Het koninklijk domein der Kempen

Maria 'Marieke' Vanlommel, dochter van de kastelein van de Koningshoeve, vertelt...

Ik ben in 1919 in de Koningshoeve op de Geelse Aard geboren en ik heb daar tot in 1952 gewoond.
Zoals de naam het zegt, was de Koningshoeve eigendom van de koninklijke familie.
Ze hing af van de 'Liste civile'van de koning.
Sommigen noemen de Koningshoeve ook Leopoldhoeve, maar dat is zeker niet de echte naam.
De naam Leopoldhoeve wordt dan waarschijnlijk ten onrechte gekoppeld aan koning Leopold I, die de eerste gronden van het koninklijk domein aankocht in 1853.
(4) Ik heb mijn lagere school gedaan op Ten Aard.
Met Retie hadden wij weinig contact, wij waren helemaal aangewezen op Geel-Ten Aard.

De vorige generatie Vanlommels - mijn vader, zijn broers en zusters hebben echter geen lagere school gelopen op Ten Aard, maar wel in Retie.
Zij woonden toen in 'Den zoeten Inval' op Dessels grondgebied, de boerderij en herberg langs de grote baan van Retie naar Geel ter hoogte van de verbindingsweg van de baan Geel-Retie naar de baan Geel-Turnhout.
Die Vanlommels liepen school in Retie, omdat de weg naar Retie niet zo eenzaam was als die naar Dessel.
Mijn vader en zijn broers moesten in de gemeenteschool van Retie schoolgeld betalen, omdat ze van Dessel waren.
De zusters van mijn vader moesten in de 'nonnekensschooF in Retie geen schoolgeld betalen, maar ze moesten wel met nieuwjaar een grote gebakken krentenmik meebrengen als een soort van 'compensatie'.
Mijn grootmoeder bakte die dan.
Dat hebben de nonnekens zelf ooit tegen mij verteld.
De kinderen van grootvader Vanlommel gingen niet naar de school van Ten Aard omdat voor hen de afstand geen rol speelde: de afstand vanuit 'Den zoeten Inval' naar Retie was ongeveer dezelfde als die naar Ten Aard.
Ook de kasseiweg naar Ten Aard lag er toen nog niet.
Nonkel Jef is later een tijd naar het college van Geel gegaan, ook letterlijk, want hij trok er alle dagen te voet naartoe.
Ikzelf ben op mijn veertien jaar, na de lagere school op Ten Aard, naar de normaalschool van Berlaar gegaan en na drie jaar was ik 'bewaarschool-onderwijzeres', zoals dat toen heette.
Half juli 1937 kreeg ik mijn diploma.
Om in Berlaar te geraken reed ik met de fiets naar het station van Geel, dan met de trein naar Lier en daar stapte ik over naar Berlaar-Heikant.

Maria 'Marieke' Vanlommel
(Foto:Marieke Vanlommel).


'Den zoeten Inval' in 2003.

Ikzelf had niet voor dat beroep gekozen.
Ik praatte daar niet over, maar omdat ik een goede leerlinge was, gingen mijn ouders zogezegd eens 'klappen' met de nonnekens en daar werd besloten dat ik dat wel zou aankunnen.
Zo ging dat in die tijd.
Ik weet nog dat ik in Berlaar gebuisd was voor catechismus.
Het was toen nog een hoofdvak.
In de normaalschool werd het gegeven door een inspecteur, ik meen inspecteur Van Olmen.
Die eiste zelfs dat bij de schriftelijke antwoorden de komma's op de juiste plaats stonden!
Ik had op Ten Aard alleen de kleine Mechelse catechismus gehad, in Berlaar was dat de grote Mechelse catechismus, met uitleg dan nog.
Ik ben begonnen als bewaarschoolonderwijzeres in Weelde-Straat, dat ligt tegen de grote baan van Turnhout naar Tilburg.
Mijn eerste maandwedde bedroeg negenhonderd frank.
Dat was in 1938.
Ik kwam maar om de week naar huis.
De heen- en weerreis deed ik per fiets.
Mijn kostgeld voor het logement bedroeg 15 frank per dag.
Ik heb nooit een bepaalde periode gratis moeten lesgeven om vast benoemd te geraken.
Mijn vaste benoeming was vlug voor mekaar.
Achiel Van Elst, toentertijd proost van de Sociale Werken (ACW) in Turnhout, loodste een kleuterleidster van Weelde naar Turnhout en zo kon ik in haar plaats komen.

Na mijn bezoek aan de pastoor van Weelde had ik een sollicitatiegesprek met moeder-overste.
Een van de eerste dingen die ze vroeg, was: 'Wat heeft meneer pastoor gezegd?'
Ik antwoordde: 'Hij zegde: ge staat me wel aan.'
Waarop moeder-overste repliceerde: 'Gij zijt nogal een grote, ge zult ze wel baas kunnen.'
En de zaak was opgelost.
Na veertien dagen proeftijd kreeg ik mijn vaste benoeming al.
Zo ging dat toen.
In 1950 ben ik begonnen in de meisjesschool van Retie.
Daar ging 'meseur' Gerarda met pensioen: Maria 'Mieke' Dierckx van Schoonbroek.
Die is pas gestopt toen ze zeventig jaar was.
In die tijd mochten de kinderen pas vanaf hun vier jaar naar de 'bewaarschool' (kleuterschool).
In Retie had ik als collega's o.a. Paula Vermeire, Bertha Smets en Maria Van Deuren.
In het lager onderwijs stonden: Margriet Van Woensel (familiale afdeling), Julia Van Woensel, Anna Jacobs van Vosselaar, Julia Smets, 'meseur' Gemma en 'meseur' Antonia.
In 1969 ben ik met pensioen gegaan.
Ik was toen vijftig jaar en had dertig jaar dienst.
Toen kon dat op die manier nog.
Ik had dan wel geen volledig pensioen.
Dat laatste jaar had ik tweeënveertig kleuters in de klas.
Ooit had ik er zelfs zestig: drie-, vier- en vijfjarigen samen!

Mijn vader was Frans 'Sus' Vanlommel (1890-1958), mijn moeder Stans Dierckx (1892-1961).
Zij was afkomstig van Balen.
Mijn grootouders aan vaders kant waren Karel Vanlommel en Josephine Nietvelt.
Zij waren allebei afkomstig van Geel.
Zij hadden vijf jongens en drie meisjes: Jef (de 'grote' Vanlommel), Remi, Gust, Vic, Door en mijn vader Frans, en dan de meisjes Lucie, Marie en Melanie.
De mensen noemden mijn vader 'Sus van de Hoef'.
Ze noemden ons gezin dan ook 'die van de Hoef'.
We waren thuis met vier kinderen: Hubert (°1935) en Jef (°1924), Fien (°1922) en ik (°1919).
Ik ben de oudste.
Onze Jef is vorig jaar overleden; hij woonde in Gembloux en werkte er in een fabriek waar men ploegen maakte.
Onze Hubert woont hier tegenover mij in wat men vroeger 't Paviljoentje noemde, Heide 2, langs de fameuze kasseiweg naar Ten Aard.
Naast zijn woonhuis heeft hij een garagebedrijf.
Wij wonen allebei nog op Reties grondgebied.
Ons Fien woont op Ten Aard.
Oorspronkelijk was 't Paviljoentje in rode baksteen, maar onze Hubert heeft daar in de loop der jaren een witte steen voorgezet.
Ik vond dat toen niet schoon.
Nu zegt hijzelf ook: 'Had ik dat maar nooit gedaan !'

Trouwfoto van Frans 'Sus' Vanlommel en Stans Dierckx op 7 oktober 1917.
(Foto: Marieke Vanlommel).


Een monument van een kasseiweg.


Kasseiweg, Heide Retie.
(foto: Yvan De Vilder, omstreeks 2000).

De kasseiweg is sinds 1960 geklasseerd, gelukkig maar.
Vroeger stonden er langs deze kasseiweg eiken en beuken, zoals dat nu nog is langs het verlengde van deze weg op het grondgebeid van Geel.
Wat er nu als bomen staat op het Retiese gedeelte 'trekt op niks'.
Van tante Marie weet ik dat grootmoeder Vanlommel, Josephine Nietvelt, in 1907 de eerste steen heeft mogen leggen van die kasseiweg.
Ze zei er nog bij, dat die eerste steen niet zomaar een steen was, maar wel een grote blauwe.
Dat is ook aan te nemen, want de boordstenen zijn ook wat 'blauwig'.
De kasseiweg ligt nog volledig op Reties grondgebied.
Op de plaats waar hij overgaat in een asfaltweg begint de gemeente Geel.
Vanaf daar heet de weg niet meer Heide, maar Aardseweg.
De asfaltering gebeurde in 1967, in opdracht van de gemeente Geel, ter gelegenheid van de werktuigdagen op het domein.
De Breiloop vormt de grens tussen de gemeenten Geel en Retie.

Een anekdote.
Toen het domein verkocht werd, moet de beheerder, Albert Van Elst, bij de afwikkeling begin de jaren 1950, gedacht hebben dat de bomen langs de kasseiweg ook bij het domein hoorden.
Burgemeester Frans Schepens van Retie moet dat 'aan de weet gekomen zijn'.
Hij moet toen gezegd hebben aan Albert Van Elst: 'Als ge denkt dat die bomen van het domein zijn, dan moet ge de steenweg ook maar onderhouden.'
Wij woonden toen nog op de Koningshoeve en ik deed al school in Retie.
Om op en af te rijden, had ik een autootje gekregen.
In de draai naar Blockx - dat is nog Reties grondgebied - had burgemeester Frans Schepens een verbodsplaat 'Geen doorgang' laten zetten omdat de grond daar verzakt was.
Die verzakking was veroorzaakt door de Breiloop die daar doorsteekt onder de weg.
De verbodsplaat stond er om de steenweg niet te moeten onderhouden.
Op een keer dat ik 's morgens naar de school reed, stonden de 'gendarmen' daar.
Eigenlijk moest ik langs Kasterlee omrijden om in Retie te geraken.
'Waar rijdt ge naartoe?
Vanwaar komt ge?' vroegen ze.
'Ik kom van de Koningshoeve en ik moet naar Retie,' antwoordde ik.
'Rij maar door,' zegden ze.
En de zaak was opgelost.
In die tijd heeft men zelfs de steenweg opgemeten met de bedoeling van de kasseien te vervangen door klinkers.
Dat zou nogal wat geweest zijn als de boeren daar met hun traktoren over reden!

Boswachters

De hoeve langs de baan Retie-Geel tegenover de kasseiweg heette vroeger 'Den zoeten Inval' omdat een gedeelte ervan herberg was.
De naam van de herberg zou afkomstig geweest zijn van een prent, die in de herberg hing en waarop een jongeman afgebeeld stond die zijn kop in een bieënkorf stak.
In die boerderij-herberg woonden - als eersten van de Vanlommels - mijn grootouders Karel Vanlommel en Josephina Nietvelt.
Grootmoeder was eigenlijk afkomstig van Geel, maar later is haar familie verhuisd naar Kasterlee.
Grootvader Vanlommel, mijn peter, was de eerste van een reeks boswachters Vanlommel.
Hij werd opgevolgd door zijn zoon Jef Vanlommel, ook de 'grote' Vanlommel genoemd.
Hij was de oudste broer van mijn vader.
Die werd dan op zijn beurt opgevolgd door zijn neef, Albert Vanlommel, zoon van Remi Vanlommel.
Hij was de laatste boswachter van de Vanlommels en ook de laatste die in 'Den zoeten Inval' woonde.
Nu is hij in een rusthuis.
'Den zoeten Inval' zou gekocht zijn door zijn zoon Jef.
Ook de families Blockx, Michiels en Sterckx hebben boswachters geleverd.
Al die boswachters zijn zowat begonnen samen met Jef Vanlommel, de 'grote' Vanlommel.
De vader van Filip Blockx was al boswachter en Filip zelf is boswachter gebleven totdat het domein verkocht is in 1950.
De Blockxen woonden een eind verder langs de weg waar ik nu woon in de richting van Ten Aard.
Ik veronderstel dat Frans Michiels, de vader van Jef Michiels, ook al boswachter was.
De Michielsen woonden tegen de baan Retie-Geel, een heel eind achter Sas 7 in de richting van Geel, waar nu de garage Michiels is.
Frans Sterckx was boswachter in de Graaf, het koninklijk domein tussen Retie en Postel, eigendom van prins Karel, graaf van Vlaanderen.
Frans Sterckx woonde in een van de huizen bijna aan het kanaal Dessel-Schoten, de Turnhoutse vaart.
Vóór Frans Sterckx moet daar ook al een boswachter geweest zijn.
Ons vader sprak ooit van ene Frans Cauwenberghs.

Iedere boswachter kreeg een gebied toegewezen waarvoor hij verantwoordelijk was: Filip Blockx bijvoorbeeld, had het toezicht op het gedeelte dat we nu Prinsenpark noemen, Jef Michiels stond in voor het gedeelte van het Kempisch kanaal naar Geel toe met de Kasseman, de Knuiter, de Stoktse heide en de Zandbergen (nu SCK) en nonkel Jef had het toezicht op de Desselse bergen (de huidige KMO-zone Stenehei van de gemeente Dessel).
Ik vind het spijtig dat ze in de Desselse bergen alle bossen uitgedaan hebben.
Het was er vroeger toch zo ‘ferm’.
Ik heb ooit van de grote baan Geel-Retie naar de Boeretang in Dessel gereden.
Ge moest van de fiets gaan omdat het zo’n ‘loechte’ zand was.

De boswachters hadden een ferm uniform, dat zowat overeenkwam met dat van de douanen: een kaki broek, een vest en een stijve kepie.
In tegenstelling met het werkvolk waren zij ingeschreven als ‘bedienden’.
Ook ons vader, als kastelein op de Koningshoeve, was geboekt als bediende.
Dat was later voordelig voor het pensioen.
Bij de verkoping van het koninklijk domein, in 1950, werden de boswachters eigenaar van hun woonst.
Dat was zo voor nonkel Jef in 'Den zoeten Inval', voor Filip Michiels en ook ons vader werd eigenaar van ’t 'Paviljoentje'.
Of dat voor Frans Sterckx ook het geval was, weet ik niet.
Eigenlijk was dat ‘normaal’, want zij werden halsoverkop zonder werk gezet.
De boswachters hadden allemaal een herberg waarin hun vrouw stond en ze hadden ook de ruimte om met een paar koeien te boeren.
Ons vader is dan in 1952 met zijn gezin verhuisd naar ’t 'Paviljoentje'.
Dat was ook op 7 oktober, precies 35 jaar nadat hij op 7 oktober 1917 getrouwd was.
In 1958 is hij daar overleden.
In 1961 is onze Hubert in ’t 'Paviljoentje' komen wonen, het jaar dat ons moeder gestorven is.
In 1962 ben ik van ’t Paviljoentje verhuisd naar mijn nieuw gebouwde woonst hier op Heide 1.


De woning van Maria ‘Marieke’ Vanlommel op Heide 1, Retie.
(Foto: maart 2007).


De woning ’t 'Paviljoentje' van Hubert Vanlommel op Heide 2, Retie.
(Foto: maart 2007)..


De boswachters moesten letten op de goede gang van zaken in het domein: branden bestrijden, stormschade noteren, stropers en houtdieven in de gaten houden.
Ze konden geen processen-verbaal opstellen, maar wel overtreders terechtwijzen.
Hier op Ten Aard groeiden geen bosbessen in de bossen zoals in het Reties Goor of in Postel, maar wel heel veel paddenstoelen, vooral cantharellen.
Ik weet van een brand op de Stoktse heide.
Van georganiseerde pompiers was toen nog geen sprake.
Al het werkvolk moest met takken proberen de bosbrand uit te slaan.
Nu groeit op de plaats van die vroegere brand jaar op jaar maïs.
De brand op de Stoktse heide moet na de Tweede Wereldoorlog geweest zijn, want onze Hubert vertelde me onlangs dat hij dat nog wist.
In de dreven tussen de ‘carrés’ stonden eiken en beuken.
De schoonste dreef van het domein was de Platdreef, vond ik.
Nu staat in ’t Plat de Willibrordushoeve, een moderne ‘Canadese’ boerderij.

Een anekdote.
Boswachter Michiels had het eens aan de hand met een vrouw die met de kruiwagen aan ’t hout sprokkelen was.
Vlakbij stond een plaatje ‘Verboden toegang’.
Hij vroeg: ‘Kunt gij niet lezen?’
‘Nee’, antwoordde ze.
Toch las ze alle dagen de gazet.
Later is over dit voorval een artikel verschenen in Het Nieuwsblad van Geel.
Raar maar waar, het bleek de moeder te zijn van de twee dochters die bij ons op de Koningshoeve werkten.

Ploegbazen en waterbazen

Naast de boswachters waren er ook ploegbazen en waterbazen.
Een legendarische ploegbaas uit de jaren 1920 was Peer Roeymans, ‘Peer van de Goeie’, uit Retie.
Hij kwam alle dagen te voet naar het domein.
Het moet nogal een rare geweest zijn.
Zo gaat over hem de volgende anekdote: ‘Een ploegbaas moet niet werken’, zei hij geregeld aan zijn werkvolk.
Hij ging dan tegen een boom zitten en viel na een tijdje in slaap.
Als hij dan wakker werd, riep hij naar zijn volk: ‘Gèllie doet mèrdju niks dan slapen!’
Peer Roeymans werd opgevolgd als ploegbaas door Remi Vanlommel, een van de broers van mijn vader.
Van de Retiese mensen herinner ik me nog Jan Mariën en zijn zoon Gust van het Bosend.
Die kwamen op het domein bomen tot gordingen, kepers en planken zagen.
Dat werk deden ze met zijn tweeën: de ene boven op een stelling en de andere beneden in een put.
Ook Sus Verkuringen weet ik hier nog komen.
Hij deed hier veel ploegwerk met de muildieren.

Nonkel Vic Vanlommel, een broer van mijn vader, was een waterbaas, samen met Peer Seykens van Ten Aard en Jef Dierckx van Millegem.
Dat waren de voornaamste drie met nonkel Vic als ploegbaas.
Nonkel Vic woonde toen in ’t Paviljoentje, waarin nu mijn broer Hubert woont.
De waterbazen waren verantwoordelijk voor de waterhuishouding op het domein.
Het kalkrijke water werd aan Sas 6 afgetapt van het Kempisch kanaal.
De hoofdtoevoergracht, het Vaartje, begint ter hoogte van Sas 6, loopt onder de grote baan Retie-Geel door en splitst zich dan in twee: de ene vertakking gaat het Prinsenpark in, de andere loopt verder naast de baan Retie-Geel en slaat een eind verder rechtsaf in de richting van Ten Aard en voedt o.a. de Kattesteertvijver.
Op de vertakkingskanaaltjes (brede grachten) stonden sluisjes.
Ze waren gemetseld in baksteen en konden afgesloten worden met houten schutsels.
Op die manier kon men de watertoevoer regelen.
Al die kanaaltjes, hoofd- en bijkanaaltjes, werden met de hand gegraven door het werkvolk van het domein.
Zo weet ik nog dat er vanaf de Koningshoeve een dreef was naar Sas 7, aan het einde van die dreef lagen de beemden van de Molse Tip.
Daar was o.a. een kanaaltje met een sluis.
Ze noemden dat ’t Sluiske.
Er liep ook een kanaaltje naar de Koningshoeve dat er nu nog is.
Vroeger, vóór de tijd van de Koningshoeve, moet er rond die vroegere boerderij een vest geweest zijn.
Toen wij er kwamen wonen, was de helft van die vest echter al dichtgegooid.

De waterbazen moesten er ook voor zorgen dat de scheuten op de stammen van de canada’s afgestoken werden.
De bedoeling was gaaf hout te bekomen, hout zonder ‘wieërs’.
Op zowat dertig jaar zijn canadapopulieren kaprijp.
Die canada’s stonden langs de waterkanaaltjes in de beemden van de watering.
Die bomen hebben per dag een enorme hoeveelheid water nodig.
Ik weet niet meer hoeveel precies, maar ‘het doet lelijk’!
Het snoeiwerk aan de canada’s deden ze met schupje aan een lange houten steel.
Het echte snoeiwerk aan de bomen gebeurde alle jaren door ene Fons Heurckmans van Millegem.
Ik heb nooit gezien dat die mannen ladders gebruikten, wel dat ze met klimijzers in de bomen klommen.
Een aparte stiel!
De voornaamste watering was links en rechts van de fameuze kasseiweg.
Daar kwamen de boeren ook het hooi bezichtigen om het eventueel te kopen.
In het najaar was er de toemaat.
Natuurlijk ging er ook heel wat hooi naar de Koningshoeve.
Ooit heb ik gelezen dat er in de wateringen van Lommel toch meer hooi per hectare gewonnen werd dan hier op het domein.
De opkopers van de canada’s waren doorgaans mensen van de ‘stekskesfabrieken’ (luciferfabrieken) voor de fabricage van lucifers en ook van houten verpakkingen.

‘Konziejems’


De statige woning De Kroon van de gezusters Van Elst op de hoek van de Passtraat en de Markt te Retie omstreeks 1910.

Ook nonkel Jef, een andere broer van ons vader, was boswachter.
Hij was niet getrouwd en deed de boekhouding van het werkvolk van het domein.
Hij doorkruiste alle dagen met zijn fiets het domein en noteerde wie er aan het werk was.
Hij telde dan de lonen uit.
Om de veertien dagen betaalde hij in 'Den zoeten Inval' de ‘preeën’, de ‘konziejems’ (de quinzaines) uit aan het werkvolk.
Er werden op het domein nogal veel Franse woorden gebruikt als quinzaine, pépinière (boomkwekerij), carrés (blokken), régisseur (beheerder).
Het geld om het werkvolk uit te betalen, haalde nonkel Jef bij de gezusters Charlotte, Victoire en Aloysia Van Elst in De Kroon op de Markt in Retie.
Iedere zondag - ik denk na de mis van acht uur - moest hij bij hen verslag uitbrengen.
De gezusters Van Elst moesten waarschijnlijk op hun beurt verantwoording afleggen tegenover iemand van de ‘Liste civile’, een ‘intendant’ (rentmeester) van het koninklijk hof in Brussel.

Het bier dat ze in 'Den zoeten Inval' en ook bij de andere boswachters tapten, kwam van de brouwerij De Zevenster van de familie Van Gansewinkel op de Markt in Retie.
Van ‘blijven hangen’ in de herberg heb ik nooit gehoord, de mensen hadden hun geld immers broodnodig.
Als er in de zomerperiode gemaaid werd, kwam men bij ons in de Koningshoeve flessen bier halen.
Waarschijnlijk was dat toen een soort donker tafelbier.

De gezusters Van Elst van De Kroon hadden ook een winkel met voedings- en confectiewaren.
Ik weet niet of het werkvolk verplicht was om daar de aankopen te doen.
Wel weet ik dat grootmoeder Vanlommel alle weken in Retie naar de kerk ging en ‘in passant’ in De Kroon haar aankopen deed.
Iemand van haar jongens moest dan meegaan om de ‘kabas’ te helpen dragen.
In die tijd waren er ook nog niet zoveel van dat soort winkels.

De Koningshoeve

Mijn vader werkte als jongeman eerst ‘op den tram’ in Antwerpen.
Zijn broer, Vic Vanlommel, woonde toen in Antwerpen en bij hem was mijn vader op logement.
Pas na zijn huwelijk in 1917 werd hij kastelein op de Koningshoeve.
Maar voor die tijd was hij ook al werkzaam op het koninklijk domein.
In 1950 is het koninklijk domein verkocht en in 1952 verkaveld.
Wij zijn in de Koningshoeve mogen blijven wonen tot in 1952.

Als kastelein was mijn vader dag en nacht verantwoordelijk voor het geboer.
Hijzelf is nooit boswachter geweest.
Al heeft hij wel eens ooit gevraagd aan de beheerder, dokter Jules Van Elst, of hij in Postel aan de slag mocht als boswachter, maar die antwoordde dat hij hem niet kon missen op de Koningshoeve.
In de drukste periode van het koninklijk domein was er zowat negentig man in dienst op het domein.
Er was veel volk nodig, want alle werk moest met de hand gebeuren.
Mijn vader verdiende, net als het werkvolk, 16 frank per dag.
Maar hij was vrij van huur en stook, melk en boter waren gratis, en hij mocht jaarlijks een varken slachten.
Ons moeder zei altijd: ‘We stoken zolang als dat de koning bomen heeft.’
Brood bakten wij zelf.
De boerderij was heel modern voor die tijd.
Er was een melkmachine, een boterstand en natuurlijk een boterafromer.
Al die machines werkten op elektriciteit.
Die kwam niet van een elektriciteitsnet maar werd geproduceerd door een motor, van het merk ‘Lister’, eerst op benzine, later op diesel.
Zolang de motor draaide, hadden we licht.
Als de motor zijn werk gedaan had, gebeurde de verlichting met petroleumlampen.
Elektriciteit van het net is er pas in 1948 gekomen.
Vanaf 1933 bracht iemand alle dagen met een looppaardje en een gerij de melk naar de nieuw opgerichte melkerij in Retie.
In de beginperiode van het geboer hadden we twaalf koeien op stal, die ’s morgens om zes uur en ook ’s avonds rond zes uur gemolken werden.
Er werd niet op uren gekeken, niet op de boerderij maar ook niet in de ontginning.
Daar begon het werkvolk rond zeven uur ’s morgens en stopte rond vijf of zes uur ’s avonds.
Ik weet niet of er verschil was tussen de zomer- en de wintertijd.
Toentertijd waren er op de hoeve ook een knecht en een meid, broer en zuster, die bij ons bleven inslapen.

De Koningshoeve was heel vooruitstrevend wat betreft machinerie.
In de jaren 1920 reden hier al drie of vier tractors.
Enkele jaren later werd het gras machinaal gemaaid, de haver en de rogge (koren) werden machinaal gepikt, de gerven machinaal gebonden en daarna machinaal gedorst, ook het hooien gebeurde met een hooimachine.
De machines van het merk Allis-Chalmers werden aangekocht door de beheerders, de Van Elsten.
Die waren heel ingenieus.
Een anekdote: De paarden op de Koningshoef en ook de paarden die op het domein werkten, kregen alle dagen ‘zwart brood’ (zwaar roggebrood) ‘gevoeierd’.
Dat brood kwam van ene Raeymaekers uit Retie, namelijk ‘Fik van ’t Meulderke’.
Die stond in heel de omtrek bekend voor zijn buitengewoon lekker ‘zwart brood’, dat de mensen aten bij het spek uit de pan.

Later, rond 1950, hadden we op de Koningshoeve een vijftigtal melkkoeien, zes trekpaarden en een hengst, twee muildieren: een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie, enkele veulens die opgeleerd werden als trekpaard, een paar kippen, een hond en een paar ganzen.
Bij ons zegden ze altijd: ‘Als ge ganzen hebt, moet ge geen waakhond hebben.’
In vroegere tijden waren er in de plaats van paarden waarschijnlijk trekossen.
Ooit is er de ‘pootjesziekte’ (mond en klauwzeer) onder het vee geweest.
Met ontsmettingen en schutkringen heeft men dat toen waarschijnlijk opgelost.
De veeartsen die wij toen hadden, waren Verelst van Mol en Van Doninck of Godtsseels van Geel.
Die dingen weet ik niet zo goed, omdat ik veel op school was.
We hadden in de jaren 1940 ook een stamboekvarkenskwekerij van Duitse veredelde landvarkens.
Er waren tijden dat we vierhonderd varkens hadden.
Het voeder voor de varkens mengden we zelf op de hoeve, want daar was ook een graanmolen voorhanden in het molenhuis.
Het varkenseten bestond uit een mengeling van gestoomde aardappelen en roggemeel.
Een deel van de biggetjes werd verkocht als kweekmateriaal aan de boeren van de omliggende dorpen.
Die kwamen de varkens hier op de hoeve kopen en ophalen.
Maar er kwamen ook beroepsopkopers, zoals Stan Dom van Kasterlee.
De motorcrossers Stan en Karel waren zonen van Leon Dom, een broer van Stan, de veehandelaar.
In de tijd dat ik in Berlaar op school was, hadden we op de hoeve een zeug die een kampioenstitel had behaald.
Ze heette Bertha.
Mijn vader had een foto van Bertha op de briefomslagen laten drukken voor zijn correspondentie.
Als ze dan ‘van thuis’ een brief schreven naar mij, zagen ze in Berlaar direct voor wie de brief bestemd was!

Ik weet niet wanneer de Koningshoeve gebouwd is.
Het was voor die tijd toch een enorm gebouw.
Het oude gebouw, woonhuis met stallen en de schuur, was opgetrokken in Boomse baksteen met donkere sierranden in dezelfde steensoort.
Het waren zeker geen holle muren, geen spouwmuren.
Alle afzonderlijke gebouwen waren min of meer in een vierkant ingeplant.


De huidige Koningshoeve. (maart 2007).

Het woonhuis met de aanpalende stal vormden een blok, ook de schuur was helemaal afzonderlijk ingeplant.
De varkensstallen zijn gebouwd in mijn jeugdjaren.
Het waren twee afzonderlijke blokken die met mekaar in verbinding stonden.
Tegen een van die blokken lag het molenhuis en daartegen was er een buitentrap naar de zolder boven de koeienstal.
Zo kon men ook naar de tweede varkensstal.
De koeienstal was helemaal onderkelderd om de beer (aal) te kunnen opvangen.
Die werd met de hand opgepompt en weggevoerd naar de akkers.

In de winter kon het bij ons heel koud zijn, want er brandde alleen maar een Leuvense stoof in de woonkamer.
Ze stond op de plaats waar vroeger een grote open haard was.
In mijn tijd was die al dichtgemetseld.
In de oven van de Leuvense stoof bakte ons moeder taarten.
In de winter zette zij de warme ovendeuren open en daarop legde ze onze sloefen tegen dat we uit de school kwamen.
’s Avonds gingen we allemaal naar bed met een warm strijkijzer met een handdoek errond om ten minste toch warme voeten te hebben.
Later gebruikten we daarvoor een koperen bus met warm water in.
Geregeld stonden er ’s morgens in de winter ijsbloemen op de vensters, soms stond er zelfs ijzel op de dekens.
Ik herinner me nog de heel strenge en lange winter van 1941-1942.
Toen was het met Lichtmis beginnen te sneeuwen en de sneeuw bleef zes weken lang liggen.


In mijn kinderjaren hadden we ook nog een ‘kerfoewer’ (komfoor): het was een soort gemetselde stoof met vanonder een gat om de asse weg te nemen en vanboven een plaat om op te koken.
Later is dat ‘kerfoewer’ uitgebroken.
Ieder week bakte ons moeder brood in de grote houtoven in het bakhuis.
Die werd warmgestookt met mutserds.
De buurvrouw kwam dan ook.
Ze was getrouwd met ene Borgers van Retie.
Samen bakten ze dan een tiental broden.
Ik weet niet meer of dat allemaal wit of bruin brood was of van allebei de helft.

In de Koningshoeve was ook een installatie om graan te malen.
Onze Jef had die gemaakt.
Hij was een ‘duvel-doet-al’.
Hij had helemaal geen vakschool of technische school gedaan, maar was wel een tijdje in het college van Geel geweest.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij nog juist geen zestien jaar.
Hij was van september 1924.
Hij moest onderduiken voor de Duitsers om niet weggevoerd te worden naar Duitsland om daar te gaan werken.
Toen de school herbegon in 1940 waren er bijna geen studenten.
Hij kwam thuis van de school en zei: ‘Ik ga niet meer naar school!’
Ons vader antwoordde: ‘Dan moet ge maar op de boerderij werken.’
En dat is toen ook zo gebeurd.

Nu is de Koningshoeve eigendom van de familie Biermans en dat ‘van ouders op kinderen’.
In de tijd van de ruilverkaveling heeft Biermans zijn boerderij in Kasterlee geruild tegen de Koningshoeve.
Die staat momenteel te koop.
Naar het schijnt zou de provincie Antwerpen interesse hebben om ze aan te kopen.
De gronden van de Koningshoeve komen tot tegen de Hooibeekhoeve, die nu reeds eigendom is van de provincie.
Die zou in de Koningshoeve een museum willen maken.

Het was niet moeilijk om werkvolk te vinden voor het domein.
De mensen waren er doorgaans content.
Ze boerden thuis met een paar koeien.
De vrouw ging voor de beesten voeder snijden aan de grachtkanten en de mannen kwamen op het domein werken.
De kinderen van Ten Aard kwamen hier al werken op hun veertien.
Ik hoor het ons vader nog zeggen: ‘Die en die daar heb ik nog met de kruiwagen leren rijden.’
Op Ten Aard moet er er nog ene in leven zijn die vroeger op het domein gewerkt heeft.
De anderen zijn allemaal dood, denk ik.
Het meeste werkvolk kwam van Ten Aard, van Millegem en Achterbos, maar ook van Retie en Dessel, en zowat van alle omliggende dorpen.
En iedereen kwam te voet.
Dat was de gewoonte in die tijd.
Vanuit Geel kwamen er twee meisjes werken op de Koningshoeve.
Alle dagen kwamen ze te voet van de Barreel in Geel naar hier.
Ze deden alle soorten werk op de boerderij.
Bij het melken was er wel iemand van de jongens bij omdat dat machinaal gebeurde.
De meisjes wasten o.a. de melkmachine af, deden ander werk in de stal en in het seizoen harkten ze bijvoorbeeld de bietenvelden.

Het koninklijk domein

De geschiedenis van het koninklijk domein is nauw verbonden met de wet van 1847 waarbij de gemeenten gedwongen werden om hun vage gronden te verkopen.
Als ze dat niet deden, zouden ze op die gronden zwaar belast worden.
Aanvankelijk waren er geen kopers voor die gronden, omdat de percelen te groot waren.
Baron Coppens kocht in die tijd toch de Kievit aan.
Baron Coppens was bevriend met koning Leopold I.
Ze hebben samen hier de streek verkend en de koning heeft dan in het jaar 1853 zowat vierhonderd hectare grond aangekocht.
Aanvankelijk wilde Leopold I midden in het domein een kasteel als buitenverblijf bouwen, maar die plannen zijn niet doorgegaan.
Uiteindelijk strekte het domein zich uit over de gemeenten Dessel, Geel, Kasterlee, Mol en Retie.
In Geel was dat het grootste deel van het grondgebied Ten Aard, de Stoktse heide maar ook de grote heide van de Kasseman en de weilanden van de Knuiter, voordien een en al wildernis.
Dus een gedeelte over het Kempisch kanaal richting Geel en een deel aan deze kant van het Kempisch kanaal richting Retie.
De gemeente Retie van de grens met Geel aan de Brijloop tot en met het huidige Prinsenpark.
De gemeente Dessel tot en met de Desselse bergen tegen Mol.
De gemeente Mol met de ‘bergen’ van Achterbos.
Ook nog in de gemeente Retie het Goor, de ‘Graaf’ geheten naar de eigenaar de Graaf van Vlaanderen, tussen Retie-Brand en het kanaal Dessel-Schoten.
Een beperkt gedeelte onder de gemeente Kasterlee.
En het uitgestrekte domein in Mol-Postel.

Wie op het koninklijk domein tussen Retie en Postel of op het domein in Postel werkte, werkte ‘in de Graaf’.
En wie werkte op het domein tussen Retie en Geel, werkte ‘in de Retiese of de Geelse Aard’.
Dat was toen het gezegde.
Alles tezamen besloeg het Koninklijk Domein der Kempen zowat 4.000 hectare.

Oorspronkelijk moet heel dat gebied bestaan hebben uit woeste gronden, heide, vennen, moerassen.
Toen in 1950 het domein verkocht werd, moesten mijn broers in het Reties Goor, de ‘Graaf’, posten gaan uitstoten met een bulldozer met grote tanden in plaats van een schup.
Ze zakten daar zo diep in ’t moeras met die zware machines dat het niveau van de grond gelijk kwam met de vloer van de cabine.
En hier moet dat ook zo geweest zijn in de lagere gedeelten met al die vijvers.

Boswachter Filip Blockx heb ik ooit horen zeggen misschien wist hij het van zijn vader dat de panden en de greppels in het park volledig met de hand zijn aangelegd.
Het werkvolk verdiende toen één frank per dag.
Degenen die zelf een os of een paardje met een kar meebrachten, kregen anderhalve frank per dag.
Dat was in de beginperiode van de ontginning van het domein.
In de beginperiode heeft men het plantgoed voor de aanplantingen van bossen misschien elders gehaald, misschien wel bij de familie Willekens in Retie familie van de Van Elsten maar ik weet alleen van een eigen boomkwekerij, een ‘pépinière’, op het domein.

Bulldozer met ‘tanden’.

De boomkwekerij lag naast de watering, richting Retie, op de plaats waar nu de Parkhoeve staat.
Ze strekte zich uit tot aan de baan Retie-Geel.
Het werkvolk noemde ze de ‘puppeljère’.
Onze Jef was de verantwoordelijke voor de boomkwekerij.
De prachtige beuken en eiken in het Prinsenpark zijn toen geplant!


De Parkhoeve. (maart 2007).

Het domein werd op verschillende manieren ontgonnen: op de hogere gedeelten kwamen er aanplantingen van diverse boomsoorten, op de lagere gedeelten beemden en wateringen.
In de beginperiode van de ontginning van het domein gebruikte men straatmest uit Antwerpen en Brussel als bemesting.
Dat kwam met boten langs het Kempisch kanaal.
Later vervingen de scheikundige meststoffen, de ‘chimique’ als guano, kaïniet (potas), metaalslakken (zwarte mest), fosfor en stikstof, de organische mest, de straatmest.
De scheikundige meststoffen werden aangewend op advies van landbouwingenieur Philippe Van Elst.
De gezusters Van Elst van De Kroon leverden ze vanuit hun magazijn aan de tramwissel in Retie, dichtbij de melkerij op de Molsebaan.
Toen ik in 1938 begon met lesgeven, gebruikte men die scheikundige meststoffen al.
Het hooi en het stro werden jaarlijks verkocht op een ‘hooikoopdag’ aan geïnteresseerde boeren van o.m. Dessel, Millegem en Achterbos.
De verkopingen gebeurden door notaris De Vel van Retie in de herberg Den zoeten Inval.
Na de aankopen overlegden de boeren onder mekaar: ‘Waar ligt gij met uw perceel?
En gij?
Ik lig aan ’t gemeentehuis.’
Met het gemeentehuis bedoelden de boeren toen ’t Paviljoentje, omdat die woning trappen had, net als een gemeentehuis.

Er ging ook een groot gedeelte van het hooi en het stro naar de natiepaarden aan de haven van Antwerpen, en naar de paarden van de ‘paarden-tram’ in Antwerpen.
Dat hooi en stro werd verscheept aan de grote hooischuur bij Sas 7, aan deze kant van het Kempisch kanaal.
Het hooi werd verpakt in pakken van 30 à 35 kilogram en samengebonden met een ijzerdraad.
In de septemberdagen van 1944 werd de schuur in brand geschoten.
De Duitsers zegden dat het de Engelsen geweest waren en de Engelsen beschuldigden de Duitsers ervan.
Een deel van de bakstenen pilaren staat er nu nog.
Maar dat is ook alles. Het dak was gemaakt van eternitplaten.
Bij de brand hoorden we het geknetter van de stukspringende platen tot in de Koningshoeve.
De schuur stond er zeker al in 1938.
Ze was vele jaren een toevluchtsoord voor landlopers, die er de nacht doorbrachten.

Ik weet ook dat er veel ‘patatten’ geleverd werden aan het Belgische leger.
Van leveringen voor de paarden van het kamp van Beverlo heb ik geen weet.
Natuurlijk ging er ook heel wat hooi naar de Koningshoeve.
En ook haver voor de paarden en koren (rogge) voor de koeien en de varkens.
Ook werd er geregeld hout verkocht aan o.a. de kolenmijn van Beringen.
Het hout diende om ‘stutten’ van te maken als ondersteuning van de mijnschachten.
Nonkel Jef noemde het ‘zwarte mast’.
De boomstammen werden met de treintjes op de smalspoorbaan naar de schepen op het Kempisch kanaal gevoerd.


De ruïne van de hooischuur bij Sas 7. (maart 2007).


Schapen

Op het domein was er ook een grote schaapskooi met zowat driehonderd schapen.
Juul Sterckx en Frans Spoormans (‘Blaaizes Boer’) van Arendonk waren de eerste schaapherders.
Juul Sterckx was een broer van Frans Sterckx uit Retie, want hij moest tegen Jan Sterckx van De Kroon nonkel zeggen.
Hij woonde met zijn gezin bij de schaapskooi.
Spoormans kwam op en af vanuit Arendonk, want die had toen al een auto.
De schapen werden vooral gehouden voor de wol, niet voor de melk.
Het scheren van de schapen gebeurde door Sterckx en Spoormans.
Dat waren echte ‘schapenmannen’.
De schaapskooi lag aan Kattesteertvijver.
Alle vijvers hier hadden een naam.
Zo was er o.a. ook de Geertrijkvijver, nu de grote vijver van het Prinsenpark.
Op de plaats van de vroegere schaapskooi staat nu de villa van Ludo Smits, schuin tegenover de plaats waar ik nu woon.
Ik heb de schaapskooi nog weten bouwen: een groot gebouw in grote betonblokken.
Wie vroeger in de wateringen wandelde, had veel kans de herder met zijn schapen tegen te komen.
Bij de verkoping van het domein in 1950 is een groot deel van de kudde naar een bepaalde vlieghaven gegaan om daar de bermen af te grazen.

Toen baron Coppens rond 1840 de eerste gronden in de Kievit (Grote en Kleine Kievit) aankocht als jachtdomein, was het kanaal vanuit Herentals nog niet tot hier uitgegraven, alleen nog maar tot aan Ten Aard of nog verder terug.
Dat werk verliep ook heel traag, omdat alles met de hand en de schup moest gebeuren.
Het Albertkanaal is trouwens nog in de jaren 1930 met de hand gegraven.
Mijn vader vertelde me ooit – hij zal het ooit horen zeggen hebben van zijn vader: ‘Voordat er bossen stonden aan het kanaal, hoorden wij de haan vanuit de Bleken in Millegem tot hier kraaien.’
Dat was toen hier een grote heidevlakte.
Er waren toentertijd heel veel schaapskudden die de heide afgraasden.
In die tijd moet er in Geel ’s nachts ook een ‘doolklok’ geluid hebben om verdwaalde mensen de kans te geven zich weer te kunnen oriënteren.
Zo stil en eenzaam moet het hier toen geweest zijn.

Na de Eerste Wereldoorlog is het gebied van de Kievit in kavels verkocht aan de familie Dierckx de Casterlé, notaris Verbist uit Geel en landbouwer Marten Smeyers.

‘Koninklijke’ bezoeken

In 1927 is koning Albert I op bezoek geweest in de Koningshoeve.
Wij moesten die dag niet naar school op Ten Aard.
De koning kwam vanuit Brussel met de trein tot in Geel.
Daar moest chauffeur Jan Sterckx – die in een bijgebouw van De Kroon in Retie woonde – de koning ophalen.
Die ‘luxe-voiture’ moest te allen tijde beschikbaar zijn voor de leden van de koninklijke familie.
De koning is toen bij ons binnen geweest.
Omdat er in die tijd nog geen melkerij in Retie was, boterden wij zelf.
Ons moeder legde de boter op dikke glazen platen te drogen in de kelder.
Die dag had ze er speciale zorg aan besteed.
Ze had op de boterbollen heel mooie tekeningen gemaakt.
De koning wilde de boter zien en trok mee naar de kelder.
‘’t Is net een mooie bloementuin van boter’, moet hij toen gezegd hebben.
Ons moeder heel fier, natuurlijk!
De koning vroeg ook om een tas melk.
Ons moeder nam een tas uit het schoon servies, dat ze gekregen had bij haar huwelijk.
Na het vertrek van de koning bond ze aan het oor van de tas een strikje in de Belgische driekleur als souvenir.
De dag van het bezoek van de koning kreeg iedere werkman van het domein twintig frank extra.
Dat was in die tijd een schoon bedrag.



Prinses Joséphine-Charlotte op bezoek in de Koningshoeve, augustus 1942.


Prinses Joséphine-Charlotte en haar gouvernante in de Peperstraat in Retie.
(Foto: privé-archief Edward Sneyers augustus 1942).


Toen prinses Joséphine-Charlotte jaren later, in 1942, op bezoek was, kwam er sprake over de tas met het ‘koninklijk’ strikje.
De prinses moet toen aan haar gouvernante gevraagd hebben: ‘Als ik uit een tas zou gedronken hebben, zou mevrouw rond die tas ook een strikje rond gebonden hebben?’
De gouvernante liet aan ons moeder horen dat de prinses graag wafels at en verlekkerd was op ‘chocoladekoffie’.
‘Ze zal het hebben’, antwoordde ons moeder.
Op een zekere dag kwam de prinses de boerderij afzien.
Ons moeder had de tafel gedekt in de ‘goei’ kamer, de schone kamer.
Wij, de kinderen, moesten ook mee aanschuiven.
Toen de prinses de ‘chocoladekoffie’ zag, wipte ze van haar stoel omhoog en riep: ‘Oooh, chocoladekoffie!’
Nadien was ze met ons vader naar een weide gegaan om naar de veulens te kijken.
Toen ze voorbij een rapenveld kwamen, vroeg ze wat dat was.
Ons vader liet ze eens proeven.
Spontaan zegde ze: ‘Hmm, dat lust ik wel tweemaal per dag!’

Ook prins Karel is hier ooit geweest.
Ik herinner me dat nog goed, maar ik weet niet meer in welk jaar dat was.
Hij kwam geregeld jagen op zijn domein in Postel.
Dichtbij het kanaal Dessel-Schoten had hij een blokhut.
Daar kookte een zekere Fien voor hem.
In 1937 kwam prinses Marie-Josée op bezoek om het domein te bezichtigen.
Ze was vergezeld van mevrouw de Landtsheere.
Koning Leopold is hier nooit geweest en Lilian Baels, prinses van Rethy, ook niet.
Ik heb nooit horen vertellen dat prins Filips, graaf van Vlaanderen, hier ooit is geweest.

Ik heb wel horen zeggen dat, in het begin van de jaren 1950, koningin Marie-Josée met dokter Albert Van Elst hier is komen kijken naar een van de nieuw ingeplante ‘Canadese’ hoeven met open loopstal.
Zij moet in Zwitserland een boerderij hebben gehad die afgebrand was en ze wilde die vervangen door een moderne boerderij met open loopstal zoals er hier stonden.
Die ‘Canadese’ boerderijen waren zodanig gebouwd dat men er een twintigtal melkkoeien kon houden.
Maar er zijn later boeren geweest die zelfs honderd koeien hadden.
Alles was afgestemd op veeteelt, vandaar dat er ook zoveel maïs gekweekt werd.
Nu is dat gedaald naar veertig, vijftig koeien.
Dat is momenteel wel een maximum, omdat de boeren anders verplicht zijn gronden bij te huren.
En dan is er nog het probleem van de melk-quota en de mestverwerking.
Ze plagen de mensen dat het op ‘niks en trekt’!


Hoeve met open loopstal in opbouw in de jaren 1950.

Over de anekdote ‘Joséphine-Charlotte en de gesloten kerkdeur’ kan ik het volgende vertellen.
De prinses was tijdens haar vakantie in ’t Paviljoentje in 1942, samen met haar begeleiders, per fiets naar de mis van 15 augustus (Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart) in Retie gereden.
Ik weet niet meer precies of het de mis van negen of die van tien uur was.
Ze kwamen iets te laat aan en de kerkdeur van de hoofdingang was al gesloten.
Pastoor De Voght moet erop gestaan hebben dat, bij het begin van de mis, de kerkdeur werd gesloten.
Hij moet het beu geweest zijn dat het altijd dezelfden waren die te laat kwamen.
Een bepaalde ‘notabele’ uit het dorp moet daar ook als ‘vaste klant’ bij geweest zijn.
Die had zich ooit laten ontvallen: ‘Ik moet ook op de boeren wachten, dan moet hij (de pastoor) ook maar op mij wachten.’
De ‘notabele’ had de gewoonte te buurten met de boeren onder de lindeboom.
De komst van de prinses moet toen gemeld zijn aan de pastoor en de prinses en haar begeleiders zijn dan binnengelaten langs de sacristie, aan de zijkant van de kerk.


De Braselhoeve gelegen aan de weg Geel-Retie op Reties grondgebied.



Rentmeesters en beheerders

Wie de eerste beheerder van het koninklijk domein was, heb ik nooit geweten.
Wel weet ik dat hier in ’t Paviljoentje ooit iemand gewoond heeft die toch wel iets te zeggen had op het domein.
Ze noemden hem meneer Victor, soms ook wel Fikske.
Mijn grootvader had nog bij hem gewerkt.
’t Is langs deze man dat mijn grootvader hier boswachter is geworden.
Die meneer Victor moet aan grootvader gezegd hebben: ‘Ge moet zorgen dat ge soldaat geweest zijt in ’t leger.
Dan zult ge gemakkelijker aan een plaats in het domein geraken.’
Die tijd moest er nog geloot worden om al dan niet legerdienst te moeten doen.
Grootvader had er zich uitgeloot.
Dan is hij in de plaats van de grootvader van Maria Schillebeeckx bij het Belgisch leger gegaan.
En inderdaad, na zijn legerdienst werd grootvader benoemd als boswachter van het domein.

Van een rentmeester Greyson heb ik wel gehoord.
En ook van een meneer Van Delft.
Die waren alletwee aan het koninklijk hof in een of andere functie.
De zoon van meneer Van Delft is later getrouwd met Julienne Van Gansewinkel, een dochter van Arnold Van Gansewinkel, de brouwer op de Markt in Retie.
Wij moesten vanuit de Koningshoeve geregeld boter opsturen naar meneer Greyson en naar meneer Van Delft.
Die boter werd verzonden via het station van Geel.
De boter, een massieve klomp van vijf kilogram, werd ingepakt in speciaal boterpapier en dan in een houten kistje gelegd.
Die kistjes werden speciaal daarvoor gemaakt door een schrijnwerker van het domein.
Ook van een meneer Kinkin en een meneer de Landtsheere heb ik ooit gehoord.

Als beheerders ken ik natuurlijk dokter Jules Van Elst, brouwer Arnold Van Gansewinkel, getrouwd met Marguerite Van Elst, en dokter Albert Van Elst, zoon van Jules Van Elst.
Bij de dood van Jules Van Elst moet Arnold Van Gansewinkel hem opgevolgd zijn als hoofdbeheerder ad interim totdat Albert Van Elst afgestudeerd was aan de universiteit.
Wie hier ook veel kwam, was Leopold Van Elst, de priester.
Hij was heel graag hier.
Zijn ma belde dan geregeld: ‘Is onze Pol nog daar?’
‘Zeg maar dat ik al weg ben,’ fluisterde hij ons dan toe.
Ook toen hij nog lesgaf in het college van Mol, passeerde hij geregeld langs Sas 7 om dan bij ons nog eens binnen te springen.
Hij vroeg dan of alles in orde was en liep eens door naar de stallen.
Hij keek soms of de mengeling van bijvoorbeeld het varkensvoeder in orde was.
Hij was ook ingenieur, heel bekwaam en heel leergierig.
Een anekdote: Toen hij eens op reis was in Brazilië, stuurde hij een prentkaart met de tekst: ‘Hoog in de bergen, maïs goed gelukt.’
Hij stond achter de teelt van maïs als voeder voor het vee.

Na de verkoping van het domein in 1950 hadden beheerder Albert Van Elst en rijkslandbouwingenieur Jef Verwaest in 1952 de Belgische Heidemaatschappij opgericht, om bepaalde gedeelten van het domein te ontbossen en te ontginnen als landbouwgrond of als weide.
Hiervoor moesten eerst de zware boomstronken, de ‘posten’, uitgedaan worden.
Ze bestelden daarvoor een zware bulldozer in Amerika.
Onze jongens, Jef en Hubert, zouden daar dan mee rijden.
De schaaf werd gedemonteerd en in de plaats van de schup kwam er vooraan een vork met lange tanden.
Leopold Van Elst, toen directeur van de technische school in de Zandstraat in Turnhout, had het plannetje getekend.
Onze Jef moest iedere dag naar de ijzergieterij Atelfond in Turnhout om er te gaan lassen.
De eerste tanden waren te licht voor het zware werk en gingen daardoor kromstaan.
Ze hebben die tanden dan vervangen door zwaardere en toen lukte het om daarmee de stronken uit de grond te krijgen.
Op de oude brug van Sas 7 heb ik ooit nog de naam Atelfond weten staan.

Onze Jef en onze Hubert zijn in vaste loondienst bij die Heidemaatschappij gebleven tot in 1956.
Dat jaar is onze Hubert ‘zelfstandige’ geworden.
Hij is toen een zaak in landbouwmachines begonnen.
Hij verkocht de tractoren Fendt, een Duits merk, en later Ford.
Hij heeft nu nog die handelszaak op Heide 2.
Onze Jef is in 1956 naar de firma Melotte in Gembloux gegaan.


Grafsteen van Frans C. Mertens (1819-1869), rechts van de hoofdingang van de Sint-Martinuskerk in Retie.



De Tweede Wereldoorlog

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op 10 mei 1940 stond ik als bewaarschoolonderwijzeres in Weelde.
De lucht hing vol met Duitse vliegtuigen.
‘’t Is oorlog’, riepen de mensen.
De vliegtuigen vlogen zo laag dat de mensen onder mekaar zeiden: ‘Seffens vliegen ze nog door de goals van het voetbalplein.’
De school ging onmiddellijk dicht.
Ik ben toen naar huis gekomen met de fiets.
Gelukkig waren er boswerkers uit Ramsel die ook vanuit Arendonk naar huis fietsten.
Ze zeiden tegen mij: ‘Kom maar met ons mee, dan zijt ge niet alleen.’
Ik weet niet meer hoelang ik toen thuis gebleven ben.

Bij ons op de hoeve hebben we niet veel last van de oorlog gehad.
Ik denk dat we nooit graan of vlees hebben moeten ‘leveren’ aan de Duitsers.
De Duitsers zijn wel eens bij ons in het molenhuis aangekomen, waar de ‘schoofzakken’ van het werkvolk hingen.
Ze wilden ze meenemen, maar ons vader zei: ‘Die mensen moeten ook eten!’
‘Es ist Krieg!’ antwoordden ze en ze namen de schoofzakken mee.

De mensen van Ten Aard kwamen in de oorlog bij ons schuilen.
’t Is eigenaardig hoe mensen dan mekander opzoeken om bijeen te zijn.
In het park verscholen zich veel mensen van Mol-Donk, van Mol-Millegem en die kanten.
Eigenlijk was dat echt gevaarlijk, want als de piloten vanuit hun vliegtuigen verdachte bewegingen zagen, begonnen ze onmiddellijk te mitrailleren.
De zondag na de 10de mei, met Sinksen, waren verscheidene gezinnen van de Donk bij ons op de hoeve.
De mannen wilden bij hen thuis nog wat spullen gaan ophalen, maar aan Sas 7 werden ze tegengehouden door Duitse soldaten.
Die vroegen waar ze naartoe gingen.
De Duitsers stelden hen gerust.
‘Ga de vrouwen en kinderen maar halen.
Het gevaar is voorbij’, zegden ze.

Bij het binnenkomen van de Duitsers in 1940 hebben wij daar ‘niets van geweten’, maar toen de Duitsers zich terugtrokken bij de bevrijding in september 1944 is hier aan het Kempisch Kanaal heel hard gevochten: hier vlakbij aan Sas 7 maar vooral op Ten Aard.
De Duitse ‘Ordonnanz’ die bij ons gelegerd was, vertelde dat het de ergste veldslag was sinds de landing van de geallieerden in Caen in Normandië.
In de bloemmolen vlakbij het kanaal op Ten Aard vochten geallieerden en Duitsers man tegen man.
Wij hadden geen schade, alleen maar wat pannen die stuk gemitrailleerd waren.
Aan deze kant van Sas 7, richting Retie, hadden de Duitsers veel landmijnen gelegd om de oversteek van de geallieerden te bemoeilijken.
Enkele burgers, mensen uit Balen, waarschijnlijk ‘kurieusneuzen’, zijn toen op die mijnen gestapt en hebben er het leven bij ingeschoten.
Jef Michiels en sassenier Voorspoels hadden die mensen nochtans toegeroepen dat ze daar weg moesten blijven.
De scheepvaart lag ook stil want er was een kanaaldijk doorgebroken.
De schepen zaten aan de grond.
Ik weet nog dat er een schip lag dat geladen was met spiegels bestemd voor Duitsland.
De schippers hadden zich – net als de geallieerden – ingegraven achter het Kempisch Kanaal in de richting van Geel.
Op een moment dat het wat rustiger leek, stond de zoon van een schipper tussen enkele Engelsen.
Toen hij op het punt stond een sigaret aan te nemen, werd hij vanuit de overkant van het kanaal door de Duitsers doodgeschoten.

In die tijd is ook Filleke Verstappen door de Duitsers doodgeschoten.
Toen ze hem aanhielden, vroegen ze: ‘Hebt ge Engelsen gezien?’
‘Nee’, antwoordde Filleke, maar hij wist niet dat er toch Engelsen verscholen zaten in zijn schuur.
Dan hebben de Duitsers hem meegenomen naar het park.
Heel lang hebben de mensen hier naar hem gezocht, tot op zekere dag zijn hond de plaats vond waar hij begraven lag.

Op zeker moment moet er in Geel toch wat aan de hand geweest zijn met de Engelsen.
De mannen van Geel aan deze kant van het station moesten weg.
Toen zijn die met ongeveer twintig man hier op de hoeve aangekomen om aan deze kant van het kanaal te zitten.
Toen kwamen hier ook Duitsers aan vanuit Meerhout.
Die waren heel bang voor ‘partizanen’ en de mannen van Geel moesten weg.
Wijzelf mochten blijven van de Duitsers.
Die van Geel zijn toen gevlucht naar de boerderij van Jef Verdonck aan de Kastelse Dijk.
Dat huis staat er nu nog.
Daar hebben die mannen zich ingegraven.
Naderhand zegden de mensen: ‘Jef heeft geen enkele patat meer!’
De vluchtelingen hadden die allemaal opgegeten, want aardappelen konden ze koken.
Op zekere dag zijn ze toch bij ons op de hoeve aangekomen om een zak graan te laten malen.
Maar er was een groot probleem: onze molen was verzegeld.
De Duitse commandant die bij ons gelegerd was, gaf toch de toelating om de zegels weg te nemen om het graan te kunnen malen.
We hadden geluk dat de commandant er toen was, want er waren hier ook Hollandse SS-mannen en dat waren nog de ergsten.
Het waren NSB’ers, ingekwartierd bij Filip Blockx.
Op een dag eisten die een paard van de Koningshoeve op.
Ons vader gaf het oudste paard mee, dat bovendien bij het lopen zijn poten wat zijdelings naar buiten sloeg.
Bij de bevrijding werd het teruggevonden in het klooster van Arendonk.

In de Kievit was een verzorgingscentrum.
Daar bracht men de gewonden binnen om geopereerd te worden.
Van de Kievit gingen de gewonden naar Weelde.
Daar was een groter veldhospitaal.

In september 1944 was de veldkeuken van het Duitse leger bij ons op de boerderij, onder de hangaar.
Dat was van de 13de tot de 23ste september.
De commandant had bij ons zijn bureau.
Zijn ‘Ordonnanz’ liet hem weten dat ze zich aan het Albertkanaal in Meerhout moesten terugtrekken, omdat ze daar anders ingesloten zouden geraken.
Dan hebben de Duitsers een tiental dagen hier achter het Kempisch kanaal gelegen en toen ze ondervonden dat het ook hier te gevaarlijk werd, hebben ze zich teruggetrokken achter het kanaal Dessel-Schoten, de Turnhoutse vaart.
De ‘Ordonnanz’, die nogal nonchalant was, toonde dat allemaal bij ons op de landkaart als zijn overste afwezig was.
Die septemberdagen is er hier geweldig heen en weer geschoten, ganse nachten aan een stuk door.
Maar alles bijeengenomen, zijn we er goed vanaf gekomen.
De schade aan de boerderij bleef beperkt tot enkele kapotte pannen.
Wij mochten niet buitenkomen tussen zeven uur ’s avonds en zeven uur ’s morgens.
In de nacht van de 23ste september zijn de Duitsers hier vertrokken.
We zagen geen Engelsen.
Dat gaf een vreemd gevoel: ‘Zouden de Duitsers voorgoed weg zijn?
Zouden ze nog terugkomen?’
De zondag daarop zijn we naar Ten Aard geweest.
Wat was het daar erg gesteld!
De kerk, de school, de bloemmolen en vele huizen in het centrum waren totaal vernield.
Hier en daar was er graf van een gesneuvelde soldaat.
Zo herinner ik mij het graf van een Senegalese soldaat met zijn ‘machete’ erbovenop.
In de huidige Sluisstraat, toen nog een zandweg zonder naam, lag tegenover het huis van de smid een dode Engelse soldaat in de gracht.
Hij was enkel afgedekt met steengruis van een stukgeschoten woning.
Een stok met daaraan zijn ‘numéro matricule’ stak erbovenuit.
De dode soldaten werden eerst in de parochiezaal bijeengebracht en later overgebracht naar het kerkhof van Kasterlee.

De mensen die in Den Tramhalt woonden, waren alles kwijt: huis en ‘hebben en houden’.
Ze hadden alleen nog de kleren die ze droegen, en hun twee koeien, die ergens buitenaf in de wei stonden.
Als bij mirakel waren die gevrijwaard gebleven.
Ons vader heeft die mensen met hun zes kinderen en hun twee ‘patiënten van de kolonie' meegenomen naar onze hoeve.
Veertien maanden zijn ze bij ons geweest, terwijl wij toch ook al met zijn zessen waren.
Na die tijd kregen ze een noodwoning, een afgedankte legerbarak.
Ook de familie Van Geel-Simons heeft toen een tijd bij ons ‘gelogeerd’.
Op zeker moment waren we met zeventien.

In Den Zoeten Inval hebben bij mijn weten nooit Duitse of geallieerde soldaten ‘gelegen’.
Wel is daar op een bepaalde dag een inval geweest door de Duitsers.
Ze hebben toen Jef Vanlommel, nonkel Vic en zijn zoon, Gust, Albert en Jan Vanlommel, zonen van nonkel Remi, meegenomen naar de gevangenis in de Begijnenstraat in Antwerpen.
Jan verjaarde die dag in de gevangenis.
De Duitsers moeten dat op de ene of andere manier te weten zijn gekomen.
Als beloning mocht hij bij het ‘kromstaan’ een natte doek op zijn achterwerk leggen om op die manier geen blauwe plekken te krijgen van de stokslagen.
Die mannen moeten daar toen nogal afgezien hebben!
Ook de boswachters Filip Blockx en Jef Michiels zijn toen opgepakt.
De Duitsers hadden die dag Karel Vanlommel, zoon van nonkel Vic, de waterbaas, niet gevonden, omdat hij zich verstopt had in het Park.
Hij kreeg bericht dat hij zich moest zich komen aangeven en hij is toen zelf naar Antwerpen gegaan.
Die dag zei ons vader tegen onze Jef: ‘Jef, we zullen ons ‘‘goei kleren’’ maar gereedhangen, want morgen zal het onze toer wel zijn.’
Toch zijn de Duitsers niet meer voor hen teruggekomen.
Ik weet niet of ze toen ook de toenmalige beheerder van het domein, Arnold Van Gansewinkel, opgepakt hebben.

Wat was de aanleiding tot die arrestaties?
Iemand van Retie zou rond die tijd met enkele Duitse officieren gaan jagen zijn in het domein.
Die kwamen ‘toevallig’ uit op wapens en munitie, die door de Engelsen voor het plaatselijk verzet waren gedropt in de omgeving van wat we nu het Prinsenpark noemen.
De Duitsers dachten dat de boswachters daar voor iets tussenzaten.
Vandaar dat ze opgepakt werden.
Zij zijn toen allemaal heel erg met stokken geslagen door de Duitsers.
Door de tussenkomst van kolonel Kiewitz, die op de ‘Liste civil’ van het koninklijk hof stond, zijn ze tamelijk vlug vrijgekomen.
Gelukkig maar, anders zouden ze waarschijnlijk weggevoerd zijn naar de Duitse concentratiekampen.
Als ge daar nog aan terugdenkt,amaai!

De Duitsers hadden in het bos, langs de weg van de plaats waar ik nu woon naar het kanaal toe, een uitkijkpost gemaakt om de overvliegende vliegtuigen te observeren.
Ze hadden de weg verhard met metaalslakken.
Maar de Engelsen moeten heel rap van deze uitkijkpost geweten hebben.
Later hebben de werklieden van het domein bij het uitdunnen van het Park deze weg gebruikt om er een smalspoorbaan aan te leggen voor het vervoer van de boomstammen naar de schepen op het Kempisch kanaal.
Ook als er dingen aankwamen per boot werden die op de wagonnetjes overgeladen.
Paarden trokken de wagonnetjes.
Er waren kipwagonnetjes en platte wagonnetjes.
Aan de zijkanten van de platte wagonnetjes plaatste men ‘botteriken’ (opstaande stutpalen).
Op die manier kon men meer boomstammen laden.
Aan het kanaal was er een wissel zodat die wagonnetjes ook tot bij ons op de Koningshoeve konden rijden.
Als er dan graan gelost werd vanop het schip, kon dat gemakkelijk naar onze hoeve vervoerd worden.
Ze waren goed in regel op het domein.
Alles was tiptop in orde.

Bij het terugtrekken van de Duitsers was ik opnieuw aan ’t lesgeven in Weelde.
Bij het terug naar huis komen, zag ik ze tussen Retie en Arendonk rijden en lopen met alles wat wielen had.
Ze kwamen allemaal uit de richting van Kasterlee.
Tussen Retie en Geel was er geen Duitser te zien.
Onderweg naar huis, op de baan van Arendonk naar Retie, moest ik mijn fiets afgeven.
Ik maakte daar zo’n ‘zunt’ van, omdat ik hem gekregen had toen ik gediplomeerd was in 1938.
Die fiets kwam van de gebroeders Huysmans op de Markt in Mol.
Het was een Bristol met ‘spekbanden’.
Hij kostte toen ‘achthonderd en franks’.
Bristol was duur!
Van Steenbergen reed ook met Bristol!
Ik had er pas een nieuwe band laten ‘opleggen’.
En ik kreeg geen bons voor een nieuwe, omdat ik maar om de week naar Weelde reed.
In 1944 kostte een ‘spekband’ vijftienhonderd frank moet ge weten.
Wel, wel, als ge daaraan terugdenkt!
Ik had ermee kunnen ‘schreeuwen’ toen ik die velo moest afgeven!

Jachtvergunningen

De mensen die daarvoor een vergunning hadden, mochten in het domein jagen.
Een van die mensen was baron du Four.
In de jaren 1920-1930, deed hij aan lange jacht, de ‘chasse à courre’.
Met paarden en honden werd het wild achternagezeten om het uiteindelijk te kunnen insluiten.
Als kind heb ik die jagers dikwijls zien voorbijkomen.
Dat was heel schoon.
Bij het horen van het geblaf van de jachthonden, vluchtten de reeën ijlings weg.
Ze vlogen omzeggens door de lucht.
Later had hier ene Muls, een antiquair uit Antwerpen, de jacht.
Hij had de villa van de Kievit in eigendom.
Vroeger krioelde het hier van het wild: fazanten, patrijzen, hazen, konijnen, reeën.
Bij een klopjacht had men paard en kar nodig om het geschoten wild te kunnen laden.
Nu ziet men hier geen beestje meer.
Trouwens in het Prinsenpark – wat nu nog overblijft van het vroegere domein – mag niet meer gejaagd worden.

Verkoping koninklijk domein

Ik heb altijd horen zeggen – en ik geloof dat ook wel – dat het domein in 1950 nog altijd in onverdeeldheid was sinds de dood van koning Albert I.
Het was ook de tijd van de ‘koningskwestie’: zou Leopold III al dan niet terugkeren vanuit Zwitserland naar België?
Zou hij koning kunnen blijven?
Er was heel veel onzekerheid.
De zuster van Leopold III, koningin Marie-Josée, gehuwd met koning Umberto van Italië, moet toen gezegd hebben: ‘Ge zult misschien hier ook varen zoals wij gevaren zijn in Italië, waar de Staat alles aangeslagen heeft!’
Koningin Marie-Josée is in de jaren 1930 al naar Zwitserland gevlucht.
Toen zijn Leopold III en koningin Marie-Josée in 1950 in verdeeldheid gegaan en is het domein verkocht.
Wij mochten op de Koningshoeve nog doorgaan tot in 1952.

In 1950 is alles verkocht aan de Compagnie Immobilière de Belgique.
Die maatschappij heeft het domein in grote stukken verkocht aan het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK), de kolenmijn van Beringen, aan de ‘Kleine Landeigendom’ en aan boerenmensen uit de streek.
Begin de jaren 1950 is door minister Desaeger bekend gemaakt dat, bij eventuele verkavelingen, die gronden geen bouwgronden zouden zijn.
Dat gold zowel voor de gronden van het koninklijk domein als voor de gronden van de familie Dierckx de Casterlé in de Kievit.

Opgetekend door Walter Raeymaekers op 4 december 2006.    

Naast de afdeling Militair Huis (het Hoofd van het Militair Huis is de schakel tussen de koning enerzijds en de minister van Landsverdediging, de Generale Staf en de Strijdkrachten anderzijds) is er aan het koninklijk hof ook de afdeling Civiele Lijst: het beheer van het personeel en van het budget dat jaarlijks ter beschikking wordt gesteld van de vorst.
De grondwet kent namelijk aan de vorst een Civiele Lijst toe, die uit een dotatie in geld bestaat en de beschikking over residenties.
De topografische kaarten van België duiden de hoeve aan als Koningshoeve, niet als Leopoldhoeve.
Het goed werd beschreven op naam van de twee koningskinderen Philips, graaf van Vlaanderen, en Charlotte.
(Leopold Van Gestel, Honderd Jaar Landbouw 1886-1986y in: Jaarboek 23-1986 van de Vrijheid en het Land van Geel, Geels Geschiedkundig Genootschap.)
In 1904 vroeg de gemeente Geel de tussenkomst van Retie in het aanleggen van een verbinding, ter streke Aart, tussen de banen Geel-Retie en Geel-Turnhout.
Voor onze gemeente zou dit werk niets kosten daar Z.K.H, de graaf van Vlaanderen het deel van Retie in deze baan betaalde.
Op 29 juni 1907 keurde de Raad de plannen en het bestek van het werk goed.
Dit laatste werd toegewezen aan de aannemer Lanens van Lier voor de prijs van 214335 frank.
(Edward Sneyers, Bijdrage tot de Geschiedenis van Retie, 1972.)
Reeds op de topografische kaarten van België van 1895-1903 wordt de herberg 'Den zoeten Inval' aangeduid onder de naam 'Den zoeten Inval' cabt (cabaret: herberg).
De registers van de burgerlijke stand vermelden als bewoners van 'Den zoeten Inval' in de periode 1880-1890 op het adres Brouwsel, Gheelsche Heide 29, de familie Carolus Amandus Vanlommel, boswachter, soldaat, landbouwer, herbergier, gehuwd met Maria Josepha Nietvelt.
Op 20 december 1950 werd het 'Koninklijk Domein van Retie' verkocht aan de Compagnie Immobilière de Belgique te Brussel. De nationale maatschappij van de Kleine Landeigendom kocht er een deel van, ongeveer 480 ha.
In juni 1956 waren op dit domein reeds 30 moderne boerderijen 'type open stal' gebouwd en 483 ha ontgonnen.
Nabij Sas 7 werd ook een kapel opgericht.
Het park is thans eigendom van de Provincie Antwerpen.
Z.K.H. Prins Karel verkocht zijn gedeelte der koninklijke goederen aan n.v. L'Ori-gan te Genève (notarisakte 22.12.1960).
(Edward Sneyers, Bijdrage tot de Geschiedenis van Retie, 1972)
De lijst Personnel du Domaine de la Campine (personeel van het Koninklijk Domein der Kempen) van 1906 vermeldt als gardes (boswachters):
Vanlommel Charles, 54 jaar, in dienst sinds 01.01.1879, 27 dienstjaren, werkzaam in 1ste district, 1ste canton
Blockx Pierre, 60 jaar, in dienst sinds 01.01.1883, 23 dienstjaren, werkzaam in 1ste district, 2de canton
Michiels François, 44 jaar, 13 dienstjaren, werkzaam in 2de district, 1ste canton
Melis Charles, 33 jaar, in dienst sinds 15.09.1896, 9 dienstjaren 4 maanden, werkzaam in Rethy Goor, canton B.

Deze lijst vermeldt als régisseur (beheerder) Van Elst Julien, 37 jaar, in dienst sinds 15.04.1895, 7 jaar 9 maanden
En als régisseur-adjoint Van Elst Philippe, 48 jaar, in dienst sinds 01.10.1879, 27 dienstjaren 4 maanden.

De personeelslijst van het Domaine royal de la Campine van 1930 vermeldt als gardes (boswachters):
Vanlommel Charles, geboren te Gheel op 06.02.1852, in dienst sinds 01.01.1879
Michiels François, geboren te Herselt op 21.05.1861, in dienst sinds 01.03.1892
Vanlommel Joseph, geboren te Desschel, in dienst sinds 01.09.1913
Blockx Philippe, geboren te Rethy op 01.05.1887, in dienst sinds 01.09.1913
Sterckx François, geboren te Gheel op 27.09.1895, in dienst sinds 01.03.1927.

Deze lijst vermeldt als régisseur (beheerder):
Van Elst Julien, geboren te Retie op 15.05.1866, in dienst sinds 01.01.1898
En als régisseuradjoint Van Gansewinkel Arnold, geboren te Rethy op 08.08.1880, in dienst sinds 01.03.1929.
‘In het begin van de jaren 1930 deed ik hetzelfde werk op Ten Aard.
Daar moest ik veel ploegen met mijn muildieren: voren van dertig centimeter diep.
De allereerste keer werd de jonge mast – op aanraden van Jules Van Elst – beneden in de voren geplant.
Maar omdat de konijnen graag door die voren liepen, aten ze ook alle plantgoed op.
Nadien gebeurde de aanplant wijselijk boven op de snee.
Op de personeelslijst van het Domaine royal de la Campine (Koninklijk Domein der Kempen) van 1930 staat François Vanlommel (Desschel, 19.05.1890) reeds in 1905 bij Ouvriers réguliers (vaste werknemers).
Reeds op de topografische kaarten van België van 1895-1903 wordt de hoeve in kwestie Koningshoeve genoemd.
‘Op de plek van de huidige Koningshoeve, stond vóór 1870 al een boerderijtje.
Het diende als huisvesting van een der ‘waterbazen’.
Bewoner, waterbaas Oeyen, moest in 1918 de plaats ruimen voor een kastelein-boer.’
Reeds op 28 mei 1854 vermeldt L. Kinkin, beheerder van het privédomein van Leopold I, in een in het Frans gesteld verslag over de afwerking van vijf oude vijvers en de aanleg van twee nieuwe vijvers in het koninklijk domein der Kempen, aan burggraaf de Connway, rentmeester van de Civiele Lijst, de namen van o.m. ‘le Kattesteert’ en ‘le Geertrykvijver’.
De ‘Kattesteert’, 3 ha 68 a 40 ca groot, is bij wijze van spreken slechts een overstroomde heide.
Door de zeer oneffen bodem te nivelleren en door solide dijken te bouwen, bekomt men een uitstekend meer, naar de toekomst toe aanplantingen en een terrein dat vruchtbaar zal worden.
Het loont de moeite de ‘Geertrijk’ goed af te werken.
Het bedrag van het bestek ligt hoog, maar het omvat alles wat moet gedaan worden opdat over drie jaar deze vijver zou kunnen gecultiveerd worden en een goede opbrengst zal geven alvorens terug gevuld te worden.
Op 1 april 1854 bezocht koning Leopold I incognito zijn landerijen in Postel.
Hij nam toen zijn intrek bij notaris Louis Van den Eynde in het Hooghuis op de Markt in Retie.
Als erkentelijkheid voor de genoten gastvrijheid ontving notaris Louis Van den Eynde vanwege koning Leopold I een gouden snuifdoos met opschrift.
In februari 1857 kocht prins Filip, graaf van Vlaanderen, nog ruim 1400 ha heide van de Meulenaere van Postel.
Een maand later, 10 maart 1857, in de voormiddag kwam de 33-jarige prins door Retie, om zijn domein te Postel te gaan bezichtigen.
Bij die gelegenheid werd het dorp Retie versierd en de prins aan een triomfboog verwelkomd door de gemeenteraad en de geestelijkheid. (Edward Sneyers, Bijdrage tot de Geschiedenis van Retie, 1972)
Als beheerders van het Koninklijk Domein der Kempen sinds 1856 vermeldt beheerder dokter Albert Van Elst achtereenvolgens: Mertens en Leopold Van Elst, dokter Jules Van Elst en Philippe Van Elst, dokter Jules Van Elst en Arnold Van Gansewinkel, Arnold Van Gansewinkel en Leopold Van Elst, dokter Albert Van Elst en Leopold Van Elst.
(Brief van beheerder dokter Albert Van Elst aan Z.K.H de graaf van Vlaanderen op 24.09.1952)
‘Na zowat een decennium bestaan te hebben, werd de jachtvereniging Rallye Campine in de zomer van 1933 officieel ontbonden ten gevolge van ‘moeilijkheden’ omtrent de jachtgebieden.
Volgens jonkheer Philippe Casier uit Nokere, zeer vertrouwd met de lange jacht, hadden deze ‘moeilijkheden’ van 1933 te maken met het verlies van het Koninklijk Domein als jachtterrein en ook met wrijvingen met de jagers die met de kogel jaagden.’
(Walter Raeymaekers, Baron François du Four, Een leven tussen drukpersen, renpaarden en politiek, Brepols, Turnhout, 1995)
De Maatschappij van de Kleine Landeigendom kocht op 24.12.1951 vierhonderd tweeëntachtig hectare, waarvan driehonderd hectare in de gemeente Geel.
Doel: zuivere landbouwresidenties inplanten met daarin een dorpscentrum met een kleuterschool en een kapel.
De kapel werd ingewijd in 1954.
Op 21 en 22 juli 1956 werd het domein als landbouwresidentie plechtig in gebruik genomen.
Elk jaar is er op die data een herdenkingsfeest.
(Leopold Van Gestel, Honderd Jaar Landbouw, 1886-1986, in: Jaarboek 23-1986 van de Vrijheid en het Land van Geel, Geels Geschiedkundig Genootschap)