Mijn vader was een klompenmaker

Ons vader is al begonnen met blokken te maken toen hij nog thuis woonde op de boerderij van vader Mermans op het Horzelend.
Het is begonnen gewoon als liefhebberij.
Op het geboer waren veel blokken nodig en schoenen waren toen veel te duur, vandaar dat hij dat ook eens geprobeerd zal hebben en waarschijnlijk is dat toen meegevallen.
Later, als hij getrouwd was en in Arendonk woonde, is hij die stiel verder blijven doen.
We hadden toen een kruidenierswinkel en hielden ook café, maar we boerden ook nog wat met een koe en een kalf.
In de winkel verkochten we ook blokken die machinaal gemaakt waren, maar de mensen hadden die niet graag.

In die blokken was geen goeie bal: de voeten pasten daar niet goed in omdat alles te recht op recht was.
De mensen hadden veel liever de blokken die ons vader gemaakt had, want die pasten als gegoten aan de voeten.

In de winter kocht ons vader gewoonlijk wat wilg en canada, vooral wilg.
Dat gebeurde op een koopdag of soms ook bij mensen aan huis.
Iedere boer had toen wat wilg staan.
Wilg diende voor lichte, droge en warme blokken en was daarom ook duurder.
In canada zat meer water en dat gaf zwaardere blokken.
Bomen die dicht bij het water hadden gestaan, waren ring: dat hout spolkte (spalkte) gemakkelijk open en werd daarom niet gebruikt voor het maken van blokken.
Daarom kocht ons vader ook niet gemakkelijk hout in de Arendonkse Watering omdat die bomen te veel water hadden opgezogen.

De bomen werden afgedaan door twee manskerels.
Die deden dat met een kortzaag, een zaag van ongeveer twee meter lang met aan elk einde een handvat.
Soms deed vaders helper, 'Joan van Nijzen' (Adriaan Nijs uit de Klotputten), de boom af zonder dat er een zaag aan te pas kwam.
De boom werd dan tot zelfs in de grond schoon gaaf gekapt met een vlijmscherpe bijl en dan ingekapt langs de kant waar hij moest vallen.
'Joan' was een specialist in dit vak en kon een boom laten vallen tot op enkele centimeters waar hij het wilde.
De afgedane (gevelde) bomen werden gehaald met een oets (mallejan) getrokken door twee zware paarden.
'Thijs Topmuts' van Retie deed dat werk voor ons vader.
Thijs woonde in een lang huis op de Pas, op de plaats waar nu tante Christine (Christine Mertens-Raeymaekers) woont.

Een rol uit een boomstam
 
Thuis werden de bomen in rollen gezaagd volgens grootte, naargelang ze moesten dienen voor mansblokken, vrouwenblokken of kinderblokken.
Kinderblokken werden ook wel eens uit een dikke zijtak van een boom gemaakt.
Op die rollen zette ons vader dan tekens met een blauw potlood, naargelang hij de rollen moest klieven voor grotere of kleinere blokken.
Het onderste van de boomstam diende voor de mansblokken en hogerop dan voor de vrouwenblokken.

Het klieven van de rollen gebeurde natuurlijk buiten.
Uit één rol gaan 4 tot 8 klompen.
Dikwijls kwamen er stukken hout tegen de schenen van ons vader terecht, zo hard dat hij daar open beenwonden van had.
Die wonden had hij al van zijn 36 jaar.
Ze kregen niet eens de tijd om te genezen, want het werk moest doorgaan.
De mensen hadden toen geen tijd om ziek te zijn.
Ons moeder verzorgde die beenwonden met wat zalf van 'Mie Broos' en daarover deed ze dan windels.
Later is ons vader nog dikwijls met dat been naar Noteboom geweest, een specialist in Antwerpen.

Na het kliefwerk werd op een post (kapblok) al een ruw model van de blok gekapt met een soort kapmes.
Dan werd de blok in de hand genomen en met een snijmes op vorm gemaakt.
Daarna werd het paar blokken in de heulbank vastgespied om een beetje met de egger uitgeheuld (uitgehold) te worden.

Om de maat van de blokken te kennen, brachten de mensen een stokmaat van hun oude blokken mee.
Ons vader had een speciale maatstok verdeeld in centimeter.
Terwijl hij de blokken aan het maken was, stak hij geregeld de stokmaat in de blokken om te zien hoever hij stond.

Uit één bol gaan 4 tot 8 klompen
 
Om het hout uit de blok te halen, begon hij aan de hielkant.
Met een goezie (guts: beitel met een hol blad) kapte hij daar het hout uit totdat de blok de juiste opening had.
Dan boorde hij eerst met een kleine egger (lepelboor) in het voorste van de blok om daar het hout weg te halen en daarna haalde hij er met een grote egger (schrooier) nog meer hout uit.
Nadien werd met een teenmes, een zooimes en een hielmes de voet binnenin nog wat beter uitgesneden en afgewerkt.
Aan de buitenkant werden de blokken met een stuk glas afgeslepen.
Voor dit werk werd de blok op een paardje (snijbank) gezet.
Daarna moesten de blokken drogen dichtbij de Leuvense stoof.
Als ze goed droog waren, werden er op de voet van de zondagse en feestblokken tekeningen aangebracht met een rits: nabootsingen van de knoopsgaten, de knoppen, de nestels (veters), het teenstuk van een schoen.
Dan werden ze nog eens afgeschuurd met schuurpapier en daarna geverfd: zwart-geel, bruingeel of volledig zwart.
Als de verf droog was, werd er overgegaan met vernis.


Gewone witte blokken werden gedragen bij het boerenwerk.
In de stal droegen de boerenmensen vooral hoge blokken.
Op de lage blokken werd een leer (lederen band, riem) aangebracht.
Hoge blokken hadden dat natuurlijk niet nodig, die bleven vanzelf aan de voet.
Ze waren ook wat duurder.
Als men met een hoge blok ergens bleef achter haken, vloog het scheel (de kap) eraf.
Ons vader sloeg dan langs weerskanten een tetsken (klompspijker) in de zool.
Met de rits trok hij dan een geul (gleuf) over de kap.
Dan spande hij een ijzeren draad van de ene naar de andere nagel (spijker) en de blok was gerepareerd.

Mensen die blokken besteld hadden, kwamen die gewoonlijk zondags afhalen, na de mis van zes, zeven, acht uur of na de hoogmis.
Dikwijls konden ze niet direct betalen en moesten ons vader en ons moeder wachten tot die mensen getrokken hadden van de melkerij of tot ze een beest verkocht hadden in de stal.
Wij, de kinderen, zijn toen dikwijls om het geld moeten gaan.
Het gebeurde ook dat sommigen wilden betalen met een stuk van het varken.
Ons moeder schreef dat allemaal op in een boekje.

Soms waren er ook wat 'moeilijker' klanten, zo van die 'kapiteintjes', weette-wel.
Een voorboor
 
Ik hoor zo nog een 'moeierke' uit de Koeistraat zeggen: Sjoarel, ik heb toch zo'n goei en zo'n warm blokken, maar hier aan mijne kleine teen zoudt ge toch nog eens een stukske moeten uithalen.
Ons vader deed dat met de glimlach.
Hij was altijd goed gezind en zong aan één stuk door als hij met de blokken bezig was: liedjes van zeven voor één frank die ze aan de kerk verkochten.
Bij ons thuis leverden ze ook blokken aan winkels: bijvoorbeeld aan 'Jan de Mot' van Postel.
Als hij een bestelling kwam doen, bracht hij een bussel wissen mee.
Dat waren allemaal maten voor nieuwe blokken.
Ik weet nog dat ons moeder in de eerste wereldoorlog een kruiwagen blokken ging leveren in Postel, zoveel wissen tegelijk.

Een wis dat is 13 paar blokken; mansblokken werden in pakken van 13 paar met een wis (wilgerijs, wilgetakje) samengebonden.
Schoenen waren toen onbetaalbaar, zelfs blokken waren tamelijk duur.

'Jan de Mot' had voor die levering toelating moeten vragen aan de Duitsers.
Ons moeder kreeg toen een Duitse soldaat mee als lijfwacht.
Vanuit Arendonk reed ze met de kruiwagen langs brug 3 en zo dwars over de heide naar Postel.
Aan de vaart was toen alles afgespannen met pinnekensdraad (schrikdraad) om te beletten dat de mensen over de grens naar Holland trokken.
Vanaf 1916 stond op die afsluiting ellentriek (elektriciteit).

De mensen van toen hadden het niet gemakkelijk.
Zwarte sneeuw zagen ze soms.

Een najager
 
Terug


Dit was een verhaal van Mit Raeymaekers-Mermans over haar vader Karel Mermans, 'Karel Van Ginhoven' (°Retie, 4 september 1879).
Opgeschreven door Walter Raeymaekers: 17 februari 1994.