Even voorstellen...Jos Moons

Jos Moons

Je haalt makkelijker een man uit het dorp dan het dorp uit een man.’
Gevleugelde woorden die helemaal van toepassing zijn op Jos Moons.
Al ruim een halve eeuw woont hij in Geel maar nog elke dag trekt Retie aan zijn bloed en aan zijn ziel.
Het is Jos nooit gelukt om de navelstreng door te knippen.
Zijn bevlogen BJB-jaren liggen – samen met zijn familie – ontegenzeggelijk aan de basis van die
wortelvaste verbondenheid met ons dorp.

De Boerenjeugdbond is voor Jos bepalend geweest voor de rest van zijn latere leven.
‘Het was mijn volkshogeschool’, beweert hij.


Jos Moons: een gedreven, gezellige verteller.



Jos is de oudste van de vier zonen van Peer Moons en Maria Van Herck.
Hij werd geboren op 20 april 1932 op het gehucht Berg te Retie.

Legio waren de verhalen die de energieke en patente Jos Moons mij toevertrouwde.

Speciaal voor u, een losse grabbel uit de flashbacks naar zijn jeugd- en jongelingsjaren.



Het oude kapelletje van de Berg in 1954.
Links achteraan, tegen de Schoonbroekse dijk,
staat de huurboerderij waar het gezin
Moons-Van Herck van 1939 tot 1947 woonde.


Ik ben geboren in de oude stamhoeve van ‘de Moonsen’ op de Berg.
Wij woonden er bij mijn grootouders in.
In 1939 kwam op de Schoonbroekse dijk de huurboerderij van Melles (Melis) vrij en nam ons gezinnetje daar zijn intrek.
Mijn ouders konden er zelfstandig gaan boeren – een droom die ze toch beiden koesterden.
In 1947 verhuisden we terug naar onze stamhoeve en nam ons vader de boerderij over van tante Colette (Moons) en nonkel Gust (Loots).
Tante en nonkel verhuisden naar ‘Doetelen’, een plaats gelegen op het einde van de Hanenberg.

Tijdens de oorlog waren er Duitse soldaten in de gemeentelijke jongensschool gekazerneerd en kregen wij les in de Katholieke School in de Sint-Martinusstraat.
Er werd, bij mijn weten, ook lesgegeven bij schrijnwerker Peerke Mertens in de Kasteelstraat, in het café van Aloïs Mathijs aan de Turnhoutsebaan en in het zaaltje boven het café van Ward (van ’t Smedje) Schellekens (later café Den Dorser).

Na de oorlog keerden wij terug naar de gemeentelijke jongensschool in de Peperstraat.
Ik heb er het zevende en achtste leerjaar gevolgd bij respectievelijk meester Alfons Anthoni (Jan Pijp) en meester Juul Schaeken (de Nieven).
Juul was toen ook schoolbestuurder.
Ik weet nog dat tijdens een bezoekje van inspecteur Van Hemeldonck aan onze klas een van mijn kameraden letterlijk het noorden kwijtraakte!
De inspecteur vroeg hem, zowat kwansuis, of hij in de klas het noorden kon aanwijzen.
Mijn makker, door deze onverwachte vraag totaal van slag, wist van geen kanten waar dat ‘verdommese noorden’ lag!

‘Had ’m die vraag op de speelplaats gesteld, ik had het begot geweten, zelle !’ verklaarde hij achteraf.
Wij leerden inderdaad de richting van de windstreken op de speelplaats.
In de klas waren we compleet gedesoriënteerd en hadden we geen flauw benul van wat waar lag!

Onder de oorlog werden bij ons thuis varkens vetgemest.
In het grootste geheim, want op bevel van de Duitse bezetter moesten we alles aangeven.
Ons vader had een veilige plaats ingericht in de schuur naast de nere (dorsvloer) achteraan in ’t schallei (plaats of achterplaats, ook stallei: tasruimte voor bv. de korentas).

De varkens zagen geen glimpje daglicht maar ze gedijden er goed.
Stiekem slachtten we er al eens eentje.
Het vlees werd vliegensvlug gezouten en weggeborgen onder de opslagplaats voor het witte zand waarmee ons moeder de rode baksteentegels in huis bestrooide.

Af en toe kregen we bezoek van twee jonge mannen uit Kasterlee.
Ze waren gewapend met revolvers en fietsten over de binnenwegen van de Hoeven en het Looiend tot bij ons op de boerderij.

Duidelijk gehaast, gingen ze aan de slag: ze schoten de varkens door de kop, lieten het bloed wegvloeien en zonder de varkenshuiden te scheren, verwijderden ze de ingewanden.
De varkens werden in vier stukken gezaagd, op de fiets gebonden en er werd afgerekend.
Zo trokken ze verder.


Plechtige communie in 1944, in de tuin van de pastorie.

Vooraan: Jos Moons, Staf Mathijs en Frans Dielis.
Tweede rij: René Lommelen, Staf Van Gestel, Aloïs Mathijs, Jos Cools en Jan Claessens.
Achteraan: Eugeen Hens, Jos Vaes, Stan Mermans, Gaston Huysmans en Gust Feyen.

Het vlees was bestemd voor de zwarte markt en er werd grof geld aan verdiend.
Een varken van 100 kilo bracht hen 10.000 frank op, in die jaren een aanzienlijk kapitaal!

Ons moeder was niet bevreesd voor de Duitse Feldgendarmen.
Ze schrok er niet voor terug om de Duitsers met een kluitje in het riet te sturen als ze voor de zoveelste keer de boerderijproducten kwamen opeisen.
Toen ons moeder – hoogzwanger – alleen thuis was en ze dat ongewenste bezoek weer aan de deur kreeg, wist ze de Feldgendarmen te vertellen dat ons vader om de vroedvrouw naar het dorp was.
Ons moeder maakte de heren wijs dat ze stante pede zou gaan bevallen en ze gaf daarbij een overtuigend staaltje pijnlijke-weeën-komedie ten beste.
De Feldgendarmen geloofden haar, mompelden een paar excuses en verdwenen onmiddellijk.

Ook Jef Van Mechelen, onze buurman, nam het niet zo nauw met de Duitse verordeningen.
Bij Jef op de boerderij stond een oliepers om de olie uit sloorzaad (raapzaad) te persen.
De olie of smout werd voor culinaire doeleinden gebruikt en men noemde het ook wel eens: de boter van de arme man.
De Duitsers hadden de oliepers verzegeld.
Jef trok zich daar gewoonweg niets van aan, haalde de loodjes weg en ging door met zijn olieperswerkzaamheden.

Bij hem thuis werden ook regelmatig – geheel clandestien – varkens en zelfs runderen geslacht.
Neen, Jef was geen bangerik en kwam met alles goed weg.

In de zomer van 1946 bleef ik thuis van school.
Ik was veertien en ging meehelpen op de boerderij van mijn ouders.

Op een dag kregen we bezoek van onderpastoor Jozef Wouters.

Hij wilde ons vader en ons moeder eens spreken en ik werd even wandelen gestuurd.

Later vernam ik dat hij gevraagd had of ik schrijver wilde worden in het bestuur van de BJB.
Ik was amper veertien jaar en de schrik sloeg mij om het hart!
Schrijver worden!
Jos Dijckmans zette zijn BJB- en schrijversactiviteiten stop wegens huwelijk.
Dus er moest iemand die taak overnemen.
En zo belandde ik als snotneus in een toch wel heel dynamisch en goed werkend bestuur.
Veel heb ik geleerd van voorzitter Vic Dyckmans en de andere bestuursleden: Louis Smeyers, Jef Verachtert, Karel Michielsen en Jan Bertels.

Als schrijver trok ik, samen met voorzitter Vic, per fiets naar de vormingsdagen in het jezuïetenklooster in Lier.
We reden ook met de fiets naar Leuven om er de nationale studiedagen te volgen.
Die gingen elk jaar door van paasmaandag tot en met de woensdag daaropvolgend.

Van het hele gebeuren moest achteraf een verslag worden gemaakt.

En ik was de schrijver!

Wat heb ik daarmee afgezien!

We trokken ook naar de provinciale studiedagen in Herentals, jawel, met de fiets.
In Mol, in de huishoudschool Sint-Lutgardis, werden in de oneven maanden de gewestvergaderingen gehouden voor schrijvers (secretarissen - penningmeesters), in de even maanden voor alle bestuursleden.
De bedoeling was om een mooie samenwerking tussen de afdelingen te creëren en goede, loyale bestuursleden te vormen.


Logo BJB.

Onze eigen vergaderingen hadden plaats in de Gildenzaal.
Elke vergadering begon met een gebed door onderpastoor en proost Jozef Wouters.
Voorzitter Vic Dijckmans opende de samenkomst met een welkomstwoord.
Soms werd er een spreker uitgenodigd die enthousiast over een of ander BJB-thema kwam vertellen.

Of we kregen les van René Stappaerts over veehouderij, nieuwe teeltgewassen, onkruid- en insectenbestrijding enz.
Al die vergaderingen en studiedagen waren voor ons bijzonder leerzaam en verrijkend.


Het de kerk op de trouwdag van Louis Smeyers en Maria Slegers, in september 1949.
Zittend: Frans Vennekens, Jos Moons, Fons Mariën en Jos Gevers
Staand: Karel Michielsen, Karel Thijs, Marcel Rommens, Vic Dijckmans, Jan Bertels en Aloïs Stappaerts.

We verwierven er een degelijke technische, culturele, sociale en godsdienstig-zedelijke vorming mee.

Zo groeide mijn engagement in de BJB stapsgewijs.

Vooral ons moeder stimuleerde mij enorm.
Ik mocht altijd het werk onderbreken om naar de vergaderingen, studiedagen of bijeenkomsten te gaan.
Ik ben er haar nog altijd dankbaar voor.

Al vlug werd ik gebombardeerd tot schrijversecretaris-penningmeester.
Tijdens de drukke periodes ‘verzoop’ ik wel eens in het vele werk, maar het heeft me gevormd tot wie ik ben en het waren de schoonste jaren van mijn jeugd.
Ik ben dan ook graag op mijn post gebleven tot op mijn trouwdag.

Het huwelijk betekende ook meteen het einde van het lidmaatschap.
Als een BJB-bestuurslid trouwde, gingen wij naar de trouwmis in ons uniform (kaki hemd en blauwe das).
Op het avondfeest brachten we dan traditioneel een heilzang aan het jonge paar en declameerden er een humoristisch, lichtjes hekelend levensgedicht over onze afscheidnemende BJB kameraad.

Voor we trouwden, konden wij destijds een driedaagse verloofdencursus van de BJB volgen.

Voor de heren gingen die cursussen door in het Retraitenhuis te Lier, voor de dames in het Emmaüsklooster in Weelde.

In die jaren bracht ik nogal eens een bezoekje aan Jos Deckx in Dessel.
Hij was toen gewestschrijver en had toch wel een heel lieve, mooie zuster, vond ik.

En hoe gaat dat, Cupido scherpt soms stiekem zijn pijltjes en zo kwam ons Anna in mijn leven.
We zijn ondertussen al bijna 56 jaar getrouwd.

Ons Anna en ik hebben de verloofdencursus gevolgd in de winter van 1956.
Het was een van de koudste winters van vorige eeuw en ons Anna heeft me dikwijls verteld dat zij daar ’s avonds met jas en kleren aan in bed kroop om het toch maar een beetje warm te krijgen.

Een heel leuke traditie was wel dat, na de cursus, de dames de heren mochten afhalen in Lier, en later de heren hun dames mochten afhalen in Weelde.

De BJB was op vele terreinen actief.
In Retie werd er een zangkoor opgericht en meester Rik De Ceuster moest dat een beetje in goede banen leiden.
Wij oefenden één keer per week in de Gildenzaal.
In de wintertijd speelden we ook toneel, tweemaal twee voorstellingen: de laatste twee zondagen voor de adventtijd en de laatste twee zondagen voor de vastentijd.

Ook deze toneelvoorstellingen hadden plaats in de Gildenzaal en meestal waren ze vlug uitverkocht.
Er werd tien frank gevraagd voor de rijen tot aan het verhoog.

Vanaf het verhoog en ook op ‘den uil’ (kleine bovenruimte) kostte een plaats vijf frank.
Het was ook wel een leuke manier om wat geld ‘in ons bakske’ te krijgen.

Wat ik ook zeker moet vermelden, is dat er in Retie een zeer bekwame groep BJB-vendeliers was, die regelmatig haar vendels zwaaide op vele culturele evenementen.


Jos Moons en Anna Deckx trouwden in Dessel op 21 augustus 1956.
Gewestschrijver Juul Dries van Dessel las een treffende afscheidsbrief voor.

Eind de jaren 1940 werd er een BJB-ruiterijvereniging opgericht.
Wiet (Louis) Smeyers van de Boesdijk was de eerste ruitercommandant, hij had daarvoor een opleiding gekregen in Leuven.
Wiet werd opgevolgd door Vic Smets van de Wildeman.
Later nam Wiet (Louis) Meulemans van de Berg de touwtjes in handen.
Het allereerste tornooi waaraan onze ruiters deelnamen, was het ruitertornooi in Lichtaart, ik meen in 1948.
Uit de BJB-ruiterijverenigingen is later de LRV (Landelijke Rijvereniging) ontstaan.

BJB-Retie behoorde tot het gewest Mol, samen met de BJB-verenigingen van Balen-Neet, Balen-Hulsen, Balen-Malou, Olmen, Dessel, Witgoor en Postel.
Aan het hoofd van elk gewest stond een gewestleider.
Elk jaar werd er, afwisselend in een van de gewestplaatsen, een zomerfeest georganiseerd.
In de namiddag, na het lof te hebben bijgewoond in de plaatselijke kerk, vormden we een stoet met alle deelnemende groepen en, netjes in uniform, trokken we met onze kleurrijke vlaggen processiegewijs door de straten.
Daarna stond er een fameus sportevenement op het programma: 100 meter sprint, 1000 meter hardlopen, een aflossingskoers, hoog- en verspringen.

Er werd verwoed en eervol gestreden om de overwinning.
Lukte het om de daaraan verbonden wisselbeker drie keer te winnen, verhuisde die voorgoed naar de zegevierende afdeling.

In de wintertijd werden er zang- en declamatieconcoursen gehouden.
Veel moedige jonge mannen toetsten er hun artistieke talenten voor een ruim publiek en een deskundige jury.

In 1954, op het winterfeest in Postel, werd ik door de leider van het gewest Geel gevraagd om de taak van gewestleider van Mol op mij te nemen.
Ik vond het een bijzondere eer en heb dankbaar het aanbod aangenomen, al wist ik dat ik daarmee een hele hoop extra werk zou krijgen.
In de maand april 1954 deed ik voor kardinaal Jozef-Ernest Van Roey te Mechelen mijn eedaflegging.

Het laatste, grote evenement dat ik als gewestleider mee hielp inrichten, was het ruitertornooi in Balen-Neet in 1956.
De opkomst voor dergelijke tornooien was destijds enorm, zowel van de deelnemers als van de bezoekers.

Ik herinner me nog dat ik als verantwoordelijke ’s avonds de goedgevulde kassa in veiligheid moest brengen.
En met 100.000 frank – toen een serieus fortuin – reed ik met de fiets naar Retie!
Pas later besefte ik wat een riskante onderneming dat eigenlijk was!


Met verlof met Retie-kermis, in 1952:
Marcel Mariën (links) en Jos Moons.


Vooraan rechts, trots poserend op zijn Bedfordcamion: soldaat-milicien Jos Moons.
Foto gemaakt op 15 maart 1953 in Lombardsijde.


Op 1 februari 1952 startte ik mijn legerdienst in de Sint-Martinuskazerne te Leuven.
Aanvankelijk zou de dienstplicht 24 maanden duren, maar tijdens mijn ‘term’ werd de wet herzien en werd de diensttijd met 3 maanden ingekort.
De opleiding tot onderofficier in Heverlee was een afknapper en ik was blij dat ik als chauffeur aan de slag kon in het Kamp van Lombardsijde.
Ik werd er ondergebracht in een stafbatterij Luchtdoelartillerie.

Aanvankelijk was ik het administratieve hulpje op het kantoor van een majoor.
Als de majoor ’s middags een pauze nam, kon ik op zijn schrijfmachine aan de slag en schreef ik wel eens een verhaaltje.
Eentje daarvan werd ooit gepubliceerd in het BJB-tijdschrift.
Later mocht ik met een oude Bedfordcamion het land doorkruisen.
Die camions waren zo’n beetje de afzet van het Britse Achtste leger en hadden de Tweede Wereldoorlog overleefd waarin ze werden ingezet in de Noord-Afrikaanse woestijnoorlog van veldmaarschalk Montgomery tegen de Duitsers, onder leiding van veldmaarschalk Rommel.
Als we door een ‘accidentje’ toch eens een kras (of erger) op een van de vrachtwagens veroorzaakten, kon je de lichtgele woestijnschutkleur nog zien die onder het Belgische kaki zat.

Vlaamse en Waalse soldaten leefden broederlijk naast elkaar in onze batterij.
Wij leerden van hen wat Frans, zij van ons een mondjevol Nederlands, en dat liep gesmeerd.

Wel heb ik vier dagen ‘bak’ gedaan.
Ik werd, samen met een kameraad, betrapt bij het ‘onwettig verlaten der kazerne’, m.a.w.: wij kropen over de draad.
Sito presto het cachot in (politiekamer), en ’t was juist eindejaar!

Leuk was anders!
Maar we hebben dat allemaal goed overleefd en op 28 oktober 1953 zwaaide ik af en nam ik de draad bij de BJB weer op.

Zo was de cirkel uit mijn jonge jaren een beetje rond en allezeleven heb ik, heel diep in mijn hart, mijn levensmotto gekoesterd:


ALS BOER BEN IK GEBOREN

EN ALS BOER WIL IK STERVEN
Guy Aarts