Vrij algemeen wordt aangenomen dat de familie Van Kinschot voortkomt uit de belangrijke adellijke familie Van Schooten, die ook de naam Van Breda gedragen heeft.
Deze familie bezat in de 13de eeuw o.a. het leen 'Schootenbroek' in de 'prochie van Rijckevorsele'.
Het landgoed Kinschot strekte zich in de Middeleeuwen op ongeveer
dezelfde plaats uit als het gehucht Kinschot nu:
'Te weten van over de Beke gheheeten de Wampe aan het huys Dijck Loots
loopende de straetewaerts naar Kinschot van het huys van Claes De Haen
ende in de breedte zuyt-west-waerts tot aan de goeden van 't clooster
van Corssendonck ende zuydt-oost aen de Aelstbroeken tot het
waterloopken aan de Gevaert.
Item oostwaert aan de Smeelen van Tongerloo-heyde ende naar den Noorden
totte straete commende van het ghehughte van Schoonbroeck, alsoo naer
Roy wederom loopende tot aan dezelfde beecke van de Wampe'.
(Welvaerts, Corsendonc)
In zijn werk 'Turnhout'; vermeldt De Laet het bestaan in de 14de eeuw
van
'het kasteel van Kinschot, waarvan men de
plaatsing nog aanwijst op de oever van een kleine rivier'.
Waarschijnlijk had dit gebouw geen echt versterkt karakter, daar er
sprake is van een kasteel en niet van een burcht, alhoewel de ligging
aan een rivier (de Wamp) toch op een kleine verdedigingsfunctie wijst.
In de opeenvolgende generaties van de familie Van Kinschot zijn heel wat
personen terug te vinden die vrij belangrijke religieuze of politieke
functies bekleed hebben.
Voor onze streek zijn Jan, Jasper en Franciscus vermeldenswaard.
Jan Van Kinschot werd op 27 juni 1473 benoemd tot de 23ste abt van
Tongerlo.
De prelaatsverkiezing verliep echter niet zonder moeilijkheden.
Een gunsteling van de hertog van Brabant, een zekere Ferricus, kanunnik
van Kamerijk, later bisschop van Doornik, wist de keuze te doen
vernietigen en kreeg van paus Paulus III de abdij onder zijn hoede.
De kloosterlingen en de verkozen abt Jan Van Kinschot slaagden er echter
in de indringer ervan te overtuigen dat dergelijke praktijken nadelig
waren voor de kloostergeest en hij zag van het ambt af.
Een broer van Jan Van Kinschot, Jasper Van Kinschot, was kanunnik in het
Sint-Pieterskapittel te Leuven.
Hij werd meester in de Artes en promoveerde in de Godgeleerdheid.
Hij werd op 28 februari 1468 tot rector van de universiteit verkozen.
Hij werd bestuurder van de Valk, een van de vier pedagogieën die de
faculteit der Artes uitmaakten.
Deze functie nam hij waar tot aan zijn dood op 1 januari 1488.
Jasper Van Kinschot hielp de minder gegoede jongeren materieel bij hun
studies in Leuven.
Door zijn laatste wilsbeschikking van 10 mei 1487 stichtte hij twee
beurzen voor bloedverwanten en Turnhoutenaars.
Deze mochten, na met behulp van een kleinere beurs de wijsbegeerte te
hebben gevolgd in zijn pedagogie, godgeleerdheid of recht studeren in de
colleges van de Heilige Geest of van Sint-Ivo.
Franciscus Van Kinschot wordt in 1618 vermeld als raadslid in de Raad
van Brabant.
Deze raadsleden hadden als taak de hertog van Brabant te helpen met
regeren.
Op 7 april 1644 werd het landgoed Kinschot door Filips IV tot een
heerlijkheid verheven en aan Franciscus Van Kinschot verkocht voor 1500
gulden:
'Hebbe onder anderen terhandt genomen de vercoopinghe van de
Heerlyckheyt ende gehuchte van Kinschot geleghen onder de vryhcyt ende
het quartier van Turnhout, omtrent ééne uur gaens van de selve,
begrypende thien huysen sonder eenigh incomen, mette hooghe, leeghe ende
middele Jurisdictie ende Justitie enz. op expresse conditie van te
houden de voorgeschreven Heerlykheyt van Kinschot van ons tot eenen
vollen leene ter oorsaecke van onzen leenhove in Brabant'
. (Welvaerts, Corsendonc)
Op 9 maart 1650 krijgt Franciscus Van Kinschot de omschrijving van de
heerlijke rechten van Kinschot, opgesteld in naam van Amalia van Solms,
prinses van Oranje, Vrouwe van Turnhout.
Franciscus bezat de
'hoge, middele en lage'
rechtspraak.
Ter uitvoering hiervan mocht hij een meier benoemen en ook vijf
schepenen, die samen met de twee schepenen van Turnhout, die voorheen
Kinschot vertegenwoordigden, een schepenbank vormden.
Ze beschikten over het recht van kennisgeving, bericht, rechtspraak en
vonnis, in verband met alle criminele en civiele zaken.
Ze hadden eveneens het recht samen met de magistraat en de schepenen van
Turnhout te beslissen over beden en lasten.
Verder bezat Franciscus het jacht- en vismonopolie, hij mocht zich de
opbrengsten van boetes, verbeurd verklaarde goederen van bastaarden,
vreemde en verloren goederen toe-eigenen.
Hij had bovendien een monopolie op de gemene wegen en op de lege
plaatsen.
Het is ook deze Franciscus Van Kinschot die op 26 februari 1660 de
'caert' der
'Sint-Sebastiaansgulde van
Schoonbroek en Kinschot reeds vroeger opgericht door Octroy van Zijne
Majesteit' schenkt.
In de Sint-Michielskathedraal in Brussel bevindt zich het grafmonument
Van Hendrik Van Kinschot.
Boven de inscriptie 'Monumentum Familiae De
Kinschot' is het familiewapen aangebracht.
Deze Hendrik Van Kinschot overleed op 21 april 1537 en werd, evenals
zijn op 20 juni 1553 gestorven vrouw Barbe de Meldau, vóór het altaar
van de Heilige Apollonia in de Turnhoutse Sint-Pieterskerk begraven.
Tot hun nagedachtenis werd een drieluik geschilderd dat zich nog altijd
in de Sint-Pieterskerk bevindt.
In het midden wordt de marteldood van de Heilige Apollonia getoond.
Rechts is de marteling van de heilige Agatha weergegeven en links de
onthoofding van een andere heilige, waarschijnlijk de Heilige Agnes.