Even voorstellen...Marie Blockx

Marie Blockx


Op 19 juni viert Marie Blockx haar eenennegentigste verjaardag.
Bovendien wint ze er weer een jaartje bij op weg naar ‘de honderd’!
Ik wil het haar van harte gunnen.
Zelden zag ik iemand op die leeftijd nog zo vitaal, alert en ‘up-to-date’.
De tijd lijkt gewoon geen vat op haar te hebben.
Mocht ik Marie vragen naar het geheim om – net als zij – vief en vreedzaam oud te mogen worden, geheid kreeg ik het antwoord: ‘Hard werken en rustig leven!’
Marie heeft zich altijd aan die regel gehouden.
Wat haar ook bijzonder maakt: Marie is uitermate empathisch, leeft met alles en iedereen mee en haar moederlijke liefde is grenzeloos.
Zorgen, bezorgd zijn én zichzelf helemaal wegcijferen, zij kan dat als geen ander.
Hoedje af voor zulke mensen!
En mocht deze prelude al te veel gaan lijken op een fabelachtig loflied, wil ik dat graag vergoelijken met de woorden: ‘Ere wie ere toekomt’.
Toch?

Het jonge leven van Marie Blockx liep niet over rozen.
Door het vroege overlijden van haar vader kwam er bruusk een einde aan haar kindertijd.
Moeder moest het boerenbedrijf runnen en Marie, als oudste, werd noodgedwongen de moederrol op de schouders gelegd.
Daar en toen werd het zaadje geplant dat in haar latere leven zou uitgroeien tot het bestendig dragen van een lijdzame verantwoordelijkheid.
In haar eigen, grote gezin draagt zij met recht de mooiste eretitel: ‘ons moeder’.

Marie vertelt...

Ik ben geboren in Retie op 19 juni 1922, in de huurboerderij van Piet Seuntjens op ’t Geenend, als oudste kind van Jozef (Jef) Blockx en Catharina ( To) Smets.
Na mij kregen ze nog vijf kinderen: Gust, Aloïs, Julia, Vic en Zefa.
Ons vader was afkomstig van Pontfort, ons moeder van ’t Geenend.
In 1939 zijn we verhuisd naar de huurboerderij van Rikske Slegers, in de Metsen.
Ons vader was toen al overleden.


Marie in haar woning op het Horzelend.


Jozef (Jef) Blockx vader van Marie.

Als kind gingen we elke dag te voet naar school, op onze klepblokken (of kleppers: lage klompjes van berken- of beukenhout, meestal zwart van kleur, met een lederen band over de wreef, stonden bekend om het felle ‘klep’-geluid dat ze maakten op een verharde ondergrond).
Vanuit het Geenend, nog voorbij het Vossekot, was dat toch een heel eind lopen.
En dat deden we dikwijls twee keer per dag want ’s middags gingen we thuis eten.

Ik heb les gekregen van zuster Gerarda en van zuster Antonia.
Ook nog van juffrouw Schillebeeckx en zuster Anna.
Wellicht vergeet ik er nog een paar maar ’t is al zo lang geleden, ik weet het zo juist niet meer.

In 1934 deed ik mijn Plechtige Communie en in datzelfde jaar hield men in Retie voor de eerste keer in ’t voorjaar een jaarmarkt.
Niet dat wij dat zo uitbundig mochten gaan vieren want het waren toen de jaren van ‘pinneken-dun’.
Tussen de twee wereldoorlogen was er veel armoe onder de mensen.
Het was volop crisis in Europa, véél erger dan nu.

Onze kleren lieten wij naaien bij de ongetrouwde zusters Dijckmans op ’t Meierend.

Catharina (To) Smets moeder van Marie.


Van ons vader kreeg ik een fiets.
Het was oorspronkelijk een herenfiets, die door Jan Teen (Aloïs Schellekens) was omgebouwd tot een damesfiets.
Jan kon dat, hij was fietsenmaker maar hield ook café ’t Spieke open op de hoek Kapelstraat-Gildenstraat (nu beenhouwerij).
Kort daarop werd ons vader zwaar ziek, hij had al een wankele gezondheid en sukkelde met een hardnekkige astmatische aandoening.
Het ging van kwaad naar erger en in 1935 is onze va overleden.
Door een deerniswekkende speling van het lot werd ons vader begraven op de dag dat ons Zefa – mijn jongste zusje – werd geboren.
Een droeve tijd brak aan en mijn kommerloze kinderjaren waren ook voorbij.


Marie op zeventienjarige leeftijd.

Ik bleef thuis van school en nam zoveel mogelijk de huiselijke taken van ons moeder over.
Zij deed nu het zware boerenwerk en, lieve God, wat heeft dat mens hard gewerkt!
Ze kon maaien met de zeis als de beste en ze moest voor een manskerel niet onderdoen!
Toch werd ons vader heel hard gemist en tijdens de moeilijke momenten werden we met de neus op de feiten gedrukt: het zou niet makkelijk worden om van de boerderij te blijven leven.
Er waren maanden dat we slechts enkele franken overhielden.
Ons moe was heel content als er dan een kalf of een nest varkens werd verkocht.
We werden ook wel eens gered door de verkoop van wat graan, boter of eieren.
Pastoor De Voght kwam toen vrijwel elke dag naar onze boerderij om zich ervan te vergewissen of we het wel redden konden.
Ook onderpastoor Tuerlinckx zagen we vaak.
Ze waren heel bezorgd maar dat ze ons financieel steunden, geloof ik toch niet.
Trouwens, ons moeder was te trots om zo’n steun aan te nemen.
Haar grootste angst was om ‘aan den Armen’ te geraken! (Armenzorg: voorloper van het OCMW).
Het zou een schandelijke stempel drukken op het hele gezin.
Een troostende zekerheid voor haar was dat we toch altijd wat te eten hadden.
Er was altijd nog wat graan dat we konden malen om brood te bakken.
Melk was er ook steeds voorhanden, alsook eieren, een stukje spek of wat zelfgekweekte groenten.
Als kind beseften we niet dat het soms heel zwaar was voor ons moeder.
Wel wisten we dat ze ’s zondags vaak heel vroeg opstond om onze acht koeien te melken.
Daarna spoedde ze zich naar de vroegmis.
Ons moe was een diepgelovige vrouw en misschien vond zij daar een beetje troost en steun.

Bij het boerenwerk heb ik niet vaak moeten helpen.
Ons moeder beweerde dat ik te frêle gebouwd was om het zware werk aan te kunnen.
Dus bleven mijn taken voornamelijk bestaan uit huishoudelijke klussen.
Het huis proper houden, voor het eten zorgen, boodschappen doen, de was arrangeren, voor de kleinsten zorgen, naar de smid gaan voor de reparaties van allerhande klein getuig, het paperassenwerk in orde houden en noem maar op…
Marie deed het allemaal!
En ik was toen nog maar dertien jaar.
Als welgekomen afwisseling mocht ik – zo tegen de kermis – de stal eens witten met kalkmelk en onderaan de zwarte boord opnieuw een beurt geven.
Ook de sierlijke krullen en figuren creëren met wit zand op de rode bakstenen vloer vond ik leuk om te doen.
Onze Gust droeg zijn steentje bij door met het paard wat karweien uit te voeren.
Nonkel Gust – zijn peter en broer van ons moeder – leerde onze Gust het paard in- en uitspannen, mennen, ploegen, eggen enz.
Al gauw had hij de trucjes onder de knie en nam hij een groot deel van het werk over.

Als elfjarige reed hij, ’s morgens, nog voor de school begon, met paard en lege wagen naar de Laarbeemden (nu achter doe-het-zelf-zaak De Wissel).
Daar spande hij het paard uit.
Terwijl dan onze Gust in ’t school zat, maaide nonkel Gust een partij mals gras voor onze koeien.
Hij laadde de wagen, spande het paard terug in en reed naar onze boerderij om de vracht te lossen.
Op een dag was onze kleine Vic, drie jaar oud, met onze Gust mee naar de Laarbeemden getrokken.
Onze Gust kon met moeite de zware berries van de wagen optillen, liet ze soms uit de handen glippen.
Zo ook die morgen en onze Vic, die te dichtbij zat, kreeg een berrie op zijn billetje.
Een ernstige breuk was het gevolg.
Nonkel Gust en nog andere familieleden hebben ons dikwijls hard geholpen.
Dankzij hen lukte het om ook in de hoogseizoenen het werk rond te krijgen.

We verhuisden in 1939 naar de huurboerderij in de Metsen.
Naast de boerderij liep een weggetje naar ’t Looiend, dwars door de bossen.
Groot en klein volk passeerde daar, op weg naar ’t gehucht of, omgekeerd, naar het dorpscentrum.
Veel mensen kwamen er ook genieten van de gezonde boslucht.
Vooral de Sint-Maartenberg was een populaire trekpleister.
Ik was toen zeventien jaar en kon als volwaardig ‘moedertje’ heel het huishouden beredderen.
Ik weet nog dat ik met alle drie mijn broers naar Turnhout reed, met de tram, om ze nog eens ‘in ’t nieuw te steken’.
Die mannen groeiden als kool en hadden regelmatig nieuwe kleren nodig.
Zo’n uitstap was eigenlijk best wel leuk.

Ook maakte ik er een erezaak van dat het in en rond de boerderij kraaknetjes was.
Eerder had ik geen rust!

Moeder To Smets -- zittend in het midden -- werd 80 jaar.
Haar kinderen zorgden voor een voortreffelijk feest.
Vooraan, links en rechts van To, zien we Marie en Gust.
Achteraan: Julia, Zefa, Aloïs en Vic.

Toen ik jaren later mijn haar liet doen in het kapsalon van Elvire Raeymaekers op de Turnhoutsebaan, vertelde Elvire me dikwijls dat het bij ons zo proper was.
Elvire kwam vroeger, als kind, samen met een hele bende leeftijdgenootjes, nogal eens binnen bij ons om een fris glaasje water te drinken.
Zij waren moe gespeeld in de Looiendse bergen en op weg naar huis belandden ze dan op de boerderij.
Eerst ‘de groten dorst’ lessen, dan pas konden ze verder stappen.
Zo ging dat toen.
Ik had er deugd van als Elvire dat vertelde.
Vooral omdat zij vond dat het bij ons zo netjes was.


Marie neemt een breiwerkje ter hand en geniet van het zonnetje aan de achterzijde van de boerderij in de Metsen.
Een foto uit begin jaren 1940.

En toen kwam onze Sus (Frans Peeters) in mijn leven.
Sus was bevriend met onze Gust en kwam vaak bij ons op de boerderij.
Zo leerden wij elkaar kennen en het ‘vonkske’ sloeg over want na een tijdje zagen wij elkaar heel graag.
En ik mocht me gelukkig prijzen: ik ging nooit uit en toch heb ik zo’n goeie man leren kennen.
Onze Sus hielp al vlug mee op de boerderij en alle hulp was welkom.
De jaren begonnen te wegen op ons moeder en het jonge volk moest regelmatig bijspringen.
Onze Sus werd opgeroepen voor de mobilisatie in 1939.
Voor mij was dat heel erg.
Ik was zo ongerust voor wat nog komen zou.
Er was al zolang die Duitse dreiging van oorlog en nu leek het ernstig te worden.
Maar het leven van alledag ging verder en het werk verstrooide toch een beetje mijn gedachten.

Vanaf onze boerderij keken we op de achterkant van het kasteelpark.
Het kasteel van baron du Four konden we bijna niet zien.
De hoge bomen en het dichte struikgewas onttrokken het aan het zicht.
Met de du Fours hadden we vrijwel geen contact.
Ze woonden er ook enkel in de zomer.
In de winter verbleef de adellijke familie in Turnhout.

Op de plaats waar nu het lokaal van de Chiromeisjes staat, ‘bewonnen’ wij toen een hoek grond.

Mobilisatie in 1939. Sus Peeters staat tweede van rechts.
Zijn kameraad, zittend vooraan links, sneuvelde tijdens de Achttiendaagse Veldtocht in mei 1940.


Er werd daar altijd spurrie (Spergula Arvensis: groenvoedergewas dat speciaal op zandgronden werd geteeld) gezaaid en als het gemaaid moest worden, gingen wij dikwijls mee.


Op 27 mei 1924 huwden jonkvrouw Josée du Four en jonkheer Jean de Kerchove d’Exaerde in Retie.
Op het bordes zien we kardinaal Mercier en, links naast hem, baron du Four.
Foto uit het boek Baron François du Four van Walter Raeymaekers.

Van daaruit zagen we af en toe wat beweging in het kasteelpark.
Er werden soms paarden en jachthonden getraind en alle bevelen werden in ’t Frans gegeven.
Het was mooi om te zien.
Maar nog mooier werd het als ze op jacht trokken.
Allemaal ‘sjieke’ heren te paard.
Sommigen droegen een jachthoorn over de schouder en een hele bende honden hoste en croste rond de paarden.
Ze trokken naar Oud-Turnhout of richting Arendonk.
Ook bij een huwelijk op ’t kasteel verliep alles in grootse pracht en praal.
Het kasteel werd weelderig versierd en in de Kasteelstraat en de dreef werden naaldboompjes gepaleerd met kleurrijke papieren rozen en slingers.
Er stonden ook indrukwekkende ‘arken’ (praalbogen) en het was allemaal om ter schitterendst.
Grote auto’s reden af en aan, voerden nette heertjes en kokette dametjes tot aan het bordes.
Het was voor ons een wonderlijk schouwspel, iets uit een heel andere wereld.
En tegelijk voelden we ook dat het ver buiten ons dagelijks bestaan lag, ver van het harde boerenleven waar er van ’s morgens tot ’s avonds flink gewerkt moest worden.

In mijn jeugdjaren was ik veel thuis.
Er was altijd wat te doen in het huishouden en er bleef omzeggens geen tijd over voor andere dingen.
Ik ben nooit bij de BJB geweest en was nergens lid van.
Alleen Julia Blockx van ’t Looiend wandelde wel eens, via het studentenkapelletje, door de bossen, tot bij ons.
Zij was mijn enige vriendin.
Julia trouwde later met Nest Van den Eynde.

Van uitgaan kwam meestal ook niet veel in huis en ik was al heel gelukkig als ik af en toe eens naar een toneelopvoering in de zaal van Nest Van Reusel in de
Sint-Martinusstraat, mocht gaan.
Ik kon echt genieten van het prachtige toneelspel van ‘die van Hertenboeren’ (Slegers).
Dié konden ‘een stukske spelen’!
Echt schitterend!
Wel ben ik ooit gaan Retie-kermis vieren, maar ik had toen al verkering met onze Sus, geloof ik.
Er stonden soms wel vijf danstenten.
Dat had een grote aantrek en met hele groepen jong volk trokken ze vanop de gehuchten naar het dorpscentrum.
Ons moeder had eigenlijk niet zo graag dat ik ging dansen.
Zelfs pastoor De Voght ging vanop de preekstoel zwaar tekeer tegen het vrolijke vertier in de danstenten.
Het waren oorden waar de duivel zonde en verderf zaaide, beweerde onze brave zielenherder.
Veel jonge mannen probeerden een lief te zoeken op de kermis maar meestal was er dan al zoveel drank in ’t spel dat er niet veel serieuze vrijages uit voortkwamen.
Later, toen we al getrouwd waren, zijn onze Sus en ik nog wel bij de Sint-Sebastiaansgilde gegaan.

Op 10 mei 1940 begon de Tweede Wereldoorlog.
’s Namiddags, rond een uur of twee, zag de lucht boven Retie zwart van de Duitse transportvliegtuigen en vliegtuigen met luchtlandingstroepen.
Ze vlogen richting Kasterlee.
’t Werd dan toch menens.
Onze Sus, toen nog mijn verloofde, moest ook ten strijde trekken.
De Belgische strijdkrachten maakten geen kans tegen een Duitse overmacht en na achttien dagen hield onze koning het voor bekeken en capituleerde.
En raad eens wie het allereerst van alle opgeroepen Retiese soldaten terug in ons dorp aankwam?
Juist, onze Sus!
Hij kende alle binnenwegen en was zo vlugger thuis geraakt.
Maar daarmee was de miserie nog niet afgelopen, want een tijdje later werd hij opgeroepen als ‘verplicht tewerkgestelde’ om voor de Duitsers te gaan werken.
Hij moest onderduiken om niet te worden opgepakt door de Feldgendarmen of de Gestapo.
Al van bij het begin van de oorlog namen de Duitsers hun intrek in het kasteel du Four.
Het was er een af en aan rijden van legercamions en alle mogelijke voertuigen.
Ze kwamen ook bij ons op de boerderij om verse melk, en het moet gezegd: zij waren heel hoffelijk en beleefd.
Nooit last mee gehad, met die Duitsers.
Het waren geen SS-soldaten maar eenvoudige mannen, die ook maar moesten gehoorzamen.
Soms hielden ze schietoefeningen in de Looiendse bossen en ze marcheerden daar al zingend naartoe en kwamen zingend terug.
Hun liederen klonken zo mooi dat je onmiddellijk ophield waarmee je bezig was, om zo goed mogelijk te kunnen luisteren.

Toch waren het moeilijke tijden voor veel mensen.
Vrijwel alles werd gerantsoeneerd, ook de etenswaren, en dat zorgde voor veel miserie.

De Sint-Sebastiaansgilde op stap.
De dames, met het aangezicht naar de fotograaf gekeerd, zijn Julia Dufraing, Céline Hoskens, Marie Claessen en Marie Blockx.

Veel mensen gingen ‘den boer op’ om toch maar aan wat graan, eieren, boter of aardappelen te geraken.
Er kwam bij ons zelfs een man met de fiets, helemaal vanuit Nijlen, bedelen om een beetje tarwe.
Om compassie mee te krijgen.

Onze Sus en ik zijn onder de oorlog getrouwd, op 22 mei 1943, en we bleven op de boerderij bij ons moeder wonen.
Het was maar een sobere bruiloft want er mocht niet veel ruchtbaarheid aan worden gegeven.
Onze Sus was voortvluchtig en hij liep constant gevaar om te worden opgepakt.
We hebben ook geen trouwfoto’s laten maken.
Dat durfden we niet, maar daar heb ik achteraf wel spijt van gehad.

Ik heb toen dikwijls schrik gehad.
Ik moest op een dag naar Turnhout om documenten te gaan halen voor onze Gust zijn vrijstelling als ‘verplicht tewerkgestelde’.
Onze Gust werd ook opgeroepen om in Duitsland te gaan werken, maar omdat hij de oudste zoon was van een vaderloos boerengezin, kon hij daarvan vrijstelling krijgen.
Ik belandde in Turnhout op een kantoor vol Duitse SS’ers die constant dreigden en tierden en er zo kwaadaardig uitzagen dat ik prompt begon te wenen.
Wat was ik gelukkig dat ik daar buiten was en terug naar huis kon.


Marie Blockx, met haar oudste zoontje Jef op de arm, poseert in de dreef van kasteel du Four.
Een foto uit 1945.

Het meest angstaanjagende trof ons nadat op het kasteel was vastgesteld dat er twee motocyclettes waren gestolen.
De Duitsers stormden naar onze boerderij om er de daders te komen zoeken.
Wij woonden het dichtst bij het kasteel en ze waren ervan overtuigd dat de schuldigen bij ons te vinden waren.
Onze Sus en onze Gust werden onmiddellijk meegenomen.
Ze zouden gefusilleerd worden tegen de gevel van de boerderij van Staf van Rikske (Slegers).
Op het laatste nippertje werd de terechtstelling verhinderd door de soldaten die altijd bij ons om melk kwamen.
Zij overtuigden hun komkompanen dat onze Sus en onze Gust onschuldig waren.
Onze mannen mochten terug naar huis.
De twee motocyclettes werden later in Pontfort in ’t koren teruggevonden.
Wie de diefstal had gepleegd, werd nooit opgehelderd.

Op het einde van de oorlog ging het er heftig aan toe.
Het was augustus 1944 en de geallieerden voerden zware bombardementen uit in de buurt van het kasteel.
Het schokte, schudde en daverde aan alle kanten door de inslaande bommen en granaten.
We hadden thuis wel een abri (schuilkelder) gegraven maar die vertrouwden we niet zo erg qua veiligheid.
Enkele weken voor die bangelijke dagen was onze Jef – ons eerste kind – geboren.
Toen ik van de kerkgang (zegening van de moeder in de kerk na de geboorte van haar kind, als blijk van dank voor de goede afloop en de blijde terugkeer naar de kerk) thuiskwam, waren de beschietingen al volop aan de gang en zijn we onmiddellijk gevlucht, door de kasteeldreef, tot achter de paardenstallen (nu vakantieoord De Linde) van baron du Four.
Daar stond een schuur met een heel stevige, betrouwbare kelder.
Er zat al veel volk in maar we konden er nog bij.
Onze Gust en onze Aloïs bleven thuis, bij de beesten op de boerderij.
En als ze brood hadden gebakken in ’t bakhuis brachten zij dat naar de schuur waar wij verbleven.
Zo hadden we toch wat te eten.
Ik weet ook nog dat ons moeder toen duizend angsten heeft uitgestaan.
Ze was heel stilletjes en ze was constant aan ’t bidden.
Ons moeder had ‘den Grooten Oorlog’ (de Eerste Wereldoorlog) meegemaakt en ze was die verschrikking nog niet vergeten.
De Duitsers hadden toen immers de helft van de Retiese Markt platgebrand!
Na enkele dagen, toen de beschietingen waren opgehouden, zijn we naar huis teruggekeerd.

We zijn allemaal – gelukkig – ongedeerd de oorlog doorgekomen.
En op mijn oude dag wil ik graag hopen dat er hier nooit of nimmer nog een oorlog zal komen.
Dat alles mag blijven zoals ’t nu is.
Ik wens het jullie allemaal van harte toe…

Guy Aarts