ (dokter Jan-Frans).
Hij was een zeer vrome man en hij liep mee in elke processie.
Om de dorst te lessen en omdat hij het zo lekker vond, nam hij regelmatig uit een klein flesje een flinke slok sterkedrank.
Dokter Mathé had daarvoor een geweldig goed gecamoufleerd en ingestudeerd systeempje bedacht opdat niemand het zou zien.
Maar iedereen zag het en wist het.
Dat zorgde voor veel binnenpretjes.

Als dokter Mathé bezoek kreeg waarop hij niet al te zeer gesteld was, liet hij toch de bezoekers goedhartig enkele kamers zien, troonde hen mee naar de goed onderhouden tuin met bloemen en groenten, waarover hij enthousiast vertelde.

Soldaat Mil Sledsens in 1948, in hun tuin in de Kloosterstraat.

Achteraan in de tuin gekomen, opende hij fijntjes het achterpoortje, loodste hen, beleefd maar nadrukkelijk, het achterliggende paadje in (nu het Pjerkevanmannenstraatje) en deed het poortje dicht.
Zo had hij de bezoekers niets hoeven aan te bieden én had hij bovendien zijn gasten subtiel weg geschamoteerd!
Weet je dat ik ooit nog ‘liefdesboodschapper’ ben geweest?
Wardje Sneyers was stoppezot van Elfrida Van Damme, een pront juffertje uit Gent dat al een hele tijd in het hersteloord Boesdijkhof verbleef.
Je raakte daar echter niet zo maar binnen en er werd bovendien in ’t Frans ‘geparleerd’.
Wardje schreef hartstochtelijke brieven maar durfde ze zelf niet te bezorgen aan zijn teerbeminde.
Dus deed ik dat maar in zijn plaats en ik heb dat blijkbaar goed gedaan want ze zijn later toch getrouwd.

Ik werd ook stilaan een vaste medewerker en acteur bij toneelvereniging De Winterbloem (later De Brug).
En bij het legendarisch mooie openluchtspel De Zevende Blijdschap van Maria aan de kapel van Werbeek mocht ik een der ‘joden’ zijn.
Het was augustus 1947.
De vijfentwintig acteurs en actrices en een honderdtal figuranten waren allemaal Retienaren.
Er werden vier voorstellingen gespeeld waarbij telkens zo’n 2000 toeschouwers aanwezig waren.
Er stonden banken tot op de tramrails en op de steenweg.
Zelfs het trammetje moest geduld hebben als de voorstelling liep.

Voor mij persoonlijk was de allerbelangrijkste gebeurtenis bij dit Mariaspel dat ik er ons Florke (Florentine De Ceuster) heb leren kennen.
Ons Florke speelde ook mee in het openluchtspel.

De Retiese Rode Kruisvrijwilligers in 1999 voor hun nieuwe lokalen aan het Boesdijkhof.
Mil en Florke staan helemaal rechts vooraan.

En Cupido schoot goed raak want het was meteen een liefde voor altijd.
Het gezin De Ceuster-Van de Loo woonde toen nog op de Santhoef.
De vader van ons Florke (Hendrik) was onderwijzer en een cultuurminnend man, bekwaam als dirigent en regisseur.
Haar moeder (Godelieve Van de Loo) was onderwijzeres.
Later verhuisde het gezin naar hun nieuwbouw in de Gildenstraat.
Dat de Santhoef werd afgebroken, nijpt mij nog altijd aan het hart.
Toch onbegrijpelijk dat zoiets allemaal kan.
Rond 1960 werd er in Retie op de Markt een Sint-Maartenspel opgevoerd.
Filoloog Frans Verachtert schreef het scenario en ik mocht de rol van Brutus vertolken.

Op 22 maart 1948 werd ik voor een jaar onder de wapens geroepen.
Mijn opleiding kreeg ik in Turnhout in kazerne majoor Blairon.
Daarna moest ik naar het kamp Brasschaat Polygoon.
Ik werd ingedeeld bij de afdeling Luchtartillerie en belandde er algauw op de boekhoudkundige dienst.
Dat het er niet altijd correct aan toe ging, is me altijd bijgebleven.
Vaak zag je er de mensheid op zijn smalst.

Na mijn legerdienst kon ik een jaartje aan de slag als stagiair bij notaris George Van Ussel in Werbeek.
Daarna heb ik altijd in de steensector gewerkt.
Ik begon in 1950 in Ravels bij Briquetterie du Nord als boekhouder.
Later werd ik er productieleider en directeur.
Elk schooljaar kwam René Stappaerts met zijn leerlingen een bezoekje brengen.
Daardoor kregen wij ook Retiese werknemers in de fabriek.

Na 20 jaar Briquetterie du Nord verhuisde ik naar het verkoopkantoor van de firma ‘Kempische Baksteen Hasselt/Antwerpen’, tot eind 1976.
In 1977 begon ik bij Terca Kortrijk en ik heb er gewerkt tot april 1983.
Dan werd ik commercieel adviseur bij Arcabo Genk en ten slotte ben ik in dienst geweest bij het bedrijf Koramic, Koraton en Rector, tot op het einde van mijn loopbaan in 1999.
Ik was toen 70 jaar!

Ik mag zeker niet nalaten om te vertellen over mijn grote passie, waar ik met inzet en met de hulp van veel mensen een steentje heb mogen bijdragen aan de maatschappij.
Ik heb het over het Rode Kruis, een organisatie die niet alleen plaatselijk maar ook wereldwijd actief is om de medische nood, de kommer en de kwel te lenigen.

Het begon voor mij in Turnhout, lang geleden, waar ik vrijwilliger en bloeddonor werd.
In Oud-Turnhout werd ik bestuurslid en in 1974 stichtte ik in Retie een eigen afdeling van het Rode Kruis.
Het eerste bestuur bestond uit: Florke De Ceuster, Lief Sledsens, Staf Sterckx, Jos Vervaeren, Rist Menten, Stany Breugelmans, Mariëtte De Laet, dokter Yvan Muylaert, apotheker August Heylen en mezelf.

In 1975 werd ik gewestvoorzitter van de regio Zuiderkempen en ik ben dat 30 jaar lang gebleven.
Intussen zetelde ik ook in de Nationale Raad van het Rode Kruis in Vleurgat Brussel én in de Provinciale Raad Antwerpen op de Belgiëlei.
Later kwamen er ook nog de gewestraden bij.

We hadden in Retie de activiteit ‘bloedtransfusie’ opgestart, eerst in de gemeentelijke basisschool, later in onze eigen lokalen van het Boesdijkhof.
De cursussen tot helper werden een lange tijd gegeven in de boerderij van Fons en Marie Verwaest in de Kromstraat. Met de zuinige spaarcentjes kon een ambulance aangekocht worden.
Het was een occasie van het H. Hartziekenhuis in Mol.

Oneindig veel uren, dagen en weken spendeerde ik, vaak samen met het gezin, aan het Rode Kruis en met enige trots mag ik zeggen dat ik veel waardering en mooie huldigingen mocht ontvangen toen ik noodgedwongen een stapje moest terugzetten.
In Olen werd de zaal, waar wij dikwijls vergaderden, naar mij vernoemd: de Emile Sledsens-zaal.
Toch rakend en ontroerend.

Mag ik bij dezen nog een warme oproep doen?
Heb je interesse om je noodlijdende medemens te helpen, om hulp te bieden bij ongevallen, om bloeddonor te worden?
Misschien wil je onze cursussen EHBO volgen?
Kom gerust eens langs bij het Rode Kruis Retie.
Je zult er zeer welkom zijn en er fijne mensen ontmoeten.
Ook jongeren zijn van harte welkom.
Alvast dankjewel.
Contact: Roger Smets, gsm: 0477 55 70 85, e-mail: voorzitter@retie-dessel.rodekruis.be, lokaal: Boesdijkhofstraat 24, 2470 Retie.


Florke De Ceuster en Mil Sledsens trouwden op 5 september 1953.

Op 5 september 1953 zijn ons Florke en ik getrouwd.
Het eerste jaar bleven we bij mijn ouders inwonen.
Dan zijn we verhuisd naar het linkerdeel van het voormalige, verbouwde zuivelfabriekje van nonkel Stan Graulus.
Zo bleven we in de Kloosterstraat.
Later zijn we verhuisd naar een ruimere burgerwoning achter de kerk.
Peer Gijs en Marie Crols gingen toen in het huisje (zuivelfabriekje) wonen.
Nog later verhuisden we dan met het hele gezin naar onze nieuwbouw in de Kromstraat.

We hebben dat allemaal goed gedaan, ons Florke en ik.
We kregen samen zeven prachtkinderen: Ward, Marc, Lief, Miel, Jan, Peter en Paul.
Altijd stonden én staan we klaar voor elkaar, tot op de dag van vandaag, en daar ben ik reuze trots op.
Helaas overleed ons Florke op 20 oktober 2010.
Ik mis haar nog altijd.

En nu ben ik al een beetje een oudere mens en dan is achteromkijken een geliefkoosde bezigheid en over vroeger vertellen ook.
Bij dezen heb ik dat dan, voor u beste lezer, héél graag gedaan.

Guy Aarts