Even voorstellen...Louis Keersmaekers

Louis Keersmaekers

Louis Keersmaekers is een mens van goede wil.
Zelden iemand ontmoet die als kind en als jongeling zo’n zwaar parcours heeft afgelegd.
Maar Louis relativeert alles, weldoordacht, berustend.

Op mijn verzoek stapt Louis achterwaarts de tijd in.
Een tijd ver weg, toch glashelder verteld in beelden en verhalen.
Soms kwajongenskwesties, met een twinkel in de ogen.
Soms de pijn uit donkere dagen, die de blik troebel maakt.
Maar altijd met een warme weemoed in de stem, een weemoed die Louis schijnbaar nooit verlaat.

Misschien typeren voornoemde eigenheden de landman die hij werkelijk is.
Louis woont in de natuur en de natuur woont in hem.
Ontelbare uren in de buitenlucht, in bos en open veld, doen iets met een mens.
Hij heeft ontzettend hard gewerkt.
Nog bijna kind en tenger gebouwd, ging hij het zwaarste werk niet uit de weg.
Louis kraakte niet.
Later koos hij voor de boomkwekerij, aanvankelijk met zijn broers.
Daarna samen met zijn vrouw Elza en hun kinderen Nadine en Michel.
Zo werd een ijzersterke band gesmeed, groeide de hoop op opvolging.
De hoop werd werkelijkheid.

Ik ben blij dat ik Louis en Elza mocht leren kennen.
Twee hartelijke, gastvrije mensen.
Aan hen mijn oprechte dank.

Louis, het woord is nu aan u…


Louis Keersmaekers, verstild, verdroomd...

Al vijf generaties lang zijn wij boomkwekers.
Het zit in onze genen, in ons bloed.
Het begon allemaal met ene Godefried (Frieten) De Corte en zijn vrouw Rozalien.
Ze kwamen rond 1875 vanuit Ruddervoorde (West-Vlaanderen) naar het stille Werbeek.
De Werbekenaren keken met grote wonderogen naar dat vreemde jonge stel met hun onverstaanbaar taaltje.
Frieten De Corte en Rozalien startten er met een bosplantenkwekerij.
In onze contreien toen nog ongekend.
En het familiebedrijf floreerde.
Er werd goed geld verdiend met de kweek van vooral grove den (Pinus sylvestris).
Toch kozen niet al hun kinderen voor de boomkwekersstiel.
Zoon Adolphe (Dolf) trok de wijde wereld in.
Hij ging helpen met de graan- of bietenoogst bij boeren in het Walenland.
En Dolf moest ook soldaat worden tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Hij kwam er heelhuids vanaf, bleef in Frankrijk en liet zich inlijven in het Franse Vreemdelingenlegioen.
Hij moest meehelpen om in Algerije de vrede te bewaren.
Dolf De Corte was een echte levensgenieter maar pintelierde al zijn centjes op.
Toch droeg hij het hart op de juiste plaats.
Hij was de kwaadste niet.
Een van de zussen van Dolf, Octavie, was mijn grootmoeder.
Zij huwde (tweede huwelijk) met Louis Keersmaekers en samen startten zij een eigen boomkwekerij.
Hun zoon August (Gust) was mijn vader.
Op latere leeftijd werd Octavie, helaas, nog blind.
Een andere zus van Dolf, Virgenie, was de overgrootmoeder van Guy Aarts.
We zijn dus nog verre familie.
En nu ik toch aan ’t vertellen ben: een broer van Dolf, Stanislas (Stan), was de vader van de bekende Vlaamse dichter Bert De Corte.
Toch wel leuk.*


De kinderen Keersmaekers-Peeters voor de Sint-Martinuskerk in Retie.
Vooraan: Frans en Paula, achteraan: Francine, Hendrik en Louis.
Een foto uit 1947.

Ik ben op 30 april 1940 in Werbeek geboren, in de huurboerderij van boer Adriaensens, op de plek waar nu René Nijs en Gusta Smets wonen.
Ons vader en ons moeder Augusta (Gusta) Peeters boerden er met vijf koeien.
Ze waren ook al volop met de boomkwekerij bezig en er was zoveel werk dat zij er een knecht op na konden houden.
Ons Francine is mijn oudste zus, onze Hendrik (Drie) en onze Frans zijn mijn jongere broers.
Ons Paula is de jongste zus.
Op het einde van de Tweede Wereldoorlog werd onze va, door een dramatisch misverstand, door de Duitsers neergeschoten.
Een verschrikkelijke historie die plaatsvond in de zomer van 1944 en het gevolg was van een onbezonnen daad van drie jonge mannen uit Dessel (Witgoor).
Zij waren hoogstwaarschijnlijk lid van de Witte Brigade (Belgische verzetsgroep).
Het tij in de oorlog was aan ’t keren, de Duitsers gingen de oorlog verliezen.
Daardoor bezondigde men zich wel eens aan voorbarige overmoed, werd er hier en daar driest opgetreden tegen de bezetter.
Vaak gevolgd door pijnlijke represailles.
De Duitsers waren nog niet verslagen.
Dat werd erg duidelijk op die bewuste dag in Werbeek waarop de drie voornoemde Desselaars per fiets belandden op het gehucht.
Ze stapten af, stalden hun fiets tegen café Tramhalt en drentelden er een tijdje doelloos rond.
Een van hen had de bovenrand van zijn laarzen omgeslagen.
Na een kwartiertje reden ze verder naar Dessel.
Tot ze een Duitse soldaat tegenkwamen, ook per fiets.
In een bliksemflits overvielen de drie Desselaars de Duitser, namen zijn revolver af, en verdwenen richting Dessel.
De Duitser sloeg onmiddellijk alarm.


Trouwfoto van Gust Keersmaekers en Gusta Peeters in 1939.


In een ommezien kwam er versterking en werd een grote zoekactie ingezet.
De Duitsers reageerden furieus, zochten verwoed naar de daders en maakten enkele Werbeekse mannen tot gijzelaars.
Ze werden naast elkaar opgesteld tegen de muur van café Tramhalt.
Werbeek was geschokt en in paniek.
Dit kon vreselijk aflopen.
Ons vader was tijdens die hachelijke momenten niet thuis.
Hij was in Dessel om er spek te gaan halen bij zijn broer Stan.
Stan was klompenmaker, woonde in het centrum en zat goed bij kas.
Hij had financieel wat meer armslag en hielp graag zijn familie in die barre tijden.
Ons moeder was hoogzwanger van ons Paula en ze voelde zich niet al te best.
Daarop ging ons vader naar zijn broer voor dat spek, overtuigd dat dat beterschap zou brengen.
Op de terugweg koos hij voor de kleine paadjes, richting Desselsedijk.
Ter hoogte van de oude windmolen (nu in de buurt van de Desselse watertoren) werd hij opgemerkt door de Duitse patrouille, die nog steeds jacht maakte op de drie overvallers.
Ons vader had ook de bovenrand van zijn laarzen omgeplooid.
Dat maakte hem verdacht.
Hij negeerde het Duitse bevel om halt te houden, trachtte te vluchten maar werd genadeloos neergeschoten.
Tegen het mitraillettevuur was hij kansloos.
Onze va stierf onmiddellijk.
Zijn stoffelijk overschot werd door onze naaste buren in allerijl gekist en werd met de hoogkar weggevoerd, dwars door de velden, over Den Dijk, zo naar de Laarbeemden en vandaar naar 't kerkhof van Retie.
Zonder begrafenismis werd hij begraven.
Er was geen enkele priester beschikbaar.
Later werd onze va herbegraven en kreeg hij zijn definitieve rustplaats.
Voor de Duitsers was de kwestie afgehandeld, zij hadden andere zorgen aan het hoofd.
Echter, voor een groepje jonge mannen uit Werbeek was de zaak nog niet ten einde.
Zij waren razend op die drie uit Dessel.
Er werd gezocht en gevraagd.
Maar niet gevonden.
De drie Desselaars hadden zich, onmiddellijk na hun dwaze actie, veilig verstopt in een schuilplaats op een zandzuiger van het zandontginningsbedrijf Sibelco.
Onvindbaar.
Het is hun geluk geweest.
Ze hadden een confrontatie met de woedende Werbekenaren waarschijnlijk niet overleefd.
Na enkele weken namen de Werbeekse wraakgevoelens af.
Temeer door de veelbelovende bevrijdingsacties van de geallieerden won een algemeen vreugdegevoel meer en meer terrein.
De schuldigen bleven onbestraft.

Ons moeder is later, in 1948, getrouwd met Benjamin (Ben) Michiels.
Zij kregen nog vier kinderen: mijn halfzussen Lisette en Maria, mijn halfbroers Jef en Walter.


Maria en Jef, Lisette en Walter, halfzussen en halfbroers van Louis. Foto’s uit 1969.

Wat ik uit mijn jongste jaren nog sterk herinner, is die vreselijke ‘craw’ (woord vermoedelijk afkomstig van het West-Afrikaans craw-craw, wat betekent: eczeem, huidziekte).
Onze Drie had er nog meer last van dan ik.
Waarschijnlijk een gevolg van een te magere, vitaminenarme voeding en een gebrekkige hygiëne tijdens die naoorlogse jaren.
Heel erg.
Het waren moeilijke tijden.
Ons moeder stond er alleen voor.
De koeien waren verkocht en de knecht kon niet meer worden betaald.
Ons Francine werd ingeschakeld in het huishouden.
Zij moest zelfs met de kruiwagen emmers regenwater gaan halen bij boer Vic Adriaensens, die naast de kapel woonde.
Om de was te kunnen doen.
Grootvader Frans Peeters (De Vetten) woonde bij ons in.
Hij was de vader van ons moeder.
Als oudste jongen kreeg ik het hard te verduren met hem.
Va Peeters was behoorlijk streng en spaarde de roe niet.

Ons moeder kocht een woning in de Zandstraat, gelegen aan de inrit van de boerderij van Gust Hoskens (broer van Karel ‘boer’ Hoskens).
Wat verder in de straat, aan de overkant, bevond zich een enorme gasketel gevuld met stadsgas.
Vlak achter de gasketel stond een zeer forse zeeden (Pinus pinaster), misschien 200 jaar oud.
Een overblijver van de allereerste dennen die in onze streek waren geplant.
Achter deze den lag een zaligheid aan zavelduinen, nog in hun oervorm.
Een heerlijker speelterrein voor kinderen kon je moeilijk bedenken.
Toch heeft Gust Hoskens de zandduinen afgegraven.
Met de hand.
Het was zijn grond en hij wilde zijn geboer graag uitbreiden.
Gust had een ingenieus systeem bedacht met rails en kipkarretjes om het werk wat te verlichten.

Ik herinner me nog dat ik naar de kleuterschool moest bij de nonnetjes in de Kloosterstraat.
Altijd te voet.
’s Middags gingen wij thuis eten en als ik het allemaal optel, liepen wij als kleuter elke dag toch zo’n zeven kilometer, van thuis naar school en terug.
Voor het eerste leerjaar moest ik naar de Katholieke School in de Sint-Martinusstraat, bij meester Elsemans.
Vanaf het tweede tot en met het achtste ging ik naar de jongensschool in de Peperstraat.
En samen met onze Drie kwam ik heel vaak te laat.
Door de lokkende verleidingen onderweg.
Ze waren van die aard dat we er eigenlijk niks aan konden doen.
Zo belandden we in de winter wel eens in de smidse van Eugeen Cools.
Konden we ons lekker warmen bij het smidsvuur.
Of we moesten dringend naar ‘Foenes’ molen waar ook altijd iets te beleven viel.
En we vergaten de school.
Af en toe, met wat geluk, konden we ongezien op het voorbijrijdende trammetje springen.
Wat wel spectaculair was maar ook zeer gevaarlijk.
Veiliger was het als we mee mochten met de bierwagen van brouwer ‘de Gied’ (Raeymaeckers, Desselse brouwer/drankenhandelaar).
Met de snelheid van de rustige paardengang raakten we meestal toch een heel eind in de goede richting.
Op de hoek Markt-Sint-Martinusstraat, in het chique herenhuis, woonde toen de familie De Vel-Van Gansewinkel.
Hun ruime tuin, mooi afgeboord met een solide haag, lag over de hele lengte tegen de Sint-Martinusstraat.
Er waren openingen in die haag en in ’t seizoen van rijpe aardbeien of van voldragen fruitbomen brachten wij er soms een clandestien bezoekje.

Schoolfoto uit 1947, gemaakt in de Katholieke School.
Louis (links) zit flink naast broer Hendrik.

Mocht niet.
Maar we hadden ooit gehoord: je kunt beter iets halen in een kerk dan in een kapelletje.
En daarbij, we moesten altijd heel wat angst doorstaan.
De angst om gevat te worden door de tuinman.
Tegenover zoveel riskatie mocht toch een appel of een handjevol aardbeien staan, dachten wij zo.

Begin de jaren 1950 werd ik lid van fanfare De Lindegalm.
Na een jaar notenleer mocht ik beginnen oefenen op een instrument.
De keuze viel op een bugel.
De repetities gingen door bij Jef Adriaensen (Gieleken), rechtover de kapel van Werbeek op de Molsebaan.
Louis Adriaensen (Wiet van Gieleken) was onze lesgever.
Wiet was een hartstochtelijk ijveraar voor de fanfare.
Door hem vonden veel jonge mensen de weg naar harmonie De Lindegalm.
Door ziekte moest ik helaas mijn muziekactiviteiten stopzetten, wat ik wel heel jammer vond.


De gerestaureerde Riethoeve in Retie, ooit heel bekend terrein voor de familie Keersmaekers-Michiels.

Onze stiefvader was afkomstig van de Riethoeve in Werbeek.
Een aloude huurboerderij van de familie Willekens van de Markt.
In de haardbalk was het jaartal 1791 gekerfd.
Er stond een alkoof in de woonkamer en in de achterdeur was de houten klink voorzien van een touwtje om de deur te openen.
De hoeve had een volledige rietbedekking.
Met de afbraak van deze authentieke Kempense hoeve verdween de laatste veteraan uit ons dorp.
Als kind mochten onze Drie en ik dikwijls gaan helpen op de boerderij.
Er woonden toen nog drie ongehuwde broers van onze stiefvader: Frans, Remi en Gust.
Zij leefden er in een godzalige rust, alsof de tijd geen vat op hen had.
Een uur werd er nog niet omgerekend in geld.
In de zomer werden de melkkoeien voor een hele periode overgebracht naar de Geelse Hei.
Toch een heel eind verwijderd van Werbeek.
Met geen woord klaagden zij daarover.
Twee keer per dag reden ze met de tractor naar de Geelse Hei om te melken en wij mochten mee.
Remi Michiels werd tijdens de Tweede Wereldoorlog krijgsgevangen gemaakt.
Een heel nare periode voor hem.
Hij heeft honger geleden en veel afgezien.
Na zijn thuiskomst bleef hij sukkelen met de maag.
Hij smeerde op zijn boterhammen altijd een laag boter van minstens een centimeter.
Anders verdroeg zijn maag het niet.
Winter en zomer sliep hij met de voeten bloot.
In volle vrijheid staken ze van onder de dekens uit.
Ook een overblijfsel uit het krijgsgevangenenkamp.

Rechtover de Riethoeve boerde Ward Conderaerts.
Bij hem mochten onze Drie en ik ook regelmatig klein werk gaan doen.
Ward was zo’n goeie, genereuze mens.
Op zekere dag trakteerde hij ons op een treinreisje naar Antwerpen met daarbij een bezoek aan de dierentuin.
Voor ons een geweldige belevenis.
We genoten er ten volle van.
Om de dag mooi af te sluiten, mochten we met Ward – op zijn kosten – nog iets gaan drinken in ’t café van Peerke Van Herck en Leonie (nu broodjeszaak La Différence).
Twee trappisten moesten we wegwerken.
Het was meteen ook de eerste keer in mijn leven dat ik zattekes was.
En voor onze Drie gold precies hetzelfde, denk ik.
Ward Conderaerts is na zijn landbouwerscarrière nog brugdraaier geworden aan Brug 2.
Kwestie van zijn pensioentje veilig te stellen.

Tot mijn vijftiende ben ik naar school geweest.
Daarna werd ik, samen met onze Drie, die nog een jaar jonger was, houthakker.
Zowat het zwaarste beroep dat je kon kiezen én een keiharde leerschool.
We werkten voor nonkel Frans Bierens, een broer van Karel Bierens oftewel ‘den Bellekes’ (fietsenmaker-winkelier in de Kloosterstraat).
Zomer en winter werden we ’s morgens vroeg opgehaald door een open camionnetje.
We moesten achteraan in de laadbak.
Vooral in de winter was dat verschrikkelijk koud.
Met pardessus en dekens probeerden we ons warm te houden.
Zo reden we naar de bossen in de Graaf of naar Postel.
Soms ook naar de Staatsbossen in Ravels.
Ons moeder maakte ons ‘maal’.
Voor mij was dat elke dag een heel brood, deels belegd met paardenvlees, deels met bruine suiker.
Op de koudste dagen stookten we een vuurtje op een open plek in het bos om ons warm te houden tijdens de schaftpauzes.
Daarvoor werd een dennenboompje uitgezocht dat aan ’t afsterven was.
Zo’n boompje vertoont altijd een plek waar de terpentijn zich ophoopt.
In de buurt van die ophoping is er meestal ‘spek’ (zacht hout) aanwezig.
Door dat ‘spek’ en de terpentijn kreeg je makkelijk de brand in het hout.
De dennen die we kapten, werden verzaagd tot de vereiste lengten, afhankelijk van de klant.
Veel hout ging naar de mijnen, ook de dunnere gedeelten.
De stukken waar een kromming in zat, verkocht men als brandhout aan de burgerij.
Er ging weinig verloren van een boom.
Op een dag moesten we gaan hout laden ergens in Wortel.
En tijdens een rustpauze ziet onze Drie, vlak naast de camion, een haas zitten.
Met een meesterlijke acrobatensprong snapte hij de haas.
Onze Drie rook het lekkere vlees al in de braadpan.
Maar daar kwam niks van!
Hij moest de haas onmiddellijk afgeven!
Heren en bazen winnen altijd.
Wat later zagen we in een bos van Emsens in Arendonk een dode ree liggen.
Het drachtige beestje had een schotwonde.
Hoogstwaarschijnlijk door stropers geraakt.
De ree was nog warm, dus nog niet lang dood.
We besloten om ze mee naar Werbeek te nemen.
Thuis werd ze geslacht maar ik heb er vrijwel niets van gegeten.
Het smaakte me niet.
Vijf jaar hebben wij die houthakkersjob volgehouden.
Intussen hadden we thuis een eigen bedrijfje opgericht, ons moeder, mijn broers en ik, onder de naam ‘boomkwekerij Michiels-Peeters’.
In 1956 was dat, ik was amper 16 jaar.
En daar was altijd werk.
Kwam er nog bij: ik werd de boekhouder van de zaak en ik ben dat allezeleven gebleven.
Heel de paperassenwinkel kwam in mijn handen terecht.

In 1960 ben ik bij Mollith-Johns Manville gaan werken.
Vanaf 1972 deed ik er enkel nog de late shifts.
Zo hield ik de voormiddagen vrij om op de boomkwekerij te werken.
Bij Mollith was het werk ook best zwaar en zeker ongezond.
De eerste 10 jaar moest ik er, verplicht, lage houten klompen dragen met een stevige lederen band over de wreef.
Het enige schoeisel dat bestand was tegen het soort werk dat ik er moest verrichten.
Tot in 1987 heb ik bij Mollith gewerkt.
Om medische redenen was het raadzaam om ander, gezonder werk te gaan zoeken.
Ik had constant een te hoog chroomgehalte in het bloed.
Een typische beroepsziekte waarmee veel collega’s kampten.

Onze Drie en ik begonnen voltijds te werken in onze boomkwekerij Michiels-Peeters.
We plukten dennenappels van o.a. de Corsicaanse den en de grove den.
Tijdens het voorjaar, op warme en zonnige dagen, legden we de dennenappels op een daarvoor aangelegde vlakke plaats.
Door de warmte sprongen de dennenappels open en konden we de zaden makkelijk verwijderen.
We zaaiden op zware, vruchtbare gronden, wat al vlug resulteerde in gezonde, sterke plantjes.
Er was veel vraag naar.
Over heel Vlaanderen raakten onze boompjes verspreid.
We mochten absoluut niet klagen.

Op 8 augustus 1969 trouwde ik met Elza Mertens.
Elza was van Witgoor.
Eén jaartje hebben we bij mijn ouders gewoond, daarna verhuisden we voor 11 jaar naar Witgoor.
In 1982 keerden we terug naar Retie, naar ons nieuw gebouwd huis in de Zandstraat.
Zo woonde ik dicht bij de boomkwekerij én dicht bij mijn geboortegrond.
Twee vliegen in één klap.
En ons Elza woont hier ook graag.

We hopen dat we nog vele jaartjes actief mogen blijven, in ons werk en in ons leven.
Daar dromen we allebei van…

Stijlvol poseren voor de fotograaf op De Lusthoven in Arendonk.
Louis en Elza trouwden op 8 augustus 1969.



Guy Aarts