Even voorstellen...Jozef Lens

Jozef Lens

Met zijn tweeënzeventig zomers is Jozef – voorlopig – de jongste verteller uit de reeks.
Gelukkig is leeftijd geen bepalende factor voor de kwaliteit van het verhaal.

Jozef heeft de weg afgelegd.
Ingrijpende gebeurtenissen tijdens zijn kinderjaren laten hem scherper naar de wereld zien.
Bekijkt hij alles als het ware door een fors convexe LENS (what’s in a name?).
Voeg daar nog bij zijn diepe liefde voor Retie én zijn fenomenaal geheugen en je hebt alle ingrediënten, nodig voor een goed verhaal.

Een andere, belangrijke pijler in zijn leven is zijn beeldend talent.
Jozef Lens is een gedreven kunstschilder.

Al op jonge leeftijd voelde hij de drang om te creëren, om de dingen vast te leggen die zijn hart beroerden.
De wijze raad van de gerenommeerde Kempense priester/kunstenaar Remi Lens, nam Jozef mee op weg naar de uiteindelijke vervolmaking van zijn kunst.

Vaak zien we, met een licht nostalgische toets, de oude Kempen terug in zijn werken.

Elk schilderij van Jozef biedt een stukje stilte aan, straalt serene rust uit.
Opnieuw merk ik dat Jozef bezield kan communiceren, dat elk schilderij van hem een verhaal heeft.
Hij is dus letterlijk in woord én beeld een goed verteller.
Een reden te meer om hem nu aan het woord te laten, deze goelijke mens: Jozef Lens…

Op 27 juni 1941 – ’t was volop oorlog – ben ik in Arendonk geboren.
Ik ben de oudste van vier.
Later kwamen ons Magda, ons Chris en onze Paul er nog bij.
Ons vader – Aloïs Lens – verdiende de kost als sigarenmaker in de grote Arendonkse Karel I-sigarenfabriek.
Ons moeder – Wieza Maes uit Geel – was huisvrouw.

Naarmate de oorlog vorderde sloop de klad in de sigarenhandel.
Veel mensen konden zich het duurdere rookgenot niet meer permitteren en tal van arbeiders – ook ons vader – werden werkloos.
Maar hij bleef niet bij de pakken neerzitten.
We verhuisden naar de Gansakker in het centrum van Geel.

Jozef in zijn atelier aan de Turnhoutsebaan in Dessel.


Ons vader verdiende er zijn kostje door van versleten autobanden fietsbanden te maken.
Het klinkt misschien een beetje raar maar toch kreeg hij dat voor elkaar.
Hij versneed zo’n oude autoband en met wat technische handigheidjes werd het een fietsband.
Niet echt een lonend handeltje maar ’t was toch voldoende.

Al gauw bleek dat de verhuis naar Geel niet zo’n goede keuze was.
We raakten er verstrikt in zwaar oorlogsgeweld.
Begin september 1944 was het Engelse bevrijdingsleger al opgerukt tot aan het Albertkanaal.
Vanuit Stelen en Geel-Punt wilden zij de Duitsers uit Geel verjagen.
Geen makkelijke klus want de Duitsers boden zwaar weerwerk.
Er werd hard gevochten en tal van levensgevaarlijke projectielen belandden in het stadscentrum.
Er vielen nogal wat slachtoffers onder de burgerbevolking.


Twee ‘dikke vriendjes’: Hugo Van Gorp uit Arendonk en de tweejarige Jozef (rechts).
Een foto uit 1943, gemaakt in Arendonk.

Ik herinner me nog dat we uren in onze schuilkelder doorbrachten, onder de mutsaard in de tuin, veilig beschut tegen rondvliegende schrapnels.
Na hevige straatgevechten en grote verliezen aan beide kanten haalden de Engelsen uiteindelijk de bovenhand.
Ik zie ze nog aankomen in onze straat, de Tommies, met hun platte helmen op hun hoofd.
Het waren heel andere soldaten dan de Duitsers en de mensen vonden die helmen wel een beetje grappig.
Ze leken net op telloren werd er gezegd.
De Engelse soldaten waren buitengewoon vrijgevig.
Ze gaven alles weg wat ze bij zich hadden aan etenswaren.
Later werd verteld dat de Engelsen ervan overtuigd waren de komende gevechten niet te zullen overleven.
Op heel korte tijd hadden ze al zoveel kameraden zien sneuvelen.
Daarom deelden ze alles maar uit.
Ik kreeg van hen wat chocolade en een appelsien.
Geen van beide lekkernijen had ik ooit eerder gezien, laat staan geproefd.
Sigaretten werden ook vlotjes uitgedeeld en de Engelse bevrijders stegen daardoor nog meer in aanzien.

Het oorlogsfront verschoof naar Geel Ten Aard aan het Kempisch Kanaal.
Er woedden hevige en bloedige gevechten.
Op een week tijd sneuvelden er plusminus 1000 soldaten en stierven 130 burgers.
Het aantal gekwetsten was een veelvoud daarvan.

In 1945 verhuisden we naar Retie, naar de Kloosterstraat, waar we het oude huis van dokter Mathé huurden.
Het was een statige woning met een lange gang vanaf de voordeur tot aan een vierkante hal.
Daar bevond zich een imposante draaitrap met sierlijke spijlen aan de trapleuning.
De trap en die spijlen deden voor ons wel eens dienst als poppenkastdecor.
Wij woonden achteraan in het huis.
In de grote, ruime kamers vooraan hield ons vader zijn atelier.

Hij repareerde er fietsen en motocyclettes.
Intussen had ons vader ook vast werk gevonden bij de vermaarde Molse fietsfabrikant Bristol.
Hij was een bekwame mecanicien en heeft daar flink zijn steentje bijgedragen o.a. bij het produceren van de Bristolettes (bromfietsen).
Wist je dat Rik Van Steenbergen zijn eerste wereldtitel won op een Bristolfiets?
Bristol stond garant voor degelijkheid.
In het atelier van ons vader kwam ik bijna nooit.
Ik had weinig interesse voor zijn bezigheden, en dat speet hem heel erg.
Maar ik zat liever te tekenen, stak daar heel mijn hart en ziel in.
Later begreep hij dat wel en reed hij zelfs, met mij achterop de motor, naar de belangrijkste musea in Vlaanderen om mij de Oude Meesters te laten ontdekken.
Ik ben er hem nog altijd dankbaar voor.

In de kleuterschool maakte ik al gauw kennis met de beruchte zuster Gerarda.
Zij regeerde met ijzeren hand over het kleine volkje en misstappen werden genadeloos bestraft.
Godganse dagen moesten wij matjes vlechten en heelder lappen stof uitrafelen (plussen).
Waarvoor die ‘plussen’ uiteindelijk bestemd waren, heb ik nooit geweten.
Om het eerste leerjaar te volgen moest ik naar de Katholieke School in de Sint-Martinusstraat.
Meester Elsemans nam er ons onder zijn hoede.

De Kloosterstraat in de jaren 1950.
De buurt waarin de jonge Jozef Lens zijn mooiste kinderjaren beleefde.



Bij meester Oostvogels in het tweede leerjaar (1948).
Vooraan: Henri Van Mechelen, Marcel Lemmens, Jozef Lens, Ivo Engelen, Gust Van Gestel, Eugeen Meeus en Leo Mertens.
Tweede rij: Paul Staes, Karel Stessens, Alexander De Bie, x, x en x.
Derde rij: Raymond Van Leuven, Leo Huysmans, Edward Mermans, x, Ferdi Spaepen en August Adriaensen.
Achteraan: Jos Renaerts, Roger Mariën, x, August Smets, Jos Van Dael, Willy Slegers en August Peeters.

In het tweede leerjaar zat ik bij meester Oostvogels in de gemeentelijke jongensschool.
Meester Oostvogels was een doodbrave mens.
Hij deed niets liever dan voorlezen in de klas.
Dat bleek de beste manier te zijn om ons koest te houden.
In het derde leerjaar belandde ik bij meester Meulemans, in het vierde bij meester Slegers.
Ze waren beiden van Arendonk, droegen allebei een hoed en reden altijd samen met de fiets naar school.
In het vijfde leerjaar zat ik enkel de eerste trimester bij meester Aloïs Verwaest.
In de maand december van dat jaar verhuisden we naar Dessel en moest ik daar naar school.

In de jaren 1950 was het in de Kloosterstraat nog heel rustig.
’s Morgens trokken zware boerenpaarden de platte, volgeladen wagens met gevulde melkbussen naar de melkerij.
Hun trage gang en het ritmische ketsen van de hoefijzers op de kasseien klonk zo vertrouwd, bracht een landelijke rust mee.
Om de lyriek een beetje te temperen: meestal lag dan heel de straat bezaaid met verse paardenvijgen.
Maar niemand stoorde zich daaraan.
Mest was altijd welkom.

We speelden vaak op straat maar bij het zoeken naar vogelnesten kamden we heel de buurt uit.
Dan trokken we langs het Nonnenneetje de Laarbeemden in.
Het leek daar in de lente- en zomertijd het volmaakte aardsparadijs.
Weiden vol veldbloemen en rond elke beemd een beloftevolle houtwal, zalig.
Op de tuinmuur van het klooster lagen veel dakpannen los en vaak vond je daaronder een mussennest.

Het was spannend om telkens in zo’n mussennest het zondagsei te vinden.
Dat ei had een lichtere kleur en was anders gespikkeld.
Soms waagden we ons tot aan de tramwissel, vlakbij de melkerij.
Dat mocht eigenlijk niet van thuis maar de wereld is voor de durvers dachten wij wel eens.
Er stonden meestal wagons, volgeladen met mastenhout.
Het hout was afkomstig van het Koninklijk Domein (Prinsenpark) en werd gebruikt om mijnschachten te stutten.
Ik vond die overweldigende terpentijngeur zo heerlijk ruiken.

Ik was negen jaar en mocht bij de jonge zangers van ’t hoogzaal.
Dat gaf ons de gelegenheid om, nog voor de hoogmis begon, vlug de toren in te klimmen en er de jonge kauwtjes uit de nesten te halen.
Er was nog een aangename bijkomstigheid aan verbonden: elk jaar werd met de jonge zangers een kerstfeest gevierd in de ruimte onder het podium in de Gildezaal.
Ons Magda en ik kregen elke zondag drie frank zakgeld.
We kochten er snoep van, bij Marie van Gustje Melis, achter de kerk.
Voor één frank kreeg je toen vier ‘Kennis-pikken’, of ‘zwarte rek’.
‘Kalissieheijt’ (zoethout) was ook wel in trek.
Voor een ‘crèmeglaske’ gingen we naar Zjowanneke op de Turnhoutsebaan.

De opbouw van Retie-kermis, met al zijn lokkende bekoorlijkheden, zorgde ook voor heel wat sensatie.
Zeker voor de kinderen uit de omgeving van de Markt.
De betonnen stichel die tussen ons huis en dat van Peer Cools (Peer Hoed) stond, werd dan afgebroken om er de danstent van Van Bael te kunnen zetten.
We gingen wel eens stiekem kijken, binnen in de tent.
Maar het mooist vond ik de geschilderde decoraties buiten, aan de voorkant.
Spectaculair om zien was de manier waarop de mannen van Van Bael, boven in de nok van de tent, de lampen in de grote luchter draaiden.
Ze bewogen zich voort op hoge, dubbele ladders, die ze met hun benen verplaatsten.
Heel knap.
Op de kermis zelf stonden vroeger attracties die ondertussen al lang uit beeld verdwenen zijn: de schommelbootjes, Het Lustige Wiel, De Muur des Doods…
Vooral die laatste zorgde voor heel wat toeloop.
Het was een grote, hoge en ronde constructie (ton) waarin, langs de binnenwand, onversaagde waaghalzen met een motor, in duizelingwekkende rondjes, naar boven reden.
Door de hoge snelheid en de daardoor ontwikkelde middelpuntvliedende kracht lukte dat blijkbaar feilloos.
Toeschouwers konden boven aan de buitenkant een kijkje nemen op deze exploten.


Een danstent van Alfons Van Bael uit de jaren 1950.


Ook zeker meldenswaard: in elke processie in onze regio stapte vooraan het door iedereen gekende Jefke (of Zotje) van Geel.
Jefke was altijd present.
Hij kwam te voet van Geel, stapte – steunend op zijn wandelstok – naar het desbetreffende dorp om er de processie te vervoegen.
Jefke was een patiënt uit de gezinsverpleging in Geel.
Niemand wist precies hoe oud hij was.
Ooit, in zijn jonge jaren, moet hij uitzonderlijk verstandig geweest zijn.
Een eigenaardigheidje van Jefke was dat hij zijn pijp vaak liet rusten in een gleuf in zijn misvormde duim.
Een raar gezicht.


Trots toont de dertienjarige Jozef zijn tamme
ekster, in de ouderlijke tuin te Dessel.



‘Op maneuvers’ tijdens de legerdienst in Bensberg (Duitsland) in 1960.
Jozef -- in het midden -- was er chauffeur bij een ambulancierseenheid.
In Bensberg bevond zich toen het Belgische hoofdkwartier Artillerie.



In de Kloosterstraat woonden destijds nogal wat kleurrijke figuren, gekend in heel het dorp.
Neem nu Mieke Verhoeven.
Ze woonde naast ons, richting Postel, en hield er een bescheiden winkeltje met zelfgemaakte bloemen.
Mieke gebruikte daarvoor uitsluitend crêpepapier (plastic bestond nog niet) en ze creëerde schitterende rozen, tulpen, gladiolen enz.
Niet van echt te onderscheiden.
Naast Mieke woonden Eugeen en Louise Van den Put met hun gezin.
Eugeen was kantonnier en je zag hem nooit zonder zijn onafscheidelijke pijp.
In het volgende huis woonde pastoorke Segers met zijn twee nichten, Lisa en Trienette.
Zij hielden er een kruidenierswinkeltje.
Lisa en Trienette noemden pastoorke Segers altijd: ‘heer oom’.
Verderop woonde koster Richard Sledsens.
Naast de koster woonde de rector van het franciscanessenklooster.
Als we er op 11 november aan de voordeur ons bekende Sint-Maartenliedje zongen, werden we door de meid gewoonlijk weggejaagd.
Misschien verstond zij ons Reties dialect niet zo goed en vond zij het maar een ordinair liedje.
We konden het dan toch niet laten haar ons bekende wraakliedje toe te zingen: ‘Hoog huis, laag huis, er zit een gierige pin in huis!’
De rector had een koersfiets waarmee hij wel eens rondjes reed in zijn tuin.
Toch een komisch zicht, zo’n priester in soutane op een koersfiets.
Aan de overkant, zowat halfweg de straat, woonde onze vermaarde veldwachter Charel Damen.
Charel had behoorlijk wat autoriteit want bij vechtpartij of echtelijke ruzie werd hij nogal eens opgetrommeld en binnen de kortste keren waren de gemoederen bedaard, werd alles weer rustig.
De tuin van Charel was omzoomd door een flinke beukenhaag.
Maar nooit hebben wij het aangedurfd om er meikevers te gaan schudden.
We hadden toch wel schrik van hem.


Op 10 mei 1962 trouwde Jozef met Paula Wouters uit Retie.



In alle rust en concentratie werkt Jozef in zijn atelier aan een landschap met windmolen.
Een foto uit 1976.


Naast Charel Damen, naar de Markt toe, woonden Louise en Melanie Seuntjens, dochters van de bekende Piet Seuntjens.
Zij dreven er een bescheiden kruideniershandeltje.
Als je er binnen ging, schrok je je telkens een ongeluk!
Het leek net of je de luid klinkende bel boven de winkeldeur, met klepel en al op je kop kreeg.

Het rook er een beetje muf maar ze hadden wel de lekkerste siroop uit het vat.
In het huisje naast Seuntjens woonde Lowieke Van der Wangen.
Hij was douanier en hij vertrok elke morgen, met de mitraillette aan de fiets, naar Postel.
Het was toen nog volop smokkeltijd en er dreigde wel eens gevaar.
Aan dezelfde kant van de straat, wat verder naar de Markt toe, woonde Karel Bierens, beter gekend als ‘den Bellekens’.
Hij was fietsenmaker en had een winkel met potten, pannen en wat klein tuingerief.
Karel Bierens en Charel Damen waren allebei oud-strijders uit de Eerste Wereldoorlog.
In het kasteeltje naast ‘den Bellekens’ resideerde burgemeester Frans Schepens.
Schepens was een imposante verschijning, echt geknipt om een burgemeesterssjerp te dragen.
Van zijn kaliber vond je er niet zo gauw nog een in onze buurgemeenten.
Vaak speelden we ook met de kinderen van Jef Slegers, alias de Swis, uit de Laarstraat.
Jef en Fien hadden een groot gezin en Jef hield er dan ook een rijkelijke groentetuin op na om al die mondjes te kunnen vullen.
Als Jef wat krap zat qua eigen mestmiddelen, trok hij naar de burgers aan de Markt ‘om er het huisken leeg te maken’.
Hij vervoerde de beer in een vat op een houten kruiwagen.
Marie Haest, de weduwe van Jefke Staes, woonde rechtover ons.
En Marie had zo de gewoonte om, nadat ze de vloer in haar huisje flink had geschuurd, de voor- en achterdeur wagenwijd open te zetten, kwestie van alles vlugger te laten drogen door ‘den trek’.
Tot op de dag dat Jef gezwind kwam aangereden met een goedgevuld vat op zijn kruiwagen.
Echter, ter hoogte van de voordeur van Marie Haest begon de kruiwagen zo raar te hotsen en te botsen op de onwillige kasseikoppen dat er geen houden meer aan was.
Jef tuimelde met kruiwagen en al omver!
Een deel van het vieze goedje pletste recht het huis van Marie binnen en een sterke beergeur walmde door heel de Kloosterstraat.
Jef was van de hand Gods geslagen, Marie krijste heel de buurt bijeen.
Uiteindelijk kon de Swis haar toch kalmeren, verzekerde haar dat alles netjes zou worden opgekuist.
Het werd zo in der minne geregeld, zonder veldwachter of gendarmen, en de mensen hadden weer iets om over te vertellen.
Zo ging dat, in die goede, oude tijd.

In de winter van 1953 verhuisden we naar Dessel.
Met veel spijt in ons hart verlieten wij, nog jonge kinderen, de Kloosterstraat.
Wij hadden er zo’n mooie tijd beleefd.
In Dessel aan de Turnhoutsebaan, vlakbij de Oude Molen, woonden wij ver van het centrum en misten daardoor het sociale dorpsleven.
Het zou nooit meer worden zoals in onze Kloosterstraat.

En daarom, lieve lezer, ben ik diep in mijn hart, altijd een échte Retienaar gebleven.


Een foto gemaakt net na de Tweede Wereldoorlog aan de Retiese watermolen.
Geknield zittend op de kar zien we Seppe Lens, grootvader en peter van Jozef.
Rechts de Desselaar Jef Peeters (Spellenborghs).


Mijn oprechte dank aan Jozef, voor de rake notities die hij mij bezorgde, waarmee ik bovenstaand verhaal kon opbouwen.

Guy Aarts