Even voorstellen... Lisette Van Deuren

Lisette Van Deuren

Van het rijtje nonkels en tantes dat de familie Aarts-Van Mechelen ooit rijk was, zijn er slechts drie overgebleven.
Drie tantes, ééntje daarvan is Lisette Van Deuren.
Ik zou u kunnen vertellen dat voor haar altijd de zon schijnt dat zij zeer goedlachs is en blijmoedig van aard.
Dat is een waarheid.
Zij is tenslotte een dochter van Theofiel Van Deuren, die naast een gewaardeerd huisschilder ook een fameuze volkshumorist en amuseur was.

Toch durf ik te stellen dat Lisette - af en toe - in een andere wereld verwijlt.
Waar de dromen regeren en de stilte heerst.
Als je aandachtig kijkt naar de foto's uit haar jonge jaren zal je het zien.
Er is meer sereniteit dan uitbundigheid.
En juist dat duale maakt een mens boeiend.
Het lijkt ook een geschikte voedingsbodem voor een goed interview.
Met andere woorden: Lisette heeft mooi verteld.
Alles viel in de juiste plooitjes en zij blijft te allen tijde zoals ik haar al jaren ken: de eeuwige goedheid zelve.
Beste tante Lisette, nu is het woord aan u...

Ik ben er echt 'eentje van de Markt'.
Ik ben er geboren op 2 juli 1935, in het kleine huisje achter 'het grijze burchtje' (nu KBC-bank).
Ook ons Maria, mijn elf maanden jongere zus, is daar geboren.
De Witte (Louis) Lens woonde toen nog in het burchtje.
Het behoorde, samen met ons geboortehuis, tot de eigendommen van Henri en Nathalie De Vel-Willekens.
Zij woonden in het herenhuis De Lindebloem, vlak naast het burchtje en Louis was hun privé-chauffeur.

Ons moeder, Leonie Moons, was van Retie, van de Berg.
Haar ouders waren boeren.
Ons vader, Theofiel, was afkomstig van de Wampenberg in Arendonk.
Zijn ouders hadden een aannemersbedrijf maar ons vader koos voor de schildersstiel.
Hij volgde een opleiding bij huisschilder Maes in de Peperstraat in Retie.
Moeder was indertijd het hulpje in het huishouden van de familie De Vel-Van Gansewinkel, die op de hoek Markt-Sint-Martinusstraat woonde (ons vader bleef later hardnekkig volhouden dat ons moe daar haar 'madammekesmanieren' geleerd had).

... met een minzame glimlach: Lisette Van Deuren...

Vader moest nogal eens 'van ene pas' bij De Keizer zijn, het café-hotel aan de overkant.
Hij moest er de bestellingen met schildersbenodigdheden gaan ophalen.
Ze werden in Mol of in Turnhout met het trammetje meegegeven en bij De Keizer, een officiële halte, gelost.
Zo ging dat toen.
En hij zag ons moeder aan de overkant al eens ramen poetsen en de stoep keren en vond dat ze daar geweldig veel verstand van had.
Met een lach en een kwinkslag, een knipoog en een mopje haalde hij de buit binnen.
Romantiek begin de jaren 1930.
Toen ze enkele jaren getrouwd waren, huurden ze een huisje vooraan in de Kloosterstraat.

Theofiel Van Deuren.


Leonie Moons.

Het was het rechtergedeelte van de vroegere melkerij 'La Laiterie de la Rosé' van Constant Graulus.
Het huisje had slechts een deur en één raampje aan de voorkant.
Ons vader was zelfstandig schilder geworden en het voorste kamertje moest dienstdoen als winkel met etalage.
Allemaal klein maar toch gezellig.
Constant Graulus was organist in de kerk en na de oorlog werd hij burgemeester en hij droeg altijd een vreemd hoofddeksel.
Dat weet ik nog.
De buurt daar had nogal een reputatie!
Café's in overvloed!
Je had er 'Het Lindenhof van Lowieke en Julie Raeymaekers-Verbist; je had er café De Ster en ook bij Den Baard (Sooike Castelijns) was het café.
Bij Peer Gijs kon je eveneens een pintje drinken.
Peer deed ook nog een drankenronde met de stootkar, in dienst van brouwer Van Gansewinkel.
Bij 'Coolsken' was het café en bij Peerke van Mannen (Melis) kon je terecht in zijn kruidenierswinkeltje of in zijn café 'In de Arendonkse Poort'.
Het kruidenierswinkeltje had nog een rode bakstenen vloer.
Bij Peer Hoed (Cools) had je dan nog het café 'Het Snelle Wiel'.
Peer was velomaker, evenals zijn overbuur Den Bellekens (KareL Bierens), waar het ook café was.
Er waren ook winkels in de buurt: de linnenwinkel van Tistje Cuypers, het snoepwinkeltje van Marie 'Klokkes' (Melis) waar ons Maria en ik af en toe snoep mochten kopen en bij Van den Put was er een stoffenwinkel.
Lowieke Schepens en zijn vrouw Regina baatten vlak bij ons een merceriewinkei uit.
Er woonde ook in de buurt een zekere Estère, een naaister, en zij naaide al onze kleedjes.
Ach, uiteindelijk was het een heel gezellige buurt.
Er werd gefeest, gelachen en gespeeld.
Groot en klein hingen er aaneen als de sneetjes van een siroopboterham.
Naast ons tuintje had kolenboer Frans Verellen zijn kolenopslag.
Uren hebben wij daarin gespeeld, ons Maria en ik en nog wat kinderen uit de buurt.
Zo zwart als een Moor zagen we dan en ons moeder razend kwaad natuurlijk.
Frans Verellen woonde achter de kerk, naast Het Lindenhof.
In de volgende woning naast Verellen woonde Constant Graulus.
In het begin van de oorlog zijn wij daar dikwijls gaan slapen.
Ons vader was het beu dat de Duitsers steevast op onze deur klopten om de weg te vragen.
Ze vroegen altijd welke weg naar Nederland liep.
Tot heel laat in de avond gebeurde dat.
Ze waren wel beleefd maar ons vader vertrouwde het niet.
We zijn dan een tijdlang in het grote huis van Constant Graulus gaan slapen.
Dat leek ons veiliger.
Er waren nog meer mensen van dat gedacht.
In de keuken werden matrasjes gelegd waarop de kinderen moesten slapen, de grote mensen sliepen in de woonkamer of waar er plaats was.
Het is misschien niet mooi om te zeggen maar de oorlogsjaren waren voor ons eigenlijk heel plezante jaren.
En heel spannend!
Op de eerste dag van de oorlog zijn wij ook gaan vluchten.
Tot in Kasterlee.
's Avonds waren we al terug thuis.

Op 2 juni 1941 werd ons Fransje geboren.
Hij heeft amper één dag geleefd.
Alles dreigde toen mis te gaan.
Ons moeder was er erg aan toe en vocht voor haar leven.
Ons vader bracht ons Maria en mij naar tante Colette (Moons) en nonkel Gust (Loodts) op de Berg.
Zij hadden geen kinderen.
We bleven een hele tijd op hun boerderij logeren en er was, ondanks de oorlog, altijd genoeg lekker eten.
We konden er naar hartenlust ravotten.
We mochten zelfs in een beddenkoets slapen en we werden verwend als echte prinsesjes.


Kloosterstraat in 1939:
Lisette (links), zus Maria en moeder Leonie.


Het gezin Van Deuren-Moons huurde ooit het rechtergedeelte van de
voormalige melkerij in de Kloosterstraat.


Ook thuis hadden wij gedurende de ganse oorlog omzeggens niets te kort.
Ons vader ging hier en daar wat schilderen en kreeg soms wat eieren mee, of boter, of een stukje spek.
Van de Duitsers hadden wij niet veel last.
Wel is er ooit bij ons thuis eentje binnengestormd die hoognodig naar het toilet moest.
Naast het toilet stond een boodschappentas gevuld met rijpe tomaten.
Die Duitser kreeg dat in de gaten en nam er eentje uit.
In een hik en een flik speelde hij de tomaat naar binnen.
En hij nam de volgende, en opnieuw... en weer een... en nog een...
Jos Graulus die vaak bij ons zat, kreeg dat in 't oog en zei tegen ons moeder: 'hij zal ze potverd... toch niet allemaal opvr... ten, zeker?'
Een andere dag kwam een Duitse soldaat een fietsenruil doen: wij kregen zijn fiets met kapotte banden en hij eiste onze fiets op die nog perfect in orde was.
Dat was op het einde van de oorlog.
Ze konden toen niet snel genoeg de hielen lichten.

Er werd hevig gevochten tijdens die laatste dagen van de oorlog.
De beschietingen van de geallieerden zorgden voor veel onrust en onheil.
Ons vader had in de tuin een abri gegraven maar die is nooit gebruikt.
Het bleek veiliger om in de stevige, ruime melkerijkelder te schuilen.
Het was de kelder waar vroeger de zuivelproducten werden bewaard.
We konden er ons goed amuseren.
De groten speelden met de kaarten en de kleintjes deden allerlei spelletjes.
Zo ging de tijd goed voorbij.

Na de bevrijding, eind september 1944, hadden de Engelsen een veldkeuken opgesteld in de tuin van Mathé.
En in de Kloosterstraat was er een Engelse benzinedepot Het was een af- en aan rijden van camions en allerlei voertuigen.
Een en al vrolijkheid!
Ons Maria en ik mochten soms eventjes in zo'n camion gaan zitten.
Zo fier als een gieter waren we dan.
We kregen van de Engelsen wel eens een lekkere witte boterham met confituur en dat smaakte geweldig.
Ook chocolade werd ons aangeboden.
De Engelse soldaten waren echte rokers.
Ik heb het eens gepresteerd om een nog brandende peuk op te rapen en een stevige inhalering te doen.
Tjongejonge, wat heb ik gehoest!
En wat een vieze smaak!
Ons moeder kwam dat natuurlijk te weten en ik heb toen een fameuze uitbrander gekregen.

En toen kwamen de vreselijke vliegende bommen.
Het waren helse tuigen en veroorzaakten veel ellende.
In Retie en Schoonbroek moeten er ook een paar gevallen zijn.


In het terrastuintje van het Lindenhof zien we Lisette en Maria.
Op het stoeltje zit Mia Raeymaekers.
Op de achtergrond de brouwerij van Van Gansewinkel.
Een foto uit 1939.

Ik weet nog dat ons vader, die ook glazenier was, in tal van huizen nieuwe ruiten moest gaan inzetten.
Door de kracht van de explosies waren heel wat ruiten aan diggelen gevlogen.

Naast ons, in het linkergedeelte van de verbouwde melkerij, woonde Mieke Bruyninckx-Segers met haar gezin.
Mieke was toen al weduwe.
Ward en Frans, haar twee zonen, zaten dikwijls bij ons.
Of wij bij hen.
Ik weet nog dat Ward priester gewijd werd en voortaan een soutane droeg.
Dat vonden wij zo vreemd.
Als er een lekker dansbaar deuntje werd gespeeld op de radio gingen ons Maria en ik meestal duchtig aan 't swingen.
Dat was heel gewoon, ook al waren Ward en Frans bij ons.
Toen op een dag Ward voor de eerste keer in soutane bij ons de kamer inliep en wij leuk stonden te dansen, stopten wij pardoes.
Wij vonden dat een priester dat gekke gedoe best niet te zien kreeg.
Ward lachte hartelijk en smeekte ons om verder te doen.
Want hij zag dat zo graag.

Ik ging in die jaren vaak spelen bij notaris Edgard De Vel in de Sint-Martinusstraat.
Ik vond dat zo'n prachtig huis en in de tuin stond ook nog eens een schitterend poppenhuis.
We konden ons daar heerlijk amuseren.
Bij de familie Verwaest-Graulus op de Markt kwam ik ook regelmatig.
Meestal om er te spelen of om op de kleinsten te passen.
Vooral Treesje was zo'n aanhankelijk hummeltje.
Ik droeg haar vaak op de arm en nam haar overal mee naartoe.

Ons vader had vroeger veel werk.
Hij heeft in Retie en Schoonbroek heel wat geschilderd.
Hij was ook een crack in het decoratieschilderen.
In tal van huizen heeft hij meesterlijke marmerimitaties aangebracht.
Of de deuren en de ramen gedecoreerd met eikenhoutstructuren, die hij perfect kon nabootsen.
Met spons en borstel en een hoop trucjes verkreeg hij het gewenste resultaat en aan zijn rechterduim liet hij de nagel lang groeien om nerven en fijne details aan te kunnen brengen.
Een volbloed vakman.
Soms maakte hij schilderijtjes met olieverf op doek.
Ook dan was hij een fijnschilder.

Tijdens de grote schoolvakanties moest ons vader gewoonlijk gaan schilderen in de meisjesschool.
Ons Maria en ik gingen dikwijls mee.
We kregen wel eens van zuster Gerarda een lekkere zwarte boterham.
Of de restanten van het hostiebrood waaruit de hosties waren gestanst.
Met wat verse koemelk erbij was dat een ware delicatesse.

Ik moet ook vertellen dat schilders in die jaren niet zo'n beste reputatie hadden.
Ze dronken te veel, werd er gezegd en dan ging het niet over koffie of cola.
Ook ons vader had zijn dagelijkse pintjes of borreltjes nodig.
'Om al dat vergif te kunnen doorspoelen', zei hij.
Het was wel zo dat in die jaren de verven nog veel ongezonde stoffen bevatten.
Vooral lood- en zinkwit, twee kleuren die destijds veel werden gebruikt, waren heel schadelijk.
Ook het fabeltje van 'heel hevige tandpijn' gebruikte ons vader geregeld.

Het plechtige communieprentje van Lisette vermeldt de datum: 11 mei 1947.


Lisette poserend in haar plechtige communiekleding.


Die pijn kon alleen verholpen worden door 'een flinke borrel jenever'.
En toch... niettegenstaande zijn ongezonde stiel, zijn onafscheidelijke cigarillo's, zijn borreltjes en zijn pintjes, is ons vader toch oud mogen worden.
's Morgens, nog voor we naar school gingen, moesten we naar de mis.
Voor ons was dat niet niet zo erg, wij woonden vlak bij de kerk en de school.
Maar voor de kinderen van de verre gehuchten was het veel moeilijker.
Zij kwamen dikwijls te voet, op hun klompen, naar de kerk.
Zonder gegeten te hebben.
We moesten nuchter blijven of we mochten niet te communie gaan.
Het kwam herhaaldelijk voor dat iemand een flauwte kreeg en van zijn of haar stoel viel.
Zoiets zou nu niet meer mogelijk zijn.


Klasfoto in Sint-Mariadal Oosterlo, Lisette zit uiterst links.


Het pensionaat Sint-Mariadal in Oosterlo.


Na het zesde leerjaar moest ik op internaat, naar Oosterlo, bij de zusters Franciscanessen van het Sint-Mariadal.
Dat vroeg een hele aanpassing.
Ondanks het strenge regime lukte het toch om er gedurende vier jaar het beste van te maken.
Het ergste vond ik dat ik maar één keer per trimester naar huis mocht.
Als we na een vakantieperiode terug in het internaat kwamen, wisten de nonnen dat er heel wat snoep of ander lekkers in onze valiezen aanwezig was.
Op onbewaakte ogenblikken doorzochten de Eerwaarde Bruiden van God onze valiezen en namen alle lekkernijen af.
Terwijl 'gij zult niet stelen' toch een gebod is uit de Tien Geboden!
Ons uniform bestond uit een donkerblauwe rok, een witte blouse en een donkerblauwe das met de initialen 'SM' erop geborduurd.
Dat stond voor 'SmosMie' zegden we wel eens, als de nonnen het niet hoorden.

Lea Vangelder uit de Peperstraat, dochter van Frans Vangelder en Mitje Van Mechgelen, belandde ook op het internaat.
Frans en Mitje hadden in de Peperstraat de meubelzaak Meubart.
Lea was twee jaar jonger dan ik.
Daar zij een lichte lichamelijke handicap had, hielp ik haar zoveel mogelijk met de opgelegde klussen.
Tot op de dag van vandaag zijn wij bevriend gebleven.
We ontmoeten elkaar nog regelmatig en halen dan altijd leuke herinneringen op.
Na vier jaar Sint-Mariadal ging ik de richting huishoudkunde volgen aan de Rozenberg in Mol.
Ik reed meestal met de fiets naar school, samen met enkele vriendinnen.
Zo'n 100 meter voor de kapel van Werbeek, aan de rechterkant, stond een klein huis.
En voor dat huis stond elke morgen en jongeman, twee jaar ouder dan ik.
Hij wachtte op zijn makkers om naar het Sint-Jan Berchmanscollege in Mol te rijden.
Zijn naam was Jos Van Mechelen, retoricastudent.
Hij liet duidelijk zijn interesse blijken voor mijn persoontje.
Er waren lachjes, knipoogjes en vlinders en het was de aanloop naar een heel mooie liefde voor het leven.
Wat ook bevorderlijk was voor onze ontluikende minne was het feit dat ik bij de kajotsters was en Jos bij de kajotters.
Zo konden wij elkaar af en toe ontmoeten.

Na mijn studies aan de Rozenberg moest ik thuisblijven. In 1951 hadden onze ouders het huis van Sooike Castelijns in de Kerkhofstraat (nu café Bazaar) gekocht.
Met wat verbouwingen hadden ze er een mooi handelshuis van gemaakt, met veel ruimte en comfort.
Ons moeder had het druk met de goedbeklante winkel.
Door jarenlange ervaring had zij zich bekwaamd in de kennis van verfsoorten, behangtechnieken, decoratiezaken enz.
Zij had ook een feilloos gevoel om kleuren te mengen tot het gewenste resultaat.
Veel mensen kwamen haar om raad vragen.
Ik hielp ons moeder door de huishoudelijke taken van haar over te nemen.


In de Kerkhofstraat bij de inhalingsstoet van burgemeester Frans Schepens op 5 juli 1953. Lisette staat op het balkon, Leonie in de deuropening van de winkel.

Ook bij ons vader werd ik regelmatig ingeschakeld bij klein werk.
Zoals de cijfers en letters schilderen op de houten kruisen van het kerkhof, leder jaar tegen Allerheiligen was dat een vaste klus.
Er werd dan telkens gevraagd om de verweerde kruisen op te knappen.
Ons vader schilderde ze zwart en ik deed de belettering.
Vader grapte wel eens als ik de initialen R.I.P. aan 't schilderen was.
R.I.P betekende volgens hem: 'rap in 't putteke, Peer is rot' (de initialen omgekeerd).
Ik heb ooit alle kruisen van de kloosterzusters van Sint-Annadal een opknapbeurt gegeven.
Dagenlang ben ik er mee bezig geweest.
En tal van heiligenbeelden heb ik gerestaureerd.
Ik moest ze opschilderen in de oorspronkelijke kleuren en soms afwerken met gouden biezen aan mantel of kleed.
Pastoor Govaerts gaf me ooit de opdracht om in de kerk een beschadigde muurschildering te restaureren.
In het koor, rechts naast het altaar, had binnensijpelend water nogal wat schade aangericht.
Ik moest die beschadiging minutieus wegwerken.
Pastoor Govaerts kwam ook elk jaar, tegen de tijd van Aswoensdag, zwartsel (zwart poeder) kopen.
Hij mengde dat onder de substantie waarmee de askruisjes werden gegeven.
Het was het persoonlijk geheimpje van de pastoor zijn vette, diepzwarte askruisjes waarop de buurtparochies zo jaloers waren.

Ik heb ook olieverfschilderijen gemaakt.
Eerst een hele reeks voor ons thuis, nadien op bestelling of om te verkopen in de winkel.
Later ben ik op zijde gaan schilderen.
Ik deed dat allemaal heel graag en ik kon er zonder moeite het nodige geduld voor opbrengen.


Op Lourdesreis met de Retiese kajotsters in 1957. Lisette staat voorlaatste. Uiterst rechts: onderpastoor E.H. Van Gorp, proost van de (V)KAJ.


Jos Van Mechelen was nog steeds mijn grote liefde.
Zo vaak heeft hij staan wachten, uren lang, onder de lindenboom op de Markt, om mij eventjes te kunnen zien.
Ik raakte thuis moeilijk weg, ons moeder hield alles scherp in de gaten en vroeg over alles tekst en uitleg.
Het was niet makkelijk.
En Jos moest soldaat worden.
Toen zijn diensttijd erop zat, mocht hij bij ons thuis komen en waren we 'officieel' verloofd.
Op 30 juni 1959 zijn we getrouwd, na een vrijage van acht jaar.
Moeder had er voor gezorgd dat we het huis van onze voormalige veldwachter Charel Damen in de Kloosterstraat konden huren.
Dicht bij de ouderlijke woning.
En ons moeder kon dan haar autootje stallen in de garage die bij het huurhuis hoorde.
Toch weer fijntjes bekeken van haar.
Het werd een schitterende bruiloft.
Ons vader had bij Bèreke (Albert) Mertens een jukebox gehuurd.
Die werd geïnstalleerd in onze woning in de Kloosterstraat en dat ding gaf een geluid!
Lieve God, heel de straat kon meedansen, wat dan ook daadwerkelijk gebeurde!
De koks van dienst waren Mieke Bruyninckx en Marie van Peer Gijs (Crols).
Zij hadden voortreffelijk werk geleverd.

Ik woonde graag in de Kloosterstraat.
Het huis waarin we woonden was heel ruim en goed gelegen.
Later bouwden we op het Hoog Blok (nu Nieuwstraat) een nieuw huis.
Ons Maria volgde ons voorbeeld.
Zij en haar man werden onze naaste buren.
De ringweg was nog niet aangelegd en bij slecht weer veranderde het stukje aarden weg, dat van de Gildenstraat tot aan de Akkerstraat liep en waartegen wij woonden, in een immense slijkpoel.
Toch minder prettig.

We kregen een mooi gezin met onze drie kinderen: Jan, Theo en Annemie.
En alles verliep schijnbaar op wieltjes.
Tot de dag dat Jos noodgedwongen een zware medische ingreep moest ondergaan.
Het noodlot sloeg toe.
Onze Jos stierf, slechts 58 jaar oud, op 11 februari 1992.
Het leven nam een definitieve wending.
Maar een mens moet vooruit.
Dankzij familie, vrienden en kennissen kreeg het leven opnieuw wat kleur.
Ik mag mezelf heel gelukkig prijzen om zoveel steun en hulp en ik blijf hen daar ten zeerste dankbaar voor.

... Voor altijd...

Lisette Van Deuren en Jos Van Mechelen trouwden op 30 juli 1959.
Hier het bruidspaar in de woning van Theofiel en Leonie Van Deuren-Moons in de kerkhofstraat.


Guy Aarts