Even voorstellen...Maria Meulemans

Maria Meulemans


Maria Meulemans: goedlachs en genegen...

Ik mocht voor u het volgende noteren: Maria is het oudste kind van Arendonkenaar War (Eduard) Meulemans en Leonie Van Herck.

Zij is geboren op 18 februari 1933.
Haar ouders waren boerenmensen met het hart op de juiste plaats.
Zij stichtten een groot, schoon gezin, waar gastvrijheid en hulpvaardigheid de normaalste zaken ter wereld waren.
Maria groeide op in deze hardwerkende, godsvruchtige familie en zij kreeg de voornoemde kostbare hoedanigheden van haar ouders mee.
Zij zal nu verhalen over haar jonge jaren, over de mooie dagen, al zaten daar ook wel eens scherpe kantjes aan.
Het vertellen gaat vlot en gemoedelijk.
En wat opvalt: al leek het leven vroeger heel wat moeilijker of gevaarlijker, er werd toch veel plezier gemaakt!

Om het met de woorden van Maria te zeggen: 't Hing vroeger toch allemaal wat beter aaneen...'



Ik ga een klein bekentenisje doen: onze Wiet (Louis) en ik zijn geboren in de Burchtstraat (nr. 8) naast Pol van Fikske (Melis).
Ook al voelen we ons volbloed 'Bergenaars', van geboorte zijn we dus 'Mètschijters'!
We verhuisden in 1936 met ons gezinnetje naar de huurboerderij van Melles (Melis) aan de Schoon-broekse dijk.
In 1939 trokken we in bij mijn grootouders langs moeders kant: Louis Van Herck en Mie (Maria) Van Dael.
Zij boerden op de Berg nr. 34.

Mijn grootvader Louis Van Herck kwam tragisch om het leven in een verkeersongeval.
Hij was met de fiets naar Turnhout gereden om er een nieuwe 'patatstomper' te gaan kopen.
Op weg naar huis moest hij uitwijken voor tegenliggende fietsers, kwam daardoor op de rijbaan terecht en werd gegrepen door een auto.
Grootvader overleefde de klap niet.

Grootmoeder Mie van Dael bleef achter met de jongste kinderen.
Mijn ouders namen dan de boerderij over, met alles erop en eraan, incluis alle bewoners.

En dat waren er nogal wat: om te beginnen ons gezinnetje, dat nog in volle uitbreiding was, grootmoeder Mie Van Dael en haar broer Jef, overgrootvader Jan Baptist Van Dael, de tantes Gusta en Céline Van Herck (zusters van ons moe), nonkel Gust Van Herck (haar broer), en Peer Claes.
Peer was de knecht op de boerderij.
Hij was een wees, afkomstig uit Schoonbroek, en altijd 'jonkman' gebleven.
Hij was zo'n goeie duts, altijd goedgezind en hij bakte voor ons, 's morgens voor we naar school gingen, de lekkerste eierstruif.
Ik weet nog dat Peer elke week 200 frank pree kreeg van ons moe en dat hij daar heel blij mee was.

Dat woonde dus allemaal onder één dak!
In de slaapkamers sliepen we noodgedwongen met meerderen in een bed.
Alleen Jef Van Dael, die een mank been had, wilde geen bijslaper!
Hij kon niets uitstaan aan dat slecht been.
Wij aten allemaal samen aan een grote tafel.
Grootmoe Mie Van Dael bakte toen het brood nog zelf en zij kneedde het deeg in een grote 'moel' (baktrog).
Behoorlijk zwaar werk was dat en na de middag dutte zij meestal in van pure vermoeienis.

De tuin werd door een lang, recht pad in twee gedeeld.
Het pad was afgeboord met rode en witte bessenstruiken.
Overgrootvader Jan Baptist Van Dael zat altijd buiten op een stoel tegen de achtergevel als 't mooi weer was.
Hij telde toen al heel wat jaartjes.
Toch was hij nog verzot op die rode en witte bessen maar de besjes zelf plukken was voor overgrootvader te moeilijk, dus deden onze Wiet en ik dat voor hem.
Als beloning kregen we dan elk een borstbol.
Het vervelende was dat overgrootvader die in zijn zakdoek bewaarde en we eerst een kwartier op onze borstbol moesten 'zabberen' voor de stofpluisjes eraf waren.
Elke avond werd er een rozenhoedje gebeden.
Onze va bad voor.
Als wij tijdens het bidden toch een tikkeltje te hard aan 't fikfakken gingen, verlengde hij simpelweg het rozenhoedje tot een rozenkrans!
Streng kon hij wel zijn, maar hij had toch ook zijn goede kanten.
En hij kende van die mooie, oude gezegden, bv.: 'Achter elke haag kan je schutten (schuilen), maar hij kroop achter een buntspriet' (d.w.z. hij had de verkeerdekeuze gemaakt)!

De kleine Maria Meulemans, zowat drie jaar oud, op wandel in de boerderijtuin van haar grootouders op de Berg.
In 1939 namen haar ouders de boerderij over.

Mooi, toch?
Het was bij ons vroeger echt 'de zoeten inval'.
Er waren altijd wel kinderen uit de buurt die kwamen mee ravotten, familie of kennissen die kwamen buurten of helpen op de boerderij.
Voor ons, als kind, bood de boerderij natuurlijk ook tal van speelmogelijkheden.
Ons vader heeft ooit gezegd dat we rond de boerderij niets meer moesten oprommelen of opkuisen!
Dat was nochtans ons wekelijks karweitje op zaterdag.
Maar het zat bij ons binnen de kortste tijd tóch weer vol met 'snotjong' en al dat werk was dan tóch weer voor niks geweest!
Een zalige tijd!


Vooraanzicht van de boerderij Meulemans- Van Herck.
De stal (rechts) is ouder dan het woonhuis. Een foto uit 1953.

We gingen naar school langs het 'Bergs paadje', altijd te voet.
Het paadje liep naast onze boerderij richting de windmolen Den Heerser, boog om naar de Biezenstraat en eindigde aan de Turnhoutsebaan (nu ter hoogte van Bloemen en planten Guido Gijs).
We droegen zomer en winter klompen.
Als 't fel gesneeuwd had, plakte de sneeuw aan de onderkant van onze klompen vast.
Het werden dikke sneeuwhompen en dat was raar lopen!

Onze Wiet was een fervente liefhebber van kattenkwaad uithalen onderweg.
En per seizoen varieerde dat.
In het najaar 'leende' hij uit het kasteelpark van baron du Four nogal wat kastanjes.
Dat lukte meestal vrij goed en het schillen van de kastanjes gebeurde met mesjes uit onze Wiet zijn messenarsenaal.
Die mesjes verkreeg hij door spijkers te laten platrijden door de tram.
Hij kreeg het wel eens aan de stok met Sus van de Scheper (Frans Smets), de boswachter van de baron, en dan was het kastanjeavontuur voor onbepaalde tijd bekoeld.

In de eerste kleuterklas zat ik bij juffrouw Julia Van Woensel.
In de tweede klas bij masoeur Gerarda.
We zaten toen in lange banken, met vijf naast elkaar.
Dat bracht heel wat 'gehannes' mee vooraleer iedereen op zijn plaats zat.
In het eerste en tweede leerjaar zat ik bij juffrouw Anna.
Elodie Sneyers was onze juffrouw in het derde en vierde leerjaar.
Zij was een plichtbewuste, goede lerares.

Ook buiten de lessen was zij een aangename, bezorgde juffrouw.
Als we 's morgens heel vroeg op de speelplaats arriveerden, mochten we soms haar boekentas dragen.
Dat is mij meermaals gelukt en wat was ik daar fier op!
In het vijfde leerjaar kregen we les van masoeur Leonarda, in het zesde van masoeur Antonia.
Ik geloof dat we toen 's morgens het eerste uur godsdienstles kregen, het tweede uur rekenen, het derde uur lezen en het vierde uur vaderlandse geschiedenis.
Na de middag: aardrijkskunde en handwerk.

Soms gingen wij 's middags naar huis eten maar ik weet ook nog dat we de middagen doorbrachten bij Jef Van Herck en Melanie Cuypers op de Turnhoutsebaan om onze boterhammen op te eten.
Later gingen we bij Jef Crèmeglas (Jozef Smeyers), ook op de Turnhoutsebaan.

Elk jaar in januari hield de Sint-Sebastiaansgilde van Retie haar teerfeest in café-hotel De Keizer op de Markt, bij Jeanette en Lisa Crols.
En van teren hadden ze vroeger verstand: drie dagen werd er gevierd: donderdag, vrijdag en zaterdag vóór 20 januari, de feestdag van Sint-Sebastiaan!
De kinderen van de gildeleden hadden het voorrecht om tijdens de middagpauze donker bier te mogen gaan drinken in De Keizer.
Het was een zeer smakelijk, zoet bier met een heel laag alcoholgehalte.
Voor ons was dat een feest en wij voelden ons al een hele Mie of Jan!

Juffrouw Anna leerde ons tal van huishoudelijke zaken aan in het zevende leerjaar.
We werden ook flink geoefend in handwerken.
Alle meisjes moesten dat jaar een groot breiwerk afleveren.
Behalve ik!
Ik was een kei geworden in 't kousen stoppen door het vele stopwerk thuis.
En ik deed niets liever!
Toen ik aan juffrouw Anna mijn stopkunsten toonde, mocht ik het hele jaar door deze activiteit uitoefenen.
Ik heb toen genoeg kousen gestopt voor de rest van mijn leven!
Tijdens het achtste leerjaar, nog voor ik veertien jaar werd, moest ik van school thuisblijven om te helpen in het huishouden en op de boerderij.
Eigenlijk was toen mijn kindertijd al voorbij.


1938: Schoolfoto van de kleutertjes Wiet en Maria Meulemans.

Er moest flink gewerkt worden op het boerenbedrijf, zeker in het hoogseizoen van oogsten en rooien.
Het huishouden kwam ook ten dele op mijn schouders.
Ons moe sukkelde met chronische rugpijnen en kon al dat werk niet meer aan.
Kwam daar nog bij dat ik ook bij de buren ging helpen, als daar de boerin ziek viel of moest bevallen.
Zo ging dat toen.


Maria Meulemans poseert voor de schoolfotograaf in 1940.
Het decor werd rijkelijk opgevuld met bloeiende geraniums.

In 't begin van de oorlog, mei 1940, lag Arendonk zwaar onder Duits vuur.
De Duitsers bestookten constant met kanongeschut het dorpscentrum vanaf de Turnhoutse vaart.
Veel Arendonkers namen de vlucht naar Schoonbroek of Retie.
Zo ook het gezin Meulemans, familie van ons vader.
Het was al laat op de avond toen ze bij ons aankwamen.
Ze vroegen om te mogen overnachten.
Na een snelle reorganisatie van onze toch al goed bevolkte slaapkamers, kregen zij hun plaatsje toegewezen.
Toen de Arendonkse Meulemansen 's morgens vernamen dat de Duitsers Arendonk en Schoonbroek bezet hadden en het oorlogsgeweld heel goed meeviel, keerden zij onmiddellijk terug naar huis.
Zij hadden ook een boerderij en de beesten moesten gevoederd en gemolken worden.
Toch bleven er nog hachelijke situaties ontstaan.
Ik weet nog dat Duitse vliegers de Belgische legercamions op de Turnhoutsebaan fel bombardeerden.
Die luchtaanvallen waren alarmerend en schrikwekkend.
Zo kwamen wij op een dag 's namiddags van school en omdat de toestand zo gevaarlijk was, werden we begeleid door juffrouw Elodie Sneyers.
Plots doken er Duitse jachtvliegtuigen op en scheerden laag over het Horzelend.
Bliksemsnel reageerde juffrouw Elodie, dwong ons om vliegensvlug op onze buik in het nabije grachtje te gaan liggen.
Gelukkig kwamen we er met de schrik vanaf.
Omdat de toestand toch te gevaarlijk bleef, sloot men de scholen.
Het Duitse leger nam trouwens zijn intrek in de schoolgebouwen.
De kinderen van Looiend, Berg en Obroek moesten toen in Schoonbroek naar school.
En dat viel tegen!
Daar werd elke dag huiswerk meegegeven en dat waren we niet gewoon.


Bij ons op de boerderij werden ook een vijftal Duitse soldaten ingekwartierd.
Het was paardenvolk en ze stalden hun paarden in onze schuur.
Ze probeerden vriendelijk te zijn en sommigen kenden ook wel wat van de boerenstiel.
De Duitsers bezorgden mijn ouders zo weinig mogelijk overlast en al bij al waren zij nog de kwaadsten niet.
Ik herinner me nog dat ze na een tijdje ook wat 'Reties' hadden geleerd en dat ze, als ze dichtbij kwamen, altijd een ledergeur achterlieten.
Onder de 'afhang' (afdak) van de schuur had een Duitse gareelmaker zijn werkplaats ingericht.
Hij moest het paardengetuig onderhouden en herstellen.
Zijn naam was Hanz en hij was de vriendelijkste van de groep.
Toen hij op een keer ons Celia (Cecilia) op de arm nam — zij was een ukje van jaar of twee — zagen we dat het hem recht aan het hart ging.
Hij had in der Heimat ook zo ein kleines Töchterchen (dochtertje).

Het bezoekje van twee Duitse officieren staat ook nog in mijn geheugen gegrift!
Met veel bombarie kwamen zij de huiskamer binnen, hun hoge, stijve kepies onder de arm.
Ze eisten essen mit Kartoffeln und Zwiebeln (een maaltijd met aardappelen en uien)!
Buiten het woordje 'essen' verstonden wij er geen jota van!
Ze lazen blijkbaar het onbegrip in onze ogen en met harde, barse woorden — hoogstwaarschijnlijk verwensingen — verlieten ze de boerderij.
Wij waren blij dat ze weg waren!

Nonkel Gust Van Herck werd opgeroepen om ons land te helpen verdedigen.
Op 12 mei 1940 reed hij, samen met nog een twintigtal andere jongens van Berg, Looiend en Horzelend, per fiets naar Eeklo voor een korte opleiding.
Door de snelle Duitse opmars liep alles in 't honderd en ze trokken verder naar Brugge.
Van daar naar Ieper, Poperinge, en zo Frankrijk in.
Nog steeds per fiets werd er een hele afstand afgelegd in Frankrijk.
Uiteindelijk lieten ze hun fietsen achter en spoorden ze met de trein naar het zuiden, tot aan de Middellandse Zee.
Daar werden ze verplicht om naar Zwitserland te gaan werken.
Dus met de trein naar Zwitserland, waar de meesten bij een boer werden tewerkgesteld.
Na de winter, begin 1941, kregen ze bericht dat ze naar huis mochten.
Voor nonkel Gust duurde dat echter allemaal veel te lang en hij trok er, samen met twee lotgenoten, vanonder.
Helaas, voorbij de Duitse grens werden ze opgepakt door Duitse wachters en belandden ze in de gevangenis.
Ten slotte kwamen onze drie Retienaren toch vrij en op 2 augustus 1941 was nonkel Gust terug thuis.

Die Retiese groep mannen die tot in Zwitserland waren gevlucht, werden later 'de Zwitsers' genoemd.


War Meulemans en Leonie Van Herck nemen een pauze tijdens het aardappelen rooien.
Een foto genomen op de Schoonbroekse akker in 1942.


Op deze foto uit 1953 zien we o.a. de kleine Det, Lieva, Celia, Irène en Jef Meulemans in actie op de dries voor hun woning.
Achteraan is de schuur met de paardenstal, de afhang en de lozie te zien.
De schuur had een strooien dakbedekking en ieder jaar kwamen Desselse dakdekkers voor het nodige onderhoud.

Voor nonkel Gust was het einde van de miserie nog niet voorbij, want in 1942 werd hij opgeroepen als 'verplicht tewerkgestelde'.
Nonkel Gust moest van dan af onderduiken.
Op het einde van de oorlog kregen we onze Antwerpse familie nog als logé.
Door de inslaande V1 en V2 bommen was het in Antwerpen levensgevaarlijk geworden.

De Engelsen hadden na de bevrijding een bevoorradingspost opgericht op het Horzelend en enkele Retienaren werden er aangeworven om wat praktische klusjes uit te voeren.
Gène Feinen (Eugeen Feyen) uit de Gildenstraat was een van hen.
Een brave mens.
Als de kust veilig was, gebeurde het wel eens dat hij onze jaszakken vol rijst stopte.
Soms gaf hij wat chocolade of een wit brood mee.
Dan waren wij de gelukkigste kinderen van de wereld!

Wat ons ook gelukkig kon maken, waren de bezoekjes van tante Anna Van Dael (een tante van ons moe) uit Antwerpen.
Zij had daar 'een commerce' en verdiende goed de kost.
Tante bracht gewoonlijk lekkere vis mee, meestal haring.
Om duimen en vingers bij af te likken!
Maar wat nog leuker was: de prachtige kleren die ze meebracht voor ons!
Het waren afdankertjes van haar kinderen, maar ze waren nog zo goed als nieuw.
Zo'n mooie, modieuze kleren zag je niet vaak op de boerenbuiten, en wij pronkten er wel eens mee.

Af en toe kregen we bezoek van Rie Van Bladel, een leurder uit Turnhout.
Hij ging 'den boer op' met zijn fiets afgeladen vol met forse pakken ellegoed en werkkleding.
Ik vond het heerlijk als hij zijn waren uitstalde.
En nog gelukkiger werd ik als ik wat nieuwe spulletjes kreeg!

Later kleurde de BJB (Boerin-nenjeugdbond) mijn jonge leven.
Ik vond het fijn om aan de activiteiten deel te nemen, het was voor mij echt ontspanning.
Al snel werd ik opgenomen in het bestuur, ook dat heb ik altijd met plezier gedaan.


Op de Berg, achter de boerderij Meulemans-Van Herck, v.l.n.r.: Anna Hoskens, Maria Smets, Maria Meulemans; achteraan: Maria Van Dael en Wieza Meulemans.
Het maïsveld was een primeur in Retie.
In 1953 was de nu allesoverheersende maïsteelt nog niet geïntegreerd.
Een foto uit 1953.


Een trotse Maria Meulemans in haar BJB-uniform.
Een foto uit 1953.





Op 9 mei 1955 trouwden Karel en Maria Smets-Meulemans.
Ze huurden daarvoor de auto van Jos van de Keizer.
     Jos had de mooiste wagen van het dorp en hij wist dat aardig     
te verzilveren: 500 fr. per dag was de huurprijs!
Een aanzienlijk bedrag in die tijd.
De foto is genomen in Wenen.

Het allerleukst vond ik het toneelspelen.
Maria Van den Eynde was een van de voortrekkers en speelde prachtige rollen.
Het was buitengewoon aangenaam om, samen met haar en een fel begeesterd team, de rollen in te studeren om uiteindelijk zo tot een schitterende voorstelling te komen.
Als ik diep in mijn geheugen graaf, kan ik nog hele flarden tekst tevoorschijn toveren.
De jaarlijkse driedaagse studiedagen van de BJB gingen door in O.-L.-V. Waver.
Omdat ik thuis maar moeilijk gemist kon worden, mocht ik alleen maar de laatste dag naar de bijeenkomst gaan.
Sie (Lucie) Adriaensen zat zowat in hetzelfde schuitje en mocht ook alleen de laatste dag mee.
Onderpastoor Jozef Wouters toonde dan zijn groot hart en zou met ons meerijden.
Met zijn brommer!
Hij op kop, wij erachteraan met de fiets!
En gaandeweg dreef onze lieve proost de snelheid op, moesten wij de ziel uit ons lijf fietsen om hem te kunnen volgen en kwamen we 'stikkapot' in O.-L.-V. Waver aan!

Uitgaan was vroeger uit den boze.
Toch mocht ik een keertje met Retie-kermis naar een danstent gaan.
Niet met vriendinnen maar... met ons moe en buurvrouw Leonie Smets!
Ambiance verzekerd!
Ik was achttien toen ik voor de eerste keer naar een bal mocht.
Later werden de huisregels wat minder streng.

Zo verliep mijn jonge leventje.
En dan leer je iemand kennen die je heel graag ziet en waar je samen een nieuw leven mee wilt opbouwen.
Op 9 mei 1955 trouwden we, Karel Smets en ik, en verliet ik voorgoed dat ouwe trouwe gehucht Berg.





Aanvulling

De Berendonkse Hoeve is de enige overblijvende van de vier grote hoeven die de Postelse abdij in Arendonk bezat.
De hoeve werd als monument geklasseerd in 1976.
Volgens de jaartalankers in de zijpuntgevel werd de hoeve gebouwd in 1756, maar vermoedelijk was ze veel ouder.
In het cijnsboek is reeds in 1368 een melding van een hoeve met tiendenschuur, in 1373 overgedragen aan de abdij van Postel.


De Berendonkse Hoeve.

In 1794 - onder Frans bewind - werd ook de Kempen geteisterd door de goddeloze Franse troepen.
Zoals verwacht, werd ook de Postelse abdij aangeslagen.
Aanvankelijk bleef de schade beperkt, maar al vlug werd een immens zware krijgsbelasting aan de abdij opgelegd.
De prior moest noodgedwongen overgaan tot de verkoop van verscheidene abdijeigendommen en zo kwam ook de Berendonkse Hoeve onder de hamer.
Op vrijdag 10 december 1794 werd op het gemeentehuis in Arendonk de hoeve verkocht voor 4.900 gulden aan Jan Baptist Meulemans.
Jan Baptist werd in 1756 in Haacht geboren en huwde in 1791 in Vorst met de Arendonkse Catharina Wynants.
Zij vestigden zich te Arendonk en kregen er veertien kinderen.

Bovengenoemde Jan Baptist Meulemans was de betovergrootvader van War (Eduard) Meulemans, de vader van Maria.
Jan Baptist was zeker niet onbemiddeld.
Een boerderij, gebouwd in baksteen, gold in die jaren als een zeldzaamheid en was vrijwel onbetaalbaar.
Het merendeel van de Kempense boerderijen bestond nog uit hout en leem.
De 'roots' van vele Arendonkse 'Meulemansen' liggen in de Berendonkse Hoeve.


Guy Aarts