Even voorstellen...Maria Van Reusel

Maria Van Reusel

Zomer 1918.
De ‘Groote Oorlog’ sukkelde stilaan naar zijn einde.
In Retie werd Maria Van Reusel geboren.
Gelukkig: vier maanden later was de wapenstilstand een feit.
De wereld kon herademen en er braken andere, nieuwe tijden aan.
Maria groeide daarin op als kind en jong volwassene en zij weet dat allemaal nog heel goed.

In rusthuis Hemelrijck in Mol mag ik haar interviewen.
Marèse, haar oudste dochter, zal er ook zijn.
Maria is tijdens de jaren dat ik haar zowat uit het oog verloor vrijwel niets veranderd.
Zij is nog altijd die stralende, gracieuze dame, het zilverwitte haar mooi geonduleerd, stijlvol en kreukvrij gekleed.
Haar stem heeft met de jaren wat aan kracht ingeboet, het is bijna fluisteren.
Daarom mag ik dicht bij haar gaan zitten.
Tijdens de aanvang van het gesprek vertelt ze over haar afscheid van Retie en de grote stap naar het verblijf in het rustoord.
Het gewenningsproces verloopt wat moeizaam.
Maar de tijd zal alles in de juiste plooitjes leggen en familie en vrienden zullen haar nooit loslaten, dat weet ze wel.

Dan vertelt Maria over vroeger.
Talloze herinneringen komen als zachte golfjes aangekabbeld en het is mooi hoe zij haar jeugd en jonge jaren tevoorschijn tovert.
Verhalen volgen elkaar moeiteloos op.
Er is genoeg om een heel Zeven Netenboekje te vullen.
Daar dit echter niet tot de mogelijkheden behoort, heb ik voor u, al grabbelgewijs, een handjevol historietjes op een rijtje gezet.
Namens Maria wens ik u daarmee van harte veel leesgenot toe.

Ter hoogte van de Retiese rotonde stond vroeger ons ouderlijk huis, op de hoek Turnhoutsebaan-Veldenstraat.
Het werd daar toen nog ‘Metsen’ genoemd.
Ik zag er het levenslicht op 22 juli 1918.
Ons vader was Ferdinand (Nand) Van Reusel, een authentieke Retienaar.
Maria Verkoeyen, een boerendochter uit Dessel, was ons moeder.
Wij waren met zes kinderen, mijn zussen Dimpna (Din), Paula en Julia, dan volgde ik in het rijtje.
De twee jongsten waren mijn broers Louis en Julien (Jenne).


Maria, stralend doorheen de jaren...


Het geboortehuis van Maria Van Reusel op de hoek Turnhoutsebaan-Veldenstraat.
Het werd afgebroken om plaats te maken voor de rotonde.

Voor onze Louis sloeg al vroeg het noodlot toe: slechts negen jaar was hij, toen hij – achteloos – langs het tuinpad de straat op liep en pal onder de net passerende tram terecht kwam.
Er kon geen hulp meer baten.
Jarenlang heeft dit drama ons leven beschaduwd.

Ons vader kwam als postbode aan de kost.
Daarbij boerden we thuis nog wat in ’t klein.
Eén koetje hadden we, ook nog een geit, enkele varkens en wat kippen.
‘Klein gewin brengt rijkdom’, zei men wel eens, maar bij ons klopte dat toch niet.
Wij moesten de boter niet te dik smeren.

Ik kreeg regelmatig het twijfelachtige voorrecht om koehoedster te spelen.
Met onze koe aan een leizeel ging ik langs grachtkanten en bermen om dat beest te laten grazen.
Een wei hadden we niet.
Het vervelende was dat onze koe altijd wilde grazen op plaatsen waar het niet mocht of niet kon.
Zo heb ik dus leren vloeken.

Veel bracht het allemaal niet op maar we hadden wel alle dagen verse melk.
Als onze melkbus vol was, moest ik ze met de kruiwagen naar de melkerij brengen.
Soms nam ik ook nog de volle bus van een buurman mee en dat was toch behoorlijk zwaar.
Het moest dan ook nog in alle haast gebeuren want ik deed die klus meestal onder de middagpauze tijdens de schooldagen.

Ons vader ging na zijn uren vaak helpen bij zijn broer Jef.
Nonkel Jef was ook postbode maar in bijberoep deed hij er de rademakerstiel nog bij.
Ons vader hielp hem gewoonlijk als er grote wielen voor boerenkarren moesten gemaakt worden.
Nonkel Jef woonde niet ver van ons.
Waar zich nu de parking van de Lidl bevindt, stond destijds een driewoonst.
In het linker gedeelte woonde nonkel Jef.
Hij had er ook zijn atelier.
De gronden tussen ons huis en dat van nonkel Jef waren allemaal eigendom van de Van Reusels.
Er werd wat op ‘gehoofd’, pas later werden ze volgebouwd.
Onze buurman richting Turnhout was Hein Roeymans (Hein van Moikes Pier).
Hein was cafébaas.
Als het onweerde, was Hein in alle staten.
Hij liep dan – gewapend met wijwater en palmtak – als een gek rond zijn huis, almaar zegenend, biddend en smekend om bescherming tegen de blikseminslagen.
Als de vrouwen van Berg of Looiend terug wandelden na een kerkgang, belandden ze weleens in het café van Hein van Moikes Pier.
Hein schonk dan een heel lekker bier waarin hij eieren en vermoedelijk ook suiker mengde.
Het recept heb ik nooit te pakken gekregen.
Het bier had zo’n succes dat de dames er, in alle gezelligheid, compleet lazarus van werden.
Hein heeft ooit een baby moeten achterna brengen.
Ze waren hem gewoon vergeten.

Minder leuk: een kindje uit de Metsen was gestorven en er werd me gevraagd om een dodenkransje te maken.
Dat was toen nog de traditie.
Ik ging daarvoor lissen snijden, vlocht die tot een kroontje en knutselde er mooie, witpapieren krullen in.
Ik heb het kroontje eigenhandig om het hoofdje van dat kindje gelegd.
Het bezorgt me nu nog koude rillingen.

Sinterklaas zorgde bij ons ook niet echt voor juichende vreugde.
Ooit kreeg ik twee ballen als geschenk.
Ons moeder had die zelf gemaakt van oude wol en gekleurde stofoverschotjes.
Daar werd toen gewoon geen geld aan uitgegeven.
Later, toen ik mijn plechtige communie deed, kreeg ik eindelijk echte speelgoedballen, gekocht in een winkel.

Wij liepen vroeger altijd op klompjes of klepblokjes.
Schoenen waren te duur.

Vader Nand Van Reusel, oudste zus Din en moeder Maria Verkoeyen.

Vrijwel alle meisjes droegen lange, dikke, zwarte kousen.
Bij het spelen – vooral bij het lopen en springen – waren die klompjes wel hinderlijk.
Maar alles went.
En na veel oefenen konden we er zelfs mee over die brede, diepe gracht springen, vlak bij onze school in de Kloosterstraat.
Soms kregen onze klompen en kousen het toch wel zwaar te verduren.
Al spelenderwijs sneuvelde wel eens een klomp.
We kregen dan thuis een serieuze schrobbering.
Een gat in een kous was minder erg.
Die moesten we zelf stoppen.
Ik had daar echter nogal een hekel aan, dus zocht ik naar alternatieven: met veiligheidsspelden bereikte je heel wat, maar ’t was geen gezicht.
Ik trachtte dan mijn langste kleedje aan te doen om de gaten te verbergen.
Of ik ‘leende’ gewoon een paar kousen van ons Julia.
Als die dat echter die te weten kwam, was ’t kermis!


Als herderinnetjes staan ze klaar om mee te stappen in de processie.
Maria Van Reusel, Maria Mermans, Maria Verstraelen, Elisa Cools, Josefine Meeus en Julienne Schaeken.
Een foto genomen in de meisjesschool te Retie (1928).

Als je drie oudere zussen hebt, ontsnap je uiteraard niet aan het voor de hand liggende feit dat je de kleren van die oudere zussen moet afdragen.
Als vierde in de rij droeg ik meestal kleren waar de fleur allang vanaf was.
Gelukkig werd ik er niet mee uitgelachen.
Het was voor veel mensen een moeilijke tijd en ze zaten dus allemaal zowat in hetzelfde schuitje.
Er moest zuinig worden omgesprongen met de centjes.

Ik weet nog goed dat ik in de kleuterschool zwaar heb geleden onder de dictatuur van zuster Gerarda.
De satanische straffen die zij bedacht grensden werkelijk aan complete waanzin.
Zo had ik op een keer mijn haren laten knippen in een kapseltje met vooraan een froufrou.
Toen zuster Gerarda dat de volgende dag opmerkte, werd ze razend.
Ze sleurde me hardhandig uit de bank, nam een kam en wat koud water en kamde mijn haren plat achteruit.
Ze duwde er nog enkele haarspelden in en mijn froufroutje, waar ik zo trots op was, was weg.
Alsof dat nog niet volstond, moest ik een hele voormiddag vooraan in de klas op het verhoog op mijn knieën gaan zitten, mijn armen gekruist over de borst.
Ik was toen vijf jaar.
En dit is slechts één voorbeeld.

Als ik ooit Hierboven geraak, bij Onze-Lieve-Heer in de Hemel, dan weet ik één ding zeker: ik ga daar zuster Gerarda niet tegenkomen.

Wij bakten vroeger zelf ons brood.
Enkel voor het donkere roggebrood gingen wij naar molenaar/bakker Raeymaekers in de Burchtstraat.
Die kon dat heerlijke brood het lekkerst bakken.

Vooraan in de Veldenstraat boerde de familie Lommelen.
Ik was zowat kind aan huis bij moeder Trien en haar dochter was mijn maatje.
Wij hebben daar schone uren beleefd.
Als we van school kwamen, stond dikwijls de boterstand al klaar en konden we onmiddellijk aan ’t boteren gaan.
Wij deden dat graag en als beloning kregen we een boterham met platte kaas en bruine suiker.
Heel lekker!
Nog lang daarna kon je op onze snoeten de sporen van die delicatesse zien.
Bij den Hès (Castelijns) in de Peperstraat mochten we elke zondag enkele centen besteden aan snoepgoed.
Ik kocht meestal een koek en at die zo profijtelijk mogelijk op om het plezier wat te verlengen.

Retie-kermis werd bij ons thuis goed gevierd.
Mijn zussen en ik hielpen mee om er een leuke dag van te maken.
En zeker moesten er lekkere gerechten op tafel komen.
Ons moeder zorgde voor de traditionele aardappelkroketten met groentjes en gebraad.
De frikadellen met krieken waren voor ’s avonds.
Ze hield ons goed in de gaten: we probeerden om al die lekkernijen ‘voor te proeven’, kwestie van zo de kwaliteit te checken.
Maar ons moeder had dat door.
‘Afblijven’ was de boodschap.
Ik mocht al de potten, schotels en pannen in de kelder dragen… en het duurde héél lang vooraleer ik terug boven was.

Wat ook steeds voor leuke opwinding zorgde, waren de jachtuitstappen van baron du Four en zijn gevolg.
Iedereen repte zich naar de straat om het schouwspel te bekijken.
Schallende jachthoorns, mooi uitgedoste jagers te paard en een hele warwinkel van honden daar omheen.
Met veel bombarie trokken ze naar Oud-Turnhout of Arendonk.
Schitterend!
Ik moet ook vertellen dat baron du Four, in ’t gewone dagelijkse leven, een heel minzame man was.
Hij had voor iedereen een hartelijke groet over.
Voor dames en juffrouwen lichtte hij eventjes zijn hoed of pet en een subtiel hoofdknikje volgde.
Een echte gentleman.
Later had ik het geluk om een van zijn dochters te ontmoeten die voor ons huis uit de bus stapte.
Ik herinner me nog haar prachtig, zomers toiletje en vooral: haar hemels parfum.
Zoiets kenden wij op de buiten helemaal niet.
Het was zo’n aangenaam, bloemig aroom; ik was er echt van onder de indruk.
Een half uurtje later moest ik naar de winkel bij Mit van To Mathé (Mit Aarts-Leysen) in de Peperstraat.
En raar maar waar, daar hing dezelfde bedwelmende geur.
Mit vertelde me dat juffrouw du Four in de winkel was geweest.
En nu, na zoveel jaren, geloof ik dat ik die heerlijke geur nóg altijd zou herkennen.

Toen ik wat ouder was, mocht ik van thuis al eens een keertje uitgaan.
Doch, meestal kwam daar niet veel van terecht.
Mijn krappe spaarpot liet dat niet toe.
Ik herinner me nog dat zondags met Retie-kermis na het lof, zo tegen een uur of vier, de danstenten hun deuren openden.

Trots toont Maria haar witte plechtige communiekleedje.
In 1930 was dat nog vrij uitzonderlijk.

En al danste je nog zo graag, als je de entree niet kon betalen, raakte je niet binnen.
Vreselijk vond ik dat.
Het beterde toen ik zowat verkering kreeg met onze Staf (Gustaaf Crols, alias: Staf van Biljèrken).


Enkele Retiese kajotsters in 1936: Lieneke Staes, Bertha Melis, Julia Slegers, Maria Van Reusel en Emma Melis.

Onze Staf deed metserklusjes in het bedrijf van zijn vader en verdiende zo wat zakcentjes.
Later, toen het dik aan was tussen ons, betaalde hij zelfs mijn kapperskosten.
Ik kreeg van hem eens een permanent cadeau en zo fier als een tikkenhaan trok ik naar het kapsalon om de sierlijke krullen te laten zetten.
Helaas, er haperde iets aan de droogkap en mijn haar was half verzengd!
Ik durfde niet meer buiten komen.
Opnieuw ging Retie-kermis aan mij voorbij!
De keren dat het wél lukte om met onze Staf te gaan dansen in onze favoriete danstent van Fons Van Bael… ging ons moeder mee!
En soms ook nog enkele tantes!
Controle moest er zijn!

Ik heb lange tijd thuis gewerkt, hielp ons moeder waar ik kon, maar ik verlangde toch stilaan iets meer van het leven.
Na lang dreinen mocht ik van ons moeder gaan helpen bij ons Julia.
Zij was een zelfstandige naaister.
Ik leerde daar de stiel en na een tijdje verdiende ik mijn eigen centjes.
Ons moeder eiste wel dat ik, alvorens naar ons Julia te gaan, thuis eerst alle huishoudelijke taken aan de kant had.
Ik moest daarvoor ’s morgens om vier opstaan, maar dat had ik er voor over.
Een bijkomend extraatje: ons Julia woonde op de Turnhoutsebaan, schuin over het ouderhuis van onze Staf.
Door te gaan werken bij ons Julia zag ik onze Staf toch een paar keer per dag.
Voor een verliefde jonge meid is dat van onschatbare waarde, weet je wel.


Een paar keer per jaar reden we naar Antwerpen om er nieuwe – meestal goedkope – stoffen aan te kopen.
Ons moeder reed altijd mee.
Eerst met de fiets naar Mol en van daaruit met de trein naar de Scheldestad.
Omdat onze va bij de post werkte, reden we gratis met het openbaar vervoer.
Ons moeder was, wat je noemt, nogal aan de zware kant en ze was altijd doodop al we terug in Mol aankwamen.
Toch zag je haar zienderogen opkikkeren als we met de fiets naar huis reden.
Die fietstocht was voor haar zowat hetzelfde als relaxen in een zetel, beweerde ze.

In 1938 trouwden we, onze Staf en ik.
We zijn bij zijn vader en stiefmoeder ingetrokken, op de Turnhoutsebaan (rechtover Zjowanneke).
De echte moeder van onze Staf is jong gestorven aan de gevolgen van de vreselijke Spaanse Griep.
Onze Staf was toen amper drie jaar.
Zijn vader hertrouwde later, maar voor de kinderen uit het eerste huwelijk werd het moeilijk.
Bovendien overleed zijn vader ook veel te vroeg.
Een medische blunder die faliekant afliep, was daarvan de oorzaak.
Noodgedwongen nam onze Staf het aannemersbedrijfje over en moest hij zijn grote droom vaarwel zeggen.
Onze Staf volgde al jaren tekenlessen in Turnhout.
Hij wou heel graag architect worden.

Onze Staf heeft hard gewerkt.
Voor baron du Four deed hij alle herstelklussen aan het kasteel, de paardenstallen, de Klein Hoef en de andere eigendommen.
Bij reparaties aan het dak of de toren van het kasteel voelde onze Staf zich erg ongemakkelijk.
De hoogte schrikte hem toch wel af.

Frans Slegers (Frans van de Hoef) was destijds kastelein op de Klein Hoef en, in opdracht van baron du Four, belast met het uitbetalen van personeel, leveranciers en de externe kosten.
Ook onze Staf moest bij hem zijn rekeningen binnenbrengen.
En daar kwam altijd trammelant van.
Het bedillerige Franske beknibbelde en vitte op álles en de rekeningen waren altijd veel te hoog!
Heel onaangenaam was dat.

In het centrum van Retie heeft onze Staf ook veel gebouwen en verbouwingen afgeleverd.
Hij zorgde voor alles: het plan tekende hij dikwijls zelf, ruwbouw en afwerking nam hij ook voor zijn rekening.
De mensen konden dat wel appreciëren.
Het pijnlijkste kantje aan de zaak was de financiële onzekerheid.
Het waren moeilijke tijden: recessie na de economische crisis van 1929, mobilisatie, oorlog, langzaam herstel van de economie na de Tweede Wereldoorlog.
Veel mensen waren in financiële moeilijkheden geraakt en konden de afbetalingen niet meer aan.
Zo werd het voor ons, helaas, ook moeilijk.
De frankskens kwamen maar moeizaam binnen.

Tijdens de mobilisatie in 1939 werd onze Staf ingedeeld bij de genietroepen.
Toevallig verbleven zij een lange tijd in Retie.
Bij ons werden ook Belgische soldaten ingekwartierd.
Dat viel allemaal best mee… totdat de echtgenotes en verloofdes wisten waar hun respectieve soldaatjes zich ophielden.

Op 31 mei 1938 trouwden Maria en Staf in Retie.

Vervuld van liefde en lust kwamen ze zich in de armen stortten van hun geliefden.
Elke slaapkamer werd ingepalmd en wij werden vreemden in ons eigen huis.
Blij dat dat afgelopen was.
Een beetje uit verveling knutselden de soldaten een bedje in elkaar voor ons pasgeboren Marèsje.
Ze gebruikten daarvoor stevige stellingplanken.
Het bedje heeft daarna nog lang dienst gedaan.


De vier zussen Van Reusel bij Maria thuis aan de Turnhoutsebaan.
Maria, Julia, Paula en Din.
Een foto uit 1952.

Toen de oorlog uitbrak, zijn wij ook gaan vluchten.
Met onze fietsen vatten we de reis aan naar de Vlaanders.
Bij gebrek aan iets beters voerde ik ons Marèsje mee in een kartonnen doos, achteraan op de bagagedrager.
We zijn tot over de IJzer geraakt.
Als laatsten mochten wij mee met een veerpont vol soldatenvolk, naar de overkant.
De bruggen waren toen al vernield.
We merkten al snel dat het daar allerminst veilig was.
Er waren regelmatig felle beschietingen en bombardementen van de Duitsers.
Dus best zo vlug mogelijk naar huis!
In Retie waren de Duitsers al baas.
Ze zaten overal.
Soms verzamelden ze zich voor ons huis aan de Turnhoutsebaan, hoog gezeten op hun paarden.
We hoorden duidelijk hun barse commando’s, het hinniken, blazen en het stampen op de kasseien van de paarden.
Gaan kijken durfden we amper.
Veel te gevaarlijk!
Op een mooie morgen ging ik melk halen bij boer Dewachter in de Metsen.
Uit het niets dook plots een Duits jachtvliegtuigje op.
Het kwam recht naar me toe.
Met de schrik van mijn leven spurtte ik naar de boerderij en verschool me achter de gevel.
Ik hoorde ratelend machinegeschut.
Ze hadden het blijkbaar niet op mij gemunt maar op een Belgische legerauto, die wat verder op de weg reed.
De auto werd helemaal doorzeefd en alle vier de inzittenden waren dood.
Een keelbeklemmende ervaring.

Onze Staf werd in het begin van de oorlog al krijgsgevangen gemaakt en weggevoerd naar een kamp in Wijnegem.
De krijgsgevangenen mochten wel bezoek ontvangen.
Ik ben daar enkele keren met de fiets naartoe gereden.
’s Morgens vroeg vertrokken en ’s avonds laat terug thuis.
En lieve God, dat waren moeilijke dagen.
De onzekerheid en de angst; wij wisten uit de verhalen over de Eerste Wereldoorlog tot wat de Duitsers in staat waren.
Uiteindelijk liep alles nog goed af.
Na de capitulatie van onze koning Leopold III werden talrijke, vooral Vlaamse krijgsgevangenen snel vrijgelaten.


Na de oorlog zij we verhuisd naar een huurhuis in de Sint-Martinusstraat, net naast bakker Filip Breugelmans (nu gesitueerd ter hoogte van de woning Jos Van Herck-Rommens).
Filip bakte zijn brood nog op traditionele wijze.
Hij kneedde het deeg met zijn blote voeten en de oven werd gestookt met mutserdhout.
De voorraad mutserds lag hoog opgestapeld in zijn hof.
Ongelukkig, op een nacht vatte de bakkerij vuur en het werd een ernstige brand met hoog opslaande vlammen.
Onze Staf had zijn stellingen vlak bij de bakkerij liggen.
Ook die gingen in de vlammen op.
Na enkele jaren verhuisden we terug naar de Turnhoutsebaan.
We hadden een mooi, nieuw huis gebouwd naast de ouderlijke woning van onze Staf.
Ik heb er zevenenzestig jaar heel graag gewoond.

En nu woon ik hier in Mol, heel wat bescheidener.
Ik heb spijt dat de fraaie massief eiken tafel niet is meeverhuisd.
We hadden die destijds laten maken door Jan Goris uit de Peperstraat.
Het is een prachtexemplaar.
Helaas ben ik hier te klein behuisd.
Het had een extra mooie herinnering geweest aan thuis… én aan mijn geliefde Retie…

Guy Aarts