Even voorstellen...Marcel Adriaensen

Marcel Adriaensen

De meeste van deze anecdotes zijn 65 jaar geleden opgevangen door een toen 15 jarige.
Ze waren gewoonlijk het voorspel van een partijtje wiezen voor 70-plussers.’

Zo staat het op de eerste bladzijde in het groene werkschriftje van Marcel. Dan volgt er een rist korte verhaaltjes, anekdotes, herinneringen uit de depressiejaren tussen de twee Wereldoorlogen. Het zijn stukjes uit een vervlogen werkelijkheid, uit een wereld waar een strenge sociale en religieuze controle heerste en het aangewezen was om netjes binnen de lijntjes te kleuren. Iedereen kende er iedereen. Maar mensen blijven mensen, en ondanks de vaak harde leefomstandigheden zocht men naar vertier en plezier, gleed men hier en daar al eens af naar het randje van het triviale.

De 15-jarige Marcel Adriaensen ving een fractie van deze volkse historietjes op en schreef ze, zoveel jaren later, in het bovenvernoemd schriftje. Het gaat meestal over Reties of Werbeeks volk, vaak genoemd met hun bijnamen. De thema’s zijn divers: humor, tragiek, capriolen en strapatsen, plagerijen. Op de volgende pagina’s is een losse greep uit deze anekdotes weergegeven.

Marcel en ik, wij kennen elkaar al lang. En ik weet: hij is geen tafelspringer of hoge-borst-klopper. Bijlange niet. Marcel is gewoon... Marcel: bescheiden, aimabel, boerenzoon, boekdrukker en Werbekenaar. Vooral dat laatste is belangrijk. Geboren in de schaduw van het genaderijke Mariaoord (15 november 1930) en getogen onder de hoge, breedgekruinde lindebomen, lijkt begeestering nooit veraf. Bij Marcel vertaalt dat zich in een schrander verstand, een benijdenswaardig geheugen en de heerlijke gave om te vertellen.
Als hij aan ’t vertellen gaat, zie je hoe hij – bij plezierige passages – een prettige twinkel in de ogen krijgt. Hoe hij met heel zijn wezen opnieuw de leutigheden beleeft en het hem nóg deugd doet!

Ik wil Marcel graag bedanken voor het ontlenen van zijn ‘groen boekje’. En ik wil hem bij dezen aanmoedigen om het boekje aan te vullen, om de leuke lotgevallen uit het verleden te blijven noteren. Want ook onze volkse malligheidjes behoren tot de folklore. En folklore hoort dan weer bij heemkunde.
Het geeft er net dat mooie, gekleurde randje aan!


Guy Aarts    


Marcel met zijn jongste kleinkind Jeroen.




De strafste...

Over Gust Verhaert, de smid en fantast: ‘Ik was vroeger heel sterk en door mijn kracht sloeg ik eens een stuk van het aambeeld.
Wel, ik ging er op mijn knieën voor zitten en zoog er terug een punt aan!’


Kêreles Tist vertelt...

‘Ik kwam na gedane dagtaak in Postel aan de vaart en daar werd ik verrast door een “grellige” onweersbui.
Ik trok vlug mijn kleren uit, stopte ze onder een strooiselhoop en dook tot mijn nek in de vaart.
Dan maar wachten tot het onweer over was om mijn kleren terug aan te trekken.
Zo bleef ik “begot” toch droog!’


Adellijke kracht...?

Graaf de Broqueville beval aan zijn werknemers om een zware eik te vellen.
Deze dreigde naar de verkeerde kant te vallen en de graaf stelde voor om in de top van de boom een zeel te laten vastbinden, om hem naar de andere kant te kunnen trekken.
Ook de graaf zou met al zijn kracht meetrekken.
Maar helaas, het zeel brak en de vier werknemers tuimelden holderdebolder achterover.... alleen de graaf bleef rechtstaan...!


Niet rechtvaardig...

De Grote Van Mechelen, die de naam had er nogal warmpjes in te zitten, was overleden.
Van Mechelen had wat familiebanden met de op de Markt wonende Tuur Van de Pas en kwam er tijdens zijn leven, na de hoogmis, zijn voeten nogal eens warmen onder de koffietafel.
De afgestorvene was echter vergeten om Tuur in zijn testament op te nemen en Tuur was zo ontgoocheld over zo weinig erkentelijkheid dat, wanneer andere familieleden vroegen welke ceremonieën te gebruiken om Van Mechelen naar zijn laatste rustplaats te begeleiden, Tuur nogal cru stelde: “hangt ’em maar onder den oets” (voertuig voor bomentransport)!


Vooruitgang...

Dokter Mathé kwam met zijn spiksplinternieuwe fiets op huisbezoek en voorspelde aan de talrijke, bewonderende kijkers: ‘...het zal ooit nog eens zo ver komen dat de boeren met zo’n ding naar Postel zullen gaan strooisel kappen...!’
De boerenmensen stonden perplex en konden niet geloven dat dergelijke luxe ooit mogelijk zou zijn...


Donderpreken...

Om de vier jaar trokken de bruine paters van parochie tot parochie om de kerkgangers een week lang eens extra op hun christelijke plichten te wijzen.
Vooral pater Vitus en pater Pascalius hadden zo’n sterk stembereik dat ze met hun donderpreken over hel en verdoemenis, volgens Jan Teen: de houtworm uit de preekstoel konden houden!
Pater Vitus kon zo tekeergaan dat Tuur Van de Pas, die op de Markt woonde, vond dat zijn geit er zo onrustig van werd dat hij ze niet meer staande kon houden om ze te melken.
De preken over het zesde gebod (onkuisheid) trokken toch de meeste aandacht.
Dan zag de kerk zwart van het volk.
Pater Pascalius vond dat jonge mensen niet langer dan een jaar verkering mochten hebben omdat anders de zonde van het vlees te veel kans zou krijgen.


Vermoeiend...

Soms kwamen er ‘hardlopers’ op bezoek.
Dat waren mannen die, voor wat geld, dansend van boerderij naar boerderij trokken!
Die mannen konden niet stilstaan!
Volgens de overlevering waren die ‘in de milt gesneden’...


Meester Schaeken (de nieuwe)...

De excentrieke meester Schaeken had de rare gewoonte om alles op rijm te willen zeggen.
Wanneer hij onder de oorlog met zijn fiets de buitenkanten van het dorp opzocht voor een ‘kwatsken’ koren, riep hij bij wijze van groet de voorbijkomers toe: ‘De “nieven” gaat de wind nog klieven en hopelijk zullen de boeren hem gerieven.’
Meester Schaeken was ook wel grappig en gevat.
Bij opmerkingen over de weinige haren die zijn schedel nog sierden, vond hij: ‘Ne kletskop is heel goed tegen de luizen!
Ze schuiven er op uit en dan breken ze hun poten!’
Hij kloeg wel dat zijn vrouw onder de oorlog zo mager werd.
Meester Schaeken legt uit: ‘Wanneer ons Louise voor de oorlog in bed over me heen kroop en ik sloeg eens op haar billen, dan wiebelde het een kwartier later nog allemaal.
Nu is het nog juist een plank waar ik op klets!’


Marcel Adriaensen