Even voorstellen...Jos Feyen

Jos Feyen

Het zijn goede geesten die wederkeren.’
Een leuk en relevant spreekwoordje dat alleszins van toepassing is op Jos Feyen – alias ‘den drukker’ – en zijn vrouw Maria Van Deun.
Zij verhuisden terug van Dessel naar Retie.
Jos is van 1927, Maria van 1925.
Beiden flinke tachtigers dus.
Ik mocht een genoeglijke namiddag doorbrengen in hun gastvrije huis in de Pijlstraat.

Aandachtig luisterde ik naar de verhalen van Jos, verhalen over vroeger.
Hij heeft onmiskenbaar een opmerkelijk en bijzonder parcours afgelegd.
Met één absolute constante: muziek!
Trompet, bugel, klaroen of tuba: voor Jos zijn zij het hoogste goed!
Muziek opende voor hem veel deuren, bood hem een rist waardevolle kansen aan.
Vorig jaar werd hij gevierd door fanfare De Lindegalm voor zijn 75-jarig lidmaatschap.
Verder slalomt het verhaal losjes door zijn jonge jaren.
Zeker wil ik u volgende, leuke bijzonderheden niet onthouden.
Ze vielen enigszins buiten de context van dit verhaal, maar zijn toch meldenswaard: Jos was (of is) een fervente muntenverzamelaar, keververzamelaar (niet de auto’s, wel de beestjes), volleybalsupporter en kruiswoordraadselcrack.
Mogelijk vergeet ik nog een en ander maar gebeurlijk zal Jos u dat zelf wel eens vertellen.
Zoals hij het volgende ook graag aan mij heeft verteld…

Ik ben een rasechte Retienaar, geboren op de Kapellepad op 28 april 1927.
Ons vader was Victor (Vic) Feyen, ons moeder Gusta Hoskens.
Ik ben de oudste van vier.
Na mij kwamen nog mijn drie zussen: ons Paula, ons Lucienne en ons Maria.
Wij woonden vooraan op de Kapellepad, met vijf Feyens uit dezelfde familie, netjes naast elkaar.
De vijf woningen waren aaneengebouwd.
Mijn grootouders woonden het dichtst bij de Gildenstraat, naast Jan Teen (Aloïs Schellekens).
Dan volgde nonkel Gust en zijn gezin.
Gust was een van de drie broers van ons vader.
Hij was metser en kolenhandelaar en bracht al in de jaren 1930 zijn marchandise rond met een kleine vrachtwagen.

Jos heft het glas op hun 60-jarig huwelijksjubileum (29 september 2012).

Er was een inrijpoort voorzien tussen zijn woning en dat van mijn grootouders.
De inrijpoort deed ook dienst als toegang ‘naar achteren’ voor al de Feyens die daar op een rijtje woonden.
Er was achter de huizen geen scheiding voorzien tussen de tuintjes en we konden makkelijk van de ene naar de andere, wat wij wel leuk vonden.
Naast nonkel Gust woonde nonkel Frans met zijn huishouden.
Ook hij was metser en een broer van ons vader.
Dan volgden wij in het rijtje.
Ons moeder hield een klein kruidenierswinkeltje open.
Vrijdags kon het er behoorlijk druk zijn.
Dat waren de dagen dat de mensen het vlees moesten derven en er kwam dan vrijwel overal vis op tafel.
Een heel populaire vis in die jaren was: ‘ene zonder schouders’, de volkse benaming voor een haring.

Het vrome Jefke (Zotje van Geel), in zijn gekende outfit, op weg naar een processie.

Ook pekelharing was zeer in trek.
Ze werden bij ons in tonnetjes aangeleverd.
Ik heb dikwijls geholpen met die pekelharingen: ik moest er rauwe ajuin en citroen tussen leggen.
We verkochten ze vlotjes, soms meer dan tweehonderd op één vrijdag.
In het volgende huis woonde dan nog de derde broer van ons vader, nonkel Wiet.
Hij was, u raadt het al, eveneens metser.
Het was er ook café en het is er zelfs een lange tijd het clublokaal van voetbalclub F.C. Violetta geweest.
Al deze woningen waren door de broers Feyen gebouwd.
De Feyens wisten van aanpakken, schuwden het zware werk niet.
Ze zijn zelfs, kort na de Eerste Wereldoorlog, naar de Westhoek getrokken om er te helpen bij de wederopbouw van het zwaar gehavende gewest.
Feel Van Mechelen en Henri Crols (de Kômmer) waren toen mee als metserdienders.
Er woonde, ook toen al, heel wat volk op de Kapellepad.
Er waren drie kruidenierswinkels: bij Trieneke Vos, bij Lies Mariën (van Kwatsen) en bij ons.
Stanneke De Roos had zijn bakkerij op de hoek Kapellepad-Gildenstraat, tegenover Jan Teen.
Hij bakte heel lekker brood en deed goede zaken.
Er waren twee bakkersgasten om met een triporteur het brood bij de klanten te brengen.
Jan Teen hield café ’t Spieken open.
Als Jefke (Zotje van Geel) naar de processie in Retie kwam, kreeg hij bij Jan Teen altijd

De Kapellepad werd gepaleerd voor de inhalingsstoet van burgemeester Jos Van Looy in 1965.
Links is het huis te zien waar destijds de grootouders van Jos Feyen woonden.
Rechts het huis/café van Jan Teen (Aloïs Schellekens).

wat te eten en te drinken.
Mijn neef Jozef Feyen (den Dikken Feyen), die ook af en toe bij Jan Teen een pint ging drinken, heeft Jefke ooit een fel blinkende medaille cadeau gedaan met bijgevoegde uitleg: ‘Sè Jefke, da’s nu eens een medaille van de Vissersclub van den Hemel.
Zo een hadt ge nog niet, hé!’ Jefke, zo fier als een gieter, spelde de medaille direct op zijn mantel en liet haar schitteren tussen al zijn vorige veroveringen.
Verder had je dan nog Frans Renaerts met een elektrozaak en achteraan op de Kapellepad, in de Rij, de fietswinkel van Aloïs Mariën (Wiet van Kwatsen).

Het was toen een heel andere tijd.
Om ook wat centjes bij te dragen voor thuis ging ik als kind – ’s morgens nog voor ik naar school ging – een hele zak eikels rapen in de Gildenstraat.
Die werd dan verkocht als varkensvoer.


Jos Feyen, twee jaar oud, poseert in de studio van de fotograaf.

Van mijn kleutercarrière herinner ik me niet zo veel meer.
Dat ik bij juffrouw Julia Van Woensel en bij zuster Berchmans heb gezeten, weet ik nog wel.
In het eerste leerjaar zat ik bij meester Meulemans.
We kregen les op ’t gemeentehuis wegens te weinig plaats in de gemeentelijke jongensschool.
De speeltijden brachten we door in de jongensschool.
We moesten dan telkens door het Klokkenstraatje naar de Peperstraat wandelen.
De volgende leerjaren zat ik op de jongensschool.
Het leren ging mij makkelijk af.
Ik geloof dat ik in elk schooljaar de primus van de klas ben geweest.
Niet dat ik zo’n braaf boekenwurmpje was – ik was best wel een speelvogel – maar ik kon alles nogal goed onthouden.
Spelen, of beter: ‘ravotten’, deden we vroeger op straat.

Speelgoed hadden we omzeggens niet maar kameraden des te meer.
We hielden ons wel eens bezig met allerlei kwajongensdingen, zoals bijvoorbeeld het ‘klotsbuis’ schieten.
Een klotsbuis maakten we van een stukje holle vlierentak.
We zochten dan een mooi, recht stokje dat netjes in die vlierentak kon schuiven, propten aan de andere kant een vlier- of andere bes in het buisje, duwden het stokje verder tot we een ‘plop’ hoorden en de bes door de luchtdruk wegschoot.

Met de katapult schieten was ook een geliefde bezigheid.
Een katapult maakten we uit een sterk ‘gaffeltje’ of mik (te vinden in een beuken- of ligusterhaag), waaraan we aan de uiteinden een elastiek bevestigden.
De elastiek sneden we meestal uit een versleten binnenband van een auto of fiets.
Je moest die wel mooi gelijk snijden of hij brak te vlug.
Als projectiel gebruikten we ronde keitjes of eikels.
Niet ongevaarlijk en er kwamen nogal eens vodden van.

De meisjes hielden het doorgaans wat rustiger.
Zij amuseerden zich met touwtjespringen, hinkelen of allerlei balspelletjes.

We verzeilden ook wel eens wat verder van huis.
In de Kerkhofstraat, op het pleintje voor het café/winkeltje van Peer Melis (Peerke van Mannen), lagen destijds zware boomstammen te drogen.
Ze waren eigendom van blokmaker Dré Verellen van de Markt.
We legden dan een stevige plank dwars over zo’n boomstam en we hadden een wip (kweekkwaak).
Soms zaten we wel met z’n vijven aan elke kant van de wip en hadden dus letterlijk pret voor tien.
Vlakbij datzelfde pleintje, aan een stevige, laaghangende tak van een der Amerikaanse
eiken naast de steenweg, hadden bereidwillige vaders een prachtige schommel gemaakt.
Een resem oude fietsbanden, solide aan elkaar geknutseld, konden daar best voor dienen.
Ook vroeger waren de mensen vindingrijk.
Ik herinner me ook nog dat wij vaak gingen ‘kallen’, een soort petanque-spel.
Het was de bedoeling om vanop een afstand, al scherend met een platte steen, een paaltje van plusminus 25 cm hoog en 5 cm dik waarop een geldstuk lag, om te gooien of zo dicht mogelijk te benaderen.
Best een leuk spel.

Al op heel jonge leeftijd ging muziek een belangrijke rol spelen in mijn leven.
In 1935 werd ik lid van fanfare De Lindegalm en ik was ook bij de jonge zangers van ’t hoogzaal.
Muziek werd echt mijn ding.
Ontelbare uren heb ik geoefend en gestudeerd.
En altijd met veel plezier.

Onderpastoor Wouters raadde mij aan om verder te studeren.
Dat was niet zo vanzelfsprekend in die jaren.
Ik zou naar het Sint-Jan Berchmanscollege gaan, in Mol, om de richting Grieks-Latijn te volgen.
Bij onderpastoor Wouters mocht ik bijlessen volgen voor Frans.
Tegenover de jongens van het college had ik een grote achterstand wat de Franse taal betrof en dat zou me nog danig parten gaan spelen.
Ik heb slechts twee jaar aan het college gestudeerd.

Drukker Gilbert Van den Eynde wou me graag bij hem in de drukkerij.
Ik had toch al wat ‘letters gegeten’, beweerde hij, en ik zou het vak wel onder de knie krijgen.
Ik heb veel geleerd van Oscar Meuleman.
Hij werkte als drukker bij Gilbert.
Oscar was een fenomenaal vakman, kende zijn vak van haver tot gort.
Dat hij de zoon was van de gekende Retiese drukker/fotograaf Jozef Meuleman, heeft hem daarbij vast geholpen.
Oscar was ook een goed violist.
Het straffe was dat hij zichzelf het vioolspelen had aangeleerd.
Ook de Duitse taal had hij op zijn eigen geleerd.
Heel knap.
Als grap vertelde hij wel eens dat hij de enige mens was in Retie, die zijn naam kon tekenen, namelijk: een os, een kar, een molen en een man.

Door de nijpende oorlogsjaren kwam er echter steeds minder werk in de drukkerij.
Gemeentesecretaris Aloïs Willekens stelde me voor om als klerk te komen werken op het gemeentehuis.
Aloïs was voorzitter van fanfare De Lindegalm en zo kende hij me goed.
En, ’t een gezegd lijk ’t ander: het was toen ook al mogelijk dat er wat ‘gearrangeerd’ werd achter de coulissen.
Al was de burgemeester de baas van het dorp, Aloïs Willekens deelde de lakens uit.

Kort daarop moest ik soldaat worden.
In 1946 was dat.
En alweer dankzij Aloïs Willekens kreeg ik een mooi plaatsje toebedeeld in Turnhout, in kazerne Majoor Blairon.
Aloïs was goed bevriend met volksvertegenwoordiger en luitenant-kolonel Frans Tanghe en had hem mijn muzikale kwaliteiten aangeprezen.
Ik werd prompt de ‘klaroenist’ van de kazerne.
Ik kreeg zelfs geen geweer, heb dus ook nooit een schietopleiding gevolgd, maar ik moest wel wachten kloppen.
Dat soldaten wel eens stevig de bloemetjes buiten zetten, is alom bekend.
Het was toen niet anders.
De soldij werd dikwijls vlotjes verteerd en soms was het geld dat ik nodig had om met de tram naar huis te rijden, ook zo goed als op.
Ik reed dan maar mee zover mijn budget toereikend was.
De rest van de afstand legde ik te voet af.

Een topmoment tijdens mijn legerdienst was zondermeer de dag dat ik op de Markt in Turnhout enkele solo’s mocht spelen ter gelegenheid van het bezoek van de grote Bernard Law Montgomery.
Montgomery was een succesvol Britse veldmaarschalk en generaal die tijdens de Tweede Wereldoorlog met de geallieerde legers tal van successen boekte bij het ontzetten van de Duitsers.
In 1946 werd hij in Engeland tot de adelstand verheven als burggraaf Montgomery of Alamein.
Er was een massa volk opgekomen om de beroemde Brit te kunnen zien.
Toen ik de ‘Groet aan de Vlag’ en nog enkele andere nummers speelde, werd het muisstil.
Toch een kippenvelmoment.

In het begin van de Tweede Wereldoorlog werd ook ons vader opgeroepen.
Hij moest zich aanmelden ergens in de Vlaanders, dacht ik.
Ons vader vertelde later dat het er miserabel aan toe ging in het Belgische leger.
Er werden telkens vijf geweren uitgedeeld per groep van... twintig soldaten!
Zo moesten zij de strijd aangaan tegen het tot de tanden gewapende Duitse leger!
Na de Achttiendaagse Veldtocht was voor ons vader de oorlog voorbij.

Wij zijn, zoals de meeste mensen in Retie, ook gaan vluchten.
Met een goedgevulde krui- en kinderwagen op weg naar Frankrijk.
Althans, dat was de bedoeling.
Maar we raakten niet meer over het Albertkanaal.
Alle bruggen waren vernield door het Belgische leger.
We zijn dan maar teruggekeerd.

Soldaat-klaroenist Jos Feyen in kazerne Majoor Blairon in Turnhout.
Een foto uit 1946.

Op de terugweg toch een hachelijk moment: in Kasterlee botsten we op een groepje Duitse soldaten.
Ze zagen er niet echt kwaadaardig uit maar ze namen wel ons kleine Maria uit de kinderwagen en verdwenen met haar in een nabije woning.
De schrik sloeg ons om het hart!
Gelukkig, al vlug kwamen ze terug naar buiten en hadden ons Maria… lekker ingeduffeld in een warme deken en legden haar terug in de kinderwagen.


De legendarische Britse veldmaarschalk B. L. Montgomery.



Een bouwwerf in de jaren 1940. Rechts zien we Vic Feyen, de vader van Jos.
De man in lichte kiel zou Feel Van Mechelen zijn.


Na de oorlog is ons vader jarenlang naar het kamp van Leopoldsburg gereden, met de fiets, deels om er de gebouwen te helpen repareren, deels om er nog nieuwe bij te zetten.
Het kamp was in mei 1944 zwaar gebombardeerd door de geallieerden om er de Duitsers weg te krijgen.
Het was zo goed als helemaal vernield.

Metsers hadden in die jaren werk in overvloed.
Ik weet ook nog dat ons vader de kerk van ’t Zwaneven heeft helpen bouwen.
Daar was hij trots op.
Altijd reed ons vader met de fiets naar ‘den bouw’.
Hij had zo’n soortement van fiets ‘met ne kromme guidon’ (koersstuur) en hij kon daar verschrikkelijk hard mee rijden!
Volgens mij was ons vader de voorloper van de huidige wielertoeristen.


Op 29 september 1952 trouwden Jos en Maria in Retie.
De bruidskinderen waren: Lutgarde Van Deun en Michel De Smet.

In 1952 trouwde ik met Maria Van Deun en in datzelfde jaar werd ik zelfstandig drukker.
In een klein huurhuisje in de Kerkhofstraat, naast Peer Cools (Peer Hoed) richtte ik mijn drukkerij in.
Met een Heidelberg handdegelpers en een behoorlijke letterkast, zo ben ik gestart.
Een vouw- of snijmachine had ik niet.
Dat moest allemaal nog met de hand.
Gelukkig mocht ik al snel de Retiese Gemeenteberichten drukken.
Daar had ik goed mijn werk mee.
Hoe dat interessante order bij mij terechtkwam, had ook weer – onrechtstreeks dan wel – iets te maken met muziek.
Er was een verbeten strijd om het burgemeesterschap aan de gang tussen de toenmalige kopstukken van de Retiese CVP.
Gilbert Van den Eynde en Frans Schepens wilden allebei heel graag de tricolore-sjerp dragen.
De verkiezingen in 1952 gaven uitsluitsel en Schepens haalde het.
Dat viel niet in goede aarde bij secretaris Willekens, een goede vriend van Gilbert Van den Eynde.
Willekens, voorzitter van De Lindegalm, verbood ons om met de fanfare een serenade te gaan spelen bij overwinnaar Schepens.
Een traditie die toch al jaren in gebruik was.
Omdat ik dat toch maar sneu vond voor burgemeester Schepens, trommelde ik een groot deel van mijn Lindegalmcollega’s op en de serenade kwam er.
Als blijk van dank bezorgde burgemeester Schepens mij later het drukwerk van de periodiek Gemeenteberichten.

Helemaal in Amerikaanse New Orleansstijl: trompettist en ‘jazz-speler’ Jos Feyen in de jaren ’40-’50.

Secretaris Willekens vatte het uiteindelijk allemaal sportief op, gaf toe dat we de juiste keuze hadden gemaakt.
Chapeau toch?

In 1954 zijn we naar Dessel verhuisd.
Schoonbroer Gust Van Deun, die bij notaris Van Ussel werkte, wist ons te vertellen dat er in Dessel op de Markt een interessant pand vrijkwam.
Er was in Dessel nog geen drukkerij en het leek ons een unieke kans om de stap te wagen en om er een nieuwe zaak te beginnen.

We hebben toen heel hard gewerkt, Maria in de winkel, ik in de drukkerij.
De zaak vlotte goed en ik had al vlug een goede klant aan brouwerij Campina.
Ik was lid geworden van de Desselse fanfare De Eendracht.
Ernest Minnen was er de voorzitter.
Hij was ook mededirecteur van brouwerij Campina en al het drukwerk dat betrekking had met de brouwerij en aanverwanten, speelde Ernest door aan mij.
Dat was een serieuze meevaller en het gaf me al direct werkzekerheid.

In die jaren speelde ik in een dansorkest.
We waren met zes muzikanten, alle zes uit een verschillend dorp.
Het orkest was verbonden aan danstentenfirma Alfons Van Bael en we trokken met hen de kermissen rond.
We speelden zowat anderhalf uur en werden dan een poosje afgelost door het Decap-orgel.
Daarna mochten wij weer gedurende anderhalf uur de dansers vermaken.
Zo tot in de kleine uurtjes!
Het was een plezante tijd maar wel zwaar om vol te houden.

En om met een leuke anekdote te eindigen: we weten allemaal dat er vroeger in Retie vrij veel staminees waren, toch?
Wel, brouwer Raeymaekers uit Dessel (beter gekend als de Gied, afleiding van Egidius) leverde in verschillende Retiese café’s zijn bieren en limonades.
De brouwer had de fidele gewoonte om in elk café de klanten te trakteren op een tournée générale.
Zo werkte hij elke week zijn vaste toer af.
Een gewiekst kliekje Retienaren kon deze fijne geste van de brouwer zodanig appreciëren dat zij hetzelfde parcours aflegden als de Desselse brouwer.
M.a.w.: net voor brouwer Raeymaekers café A ging verlaten, zaten de dorstige, klaplopende Retienaren al in café B, waar dadelijk de brave brouwer zou arriveren en… een tournée générale zou geven…

Geef toe, beste lezer, een goedkoper ‘zatsel’ kon je moeilijk verzinnen!


Guy Aarts