Even voorstellen...Jeanne Slegers

Jeanne Slegers

Dit is het verhaal van Jeanne Slegers.
Molenaarsdochter, pensionaatmeisje, erudiete dame.
Ook tuinierster.
Tijdens het telefoongesprekje vooraf verneem ik dat ze volop in de tuin aan ’t werken is.
Ze had al ajuin en sjalot willen planten maar de nachten waren nog te koud.
Jeanne, 88 jaar jong!
Zij wint meteen mijn hart.
Met een leeftijd die men ‘gezegend’ mag noemen, verhaalt een minzame Jeanne zo mooi over ‘lang geleden’: fijntjes gedetailleerd en bovenmate boeiend.
Het onderstaand relaas zal u, beste lezer, daarvan moeiteloos overtuigen.
In naam van Jeanne wens ik u daarbij veel leesplezier toe…

Alfons (Foen) Slegers was mijn vader.
Hij was van 1889.
Mijn moeder, Paulien (Lieneke) Van den Dungen, was van 1895.
Beiden zijn in Retie geboren.
Vader moest gaan vechten in de Eerste Wereldoorlog.
Al in augustus 1914 werd hij door de Duitsers gevangengenomen bij het fort van Cognelée (Namen).
Het fort was bezweken onder het groot-kalibergeschut van de Duitsers.
Vader werd weggevoerd naar een krijgsgevangenenkamp in Dassel (Northeim, Duitsland).
Hij leed erg onder het harde, meedogenloze kampregime.
Zwaar ondervoed – per dag slechts een korst brood en een kommetje soep (lauw water met één wortel er in) – werden zij gedwongen onmenselijke graafwerken te verrichten.
Met de schup.
Ons vader woog na acht maanden nog 37 kg.
Gelukkig kwam er redding.
Hij werd als hulpje geplaatst op een watermolen in een buurdorp.
Vader werd er goed behandeld en herstelde zienderogen.
Na een tijdje woog hij 85 kg.
Hij bleef de hele oorlog in Duitsland en kwam pas in februari 1919 terug naar huis.

Mijn vader had de molenaarsstiel geleerd bij molenaar Jan Coppens uit Turnhout.
Jan maalde op de Grote Bentelmolen in de Oranjemolenstraat, nabij de Otterstraat.
In 1920 kocht vader de Retiese Akkermolen van August Schillebeeckx.
Mijn ouders woonden toen in bij mijn grootouders aan moederskant, in de Molenstraat.
Ons Gusta, mijn oudere zus, werd er geboren in 1922.

Jeanne Slegers, pretlichtjes in de ogen
en het verleden in het hart...



Jeanne Slegers (links) en haar zus Gusta in 1929, bij fotograaf Jansen in Turnhout.



Ik zag er het levenslicht op 23 januari 1927.
Mijn vroegste herinneringen dateren uit de tijd dat vader me meenam naar de molen en vertelde over ‘de mooiste stiel ter wereld’!
Samen keken we naar de bomen en de huizen van het dorp en naar de verre akkers die zich rond de molen uitstrekten.
Nu nog kan ik het ratelen en kraken van het houten raderwerk, het jagen en zuchten van de wieken horen.

Als vijfjarig ukje ging ik naar de kleuterschool bij de nonnetjes in de Kloosterstraat.
Ik zat bij zuster Berchmans, toen nog een piepjong nonnetje, lief en zachtaardig.
In de lagere school zat ik in het eerste leerjaar bij zuster Clementia.
We leerden bij haar ‘de sjerpsteek’ breien.
Ze kon ook heel verfijnd papieren bloemetjes in elkaar knutselen.
Door mijn veelbelovende schooluitslagen mocht ik het tweede leerjaar overslaan.
Het derde leerjaar volgde ik bij juffrouw Gusta Schillebeeckx.
Toch een hele aanpassing: ik zat plots tussen veel grotere meisjes.
In het vierde zat ik bij juffrouw Margriet Van Woensel.
Het vijfde leerjaar bij juffrouw Anna en het zesde bij zuster Antonia.
Zuster Antonia kon heel boeiend vertellen, zij werd soms tot tranen toe bewogen door haar eigen verhalen.
Ik had het geluk dat ik makkelijk kon leren en goede punten haalde.
Als extraatje mocht ik, samen met enkele andere meisjes, Franse les gaan volgen bij zuster Augustine.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Foen Slegers als krijgsgevangene tewerkgesteld in een watermolen in Landkreis Northeim (Duitsland).
Foto (1915).



Op de speelplaats van de meisjesschool in de Kloosterstraat, in 1936.
We zien de klassen van het vierde leerjaar.
Jeanne Slegers staat op de tweede rij, derde van rechts.


De communiejurk van Jeanne werd gemaakt door modiste Virginie Claes.



Zuster Agustine was de kosteres van het klooster en ze was eigenlijk geen leerkracht.
Maar zij kwam uit een Franssprekende familie en was daarom het meest aangewezen om ons de beginselen van het Frans bij te brengen.
Ik weet nog dat we een Frans gedicht over Fra Angelico (‘de Engelachtige Broeder’, Florentijnse schilder-frater uit begin 15de eeuw) moesten leren.
Dat gedicht is me altijd bijgebleven.
De lessen werden gegeven tijdens de middagpauze, van halftwee tot twee uur.
Ook pianoles kon je bij zuster Augustine volgen.
Ik heb het geprobeerd maar zonder succes.
Mijn muzikaal talent bleek zeer gering te zijn.
In de winter ging ik op vrije middagen – toen nog op donderdag en zaterdag – wel eens spelen bij mijn vaste schoolmaatje Annie Van Gansewinkel, op de Markt.
In de brouwerijgebouwen was het leuk ravotten.
We klommen soms in de toren of duikelden in het malse hooi bij de paardenstal.
Van Peer Gijs, knecht bij Van Gansewinkel, mocht dat.

’s Zomers ging ik vaak mee naar het verre gehucht Duinkerken, naar de boerderij waar Maria Maeriën (Maria van de Pruis) woonde.
Altijd te voet, dat was toen heel gewoon.
Maria was ook een van mijn vaste vriendinnetjes en wij hebben tal van heerlijke uren doorgebracht op de boerderij.
Het was in die jaren nog een huurboerderij van baron du Four.
Dat kon je zien aan het groen-en-wit geschilderde houtwerk.
Af en toe belandden we op de boerderij van Jef Smets (Jefke van Wenen) en Mathilde Vennekens.
Via een binnenpaadje was je in een ommezien bij hen, in Wenen.
We gingen er spelen met de kleine Rosa (later missiezuster).
Mathilde kwam soms buurten bij ons moeder en ik weet nog dat we, op verzoek van Mathilde, wel eens kledingstukken breiden voor ‘de Smetskens’.
Ons moeder, ons Gusta en ik waren nogal ‘breivaardige krachten’, vandaar.

Tijdens de middagpauze op hele schooldagen kwam Maria Maeriën bij ons haar boterhammen opeten.
Een vast gebruik in die jaren: de kinderen van verre gehuchten mochten hun boterhammetjes opeten bij familie of bij kennissen die in het centrum woonden.
Er waren nog geen refters voorzien in de scholen.
Toen Maria haar plechtige communie deed, mocht haar feest bij ons doorgaan.
Ons moeder zorgde voor alles wat nodig was om er een mooi festijn van te maken.
Iets wat zij dood graag deed.
Mijn communiekleed werd gemaakt door een nichtje van moeder, Virginie Claes.
Afkomstig van Retie, maar ze woonde in Antwerpen waar ze een eigen naaiatelier had.
Virginie had als modiste furore gemaakt, had een zekere naambekendheid en kreeg waardevolle opdrachten.
Zo mocht zij o.a. voor een burgemeestersfamilie uit Westmalle de trouwkleding ontwerpen en maken.
Virginie had enkele vaste naaisters in dienst.
Elke morgen om acht uur, nog voor we naar school gingen, moesten wij naar de mis.
Al te vaak was dat een ‘engelenmis’, een rouwmis voor overleden kindjes onder de zeven jaar.
Door het ontbreken van de nodige medische zorg en een gebrekkige hygiëne lag de kindersterfte erg hoog in die jaren.


Een zondags bezoekje aan de Kleyn Hoef.
Jeanne (links) poseert naast Germaine Dedeyster in de varkensweide.
Een foto uit 1935.


Kees Van Hoeck en Netje Staes bij de ijskar voor hun woning in de Molenstraat.
Jeanne en een neefje uit Antwerpen smullen van een ijsje (1932).


Wat ik me ook nog goed herinner, is de ijskar van Kees Van Hoeck die vaak voor zijn deur geparkeerd stond.
Kees en zijn vrouw Antonia (Netje) Staes woonden rechtover ons.
Op warme zomerdagen en met wat geluk, konden we bij Kees een lekker ijsje vastkrijgen.
’s Zondags in het zomerseizoen stond hij met zijn kar aan de lindeboom op de Markt.
Kees was gekend om de excellente kwaliteit van zijn ijskreem.

Vrijwel elke zondag bracht ons gezinnetje een bezoek aan het kasteel du Four.
Mijn grootvader (stiefvader van moeder) Jan Thijs was er in die jaren rentmeester.
En dat had zo zijn voordelen.
Zo mocht vader, die een verwoed hengelaar was, naar hartenlust vissen op de vijvers van het kasteel.
Meestal ging moeder dan, samen met ons Gusta en mij, naar het kasteel op de koffie.
Er werd hartelijk gebuurt met kokkin Lisa Crols en Henri Bogaerts, de butler.
Wij speelden buiten met de jongste dochters du Four en de neefjes of nichtjes die er op vakantie waren.
Tot op de Klein Hoef en ‘t Kadol strekte ons speelterrein zich uit.
Bij minder goed weer speelden wij in het speelhuisje, een losstaand gebouwtje links naast het kasteel.
Heerlijk allemaal!
En wat een mooie tijd was dat toch!

Grootvader Jan Thijs moest de pachtgelden van de huurboerderijen ophalen.
Normaal niet zo’n populaire bezigheid maar voor grootvader lag dat anders.
Hij was van boerenafkomst, kende het reilen en zeilen van het boerenleven en gaf aan wrijvingen die wel eens de kop opstaken bij de huurders een positieve draai zodat elk plooitje gladgestreken werd.
Dat hij elk jaar van de pachters in de slachttijd een stukje vlees mocht ontvangen, is een bewijs van grootvaders goede faam.
Tijdens de wintermaanden, als de familie du Four in Turnhout verbleef, moest grootvader regelmatig met de tram naar Turnhout om er eieren en boter te gaan bezorgen.
De baron was gehecht aan gezonde producten van Retiese bodem, van zijn grond.
Eén keer per jaar bracht de familie du Four, met het nodige enthousiasme, een tegenbezoekje bij ons thuis.
Dan werd mevrouw du Four, samen met de jongste dochters en doorgaans nog wat vakantiegangertjes, tot bij ons gebracht met de auto van het kasteel.
Met chauffeur!
Het zorgde voor leven in de Molenstraat!
De kinderen konden zich bij ons goed amuseren, wilden altijd per se een bezoekje brengen aan de molen, toch het voornaamste doel van hun bezoek.
Ze dronken een kopje koffie en aten een vieruurtje met wafels, gebak of pannenkoeken.
Door moeder met liefde en plezier gebakken en opgediend.
Ze genoot van haar rol als gastvrouw.

Na het lager onderwijs ging ik op internaat.
De keuze viel op het ‘Pensionnat des Soeurs de Notre Dame’ in Berchem.
Moeder stond erop dat we de Franse taal perfect zouden leren spreken en schrijven.
Ons Gusta had ook een tijdje op datzelfde pensionaat doorgebracht maar ze kon er niet aarden.
Zij koos voor een naaiopleiding in het pensionaat van Braine-le-Compte in Henegouwen.
Een pensionaat van dezelfde geestelijke orde als Berchem.
Het instituut in Berchem lag aan de Grotesteenweg en had toch wel een elitair imago.
Een imago dat in stand werd gehouden door de volharding om alle lessen in de Frans taal te onderwijzen.
Enkel voor het vak godsdienst bestond de keuze uit Vlaams of Frans onderwijs.
Het merendeel van de pensionaatmeisjes kwam uit de Antwerpse bourgeoisiekringen waar Frans werd gesproken.
Ze werden in de volksmond ook wel ‘de blauwkes’ genoemd vanwege hun blauwe jurken (in de winter), hun blauwe rokken en dassen (in de zomer).
Met mijn geringe kennis van het Frans kwam ik vaak in de problemen.
Met andere woorden: ik heb daar afgezien!
Maar na enkele maanden ging het beter en op drie jaar tijd leerde ik behoorlijk Frans spreken en schrijven.
Iets waarvoor ik mijn leven lang dankbaar ben gebleven.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, werd het instituut, uit veiligheidsoverwegingen, onmiddellijk ontruimd.
Alle meisjes werden afgehaald.
Een drukte van jewelste!

In Berchem met een groep pensionaatmeisjes, omstreeks 1942.
Jeanne staat uiterst links.

Ook mijn vaste, Retiese schoolvriendinnen Annie en Julienne Van Gansewinkel verlieten de school.
Zij konden meerijden met de auto van hun ouders.
Helaas reden zij niet terug naar Retie maar ze kozen voor meer veiligheid en reden naar hun appartement aan zee.
Met hen kon ik dus niet mee.
En daar stond ik dan, samen met nog twee doktersdochters uit Meerhout, als laatste te wachten op verlossing.
Enkele goedhartige zusters uit het pensionaat wilden ons wel naar huis brengen.

Voor het huis van molenaar Foen Slegers in de Molenstraat op 20 juni 1947 tijdens de inhaling van burgemeester Constant Graulus.
Jos Verdonck, Gusta Slegers, vriendin van Jeanne, Jeanne, Rik Liekens, Lieneke Van den Dungen en Vic Van Offenwert.

En net op dat moment stond ons Gusta in Berchem voor de poort.
Zij was met het openbaar vervoer helemaal vanuit Brainele-Compte naar Berchem gereisd om mij te komen halen.
Godzijdank.
Samen met de meisjes uit Meerhout zijn we dan vertrokken met de bus, richting Turnhout.
In Vlimmeren werden we gewaarschuwd voor luchtalarm.
Er waren Duitse jachtvliegtuigen gesignaleerd die op bussen en vrachtwagens schoten.
Dus met zijn allen vlugvlug uitgestapt, dekking gezocht in een nabijgelegen bos en… wachten.
Tot er inderdaad Duitse vliegtuigen verschenen.
Eentje dook naar beneden en nam onze bus onder vuur.
Ondanks de schade kon de bus toch verder rijden en raakten we in Turnhout.
Daar stapten we in de tram naar Mol en ging het richting Retie.
Eindelijk.
Moeder was doodongerust geweest.
Ze was elk uur naar de Markt gaan kijken of we nog niet gearriveerd waren.
Na de eerste, woelige oorlogsweken herstelde het gewone leven zich, ook in het instituut in Berchem.
Toch moest men er een Duitse inkwartiering dulden, werden enkele afdelingen overgebracht naar locaties buiten het instituut.
Na de bevrijding werden de gebouwen opgeëist door het Britse leger om er een militair hospitaal in onder te brengen.
Door de riskante oorlogssituaties heb ik na drie jaar toch maar de overstap gemaakt naar een school dichter bij huis.
Ik ging naar het Heilig Graf in Turnhout en werd dagscholier.
Elke dag met het trammetje naar Turnhout en terug.
Bij luchtalarm tijdens de lessen moesten we holderdebolder de kelder in.
We kregen er ’s middags dikwijls bonen te eten.
Dat zou heel voedzaam zijn en het stimuleerde de energie die wij als jonge meisjes nodig hadden, werd ons gezegd.
Onder de oorlog werd in de steden meer armoe geleden dan in de dorpen en er was meer gebrek aan voedsel.

De oorlog begon op een vrijdag en de daaropvolgende zondag zijn we, net als veel anderen, gaan vluchten.
Met de fiets.
Vader had enkele hespen op de fiets gebonden om onderweg toch wat te kunnen eten.
De eerste nacht brachten we door bij Peer Maeriën (Peer Pruis) in Duinkerken.
Dan de grote tocht naar West-Vlaanderen.
Na enkele dagen belandden we in Hooglede, gelegen tussen Houthulst en Roeselare.
We zijn er zo’n drie weken gebleven maar na de capitulatie van het Belgische leger keerden we terug naar huis.
Op de Markt in Gent stonden Duitse vrachtwagens geparkeerd.
Een van de chauffeurs wenkte ons.
Met veel schrik gehoorzaamden we.
Vader vertrouwde het niet erg.
De Duitser vroeg of wij naar Antwerpen moesten en zo ja, mochten we gerust met hen meerijden.
Met een klein hartje stapten we in, onze fietsen werden ingeladen en we vertrokken.
En we raakten veilig in Antwerpen.
In het begin van de oorlog waren de Duitsers nog hoffelijk.
In Antwerpen konden we een nachtje logeren bij de nicht van moeder (Virginie Claes) en de volgende dag reden we naar huis.
Gelukkig was Retie gespaard gebleven van ernstige oorlogsschade.

Wij hebben thuis geen honger geleden tijdens de oorlog.
In november en februari slachtten we gewoonlijk een varken.
Het vlees werd meestal eerst gebakken en dan ingemaakt in weckpotten.
Spek werd gepekeld en de hespen gerookt.

Vader had nog steeds zijn werk als molenaar, al was het heel wat minder.
Er kwamen ook meer mensen uit de burgerij met een restje rogge of tarwe dat gemalen moest worden om er brood van te bakken.
Brood was gerantsoeneerd.
Het oorlogsbrood was plakkerig, slecht van kwaliteit en niet erg smakelijk.
Op de molen vertelden boeren elkaar wel eens, in een soort geheimtaal, hoe zij de bovenmatige Duitse graanopeisingen konden omzeilen.
Ze sjoemelden o.a. met de verplichte tellingsformulieren.
Nabij de molen, op ‘d’ekkeren’ (akkers) richting Akkerstraat, hielden Duitse militairen regelmatig schiet- en exercitieoefeningen.
De Duitsers duldden gewoonlijk geen pottenkijkers maar vanop de molen kon ik ze goed gadeslaan.
Ik vond dat toch bijzonder om te zien.
Een van de Duitse oversten, een brave, vriendelijke mens eigenlijk, kwam dan meestal op de molen met vader een babbeltje slaan.
Karl was zijn naam.
Hij prees ons vader om zijn kennis van de Duitse taal.
Toen vader vertelde dat hij die kennis tijdens zijn Duitse gevangenschap in de Eerste Wereldoorlog had opgedaan, werd Karl wat ongemakkelijk.
‘Verdammte Krieg’ (verdoemde oorlog), grommelde hij na een pijnlijke stilte.
Vader vroeg fijntjes welke oorlog Karl bedoelde.
‘Beide’, antwoordde Karl.
Vader had thuis in de woonkamer naast de radio een grote kaart van Europa opgehangen.
Nauwkeurig duidde hij daarop de troepenbewegingen van Duitsers en geallieerden aan om de stand van zaken een beetje bij te houden.
Wij luisterden daarvoor clandestien naar Radio België, een programma dat via de BBC vanuit Londen werd uitgezonden.
Jan Moedwil (pseudoniem van Fernand Geersens) hield Vlaanderen goed op de hoogte van de oorlogslotgevallen en sprak de Vlamingen moed in.
Hij eindigde elke uitzending met de legendarische zin: ‘Wij doen ons best, zonder er op te boffen, toch krijgen wij ze wel, de Moffen!’
Bij de grote Duitse aftocht op het einde van de oorlog werden o.a. alle fietsen opgeëist.
Om onze fietsen niet kwijt te raken had ons vader ze verstopt in de molen.
Helemaal boven in de kap.
De Duisters hebben ze niet gevonden.
Tijdens de bevrijdingsacties met hevige beschietingen tussen de geallieerden en de Duitsers kwamen veel mensen uit de buurt in de molen schuilen.

De Akkermolen nog in zijn volle glorie in het landelijke, rustige Retie.
Een foto uit 1959.

Onder de gewelven in de berm van de molen voelden ze zich veilig.
Het kon er behoorlijk druk en benauwd zijn.

Na de bevrijding installeerden de Engelsen zich ook in Retie.
In de zaal van Van Reusel in de Sint-Martinusstraat hadden zij hun hoofdkwartier gevestigd, dacht ik.
Ze kwamen ook graag op de molen en voelden zich er al vlug thuis.
Moeder deed voor hen de was en herstelde hun uniformen.
Er ontstonden vriendschappen en na een tijdje bleven twee van hen bij ons logeren.
Ze waardeerden moeders kookkunst blijkbaar heel erg.
Het waren joviale, behulpzame jongens.
Na de oorlog stuurden ze nog regelmatig vanuit Engeland pralines naar ons, als blijk van dank.
En nog een hele tijd kregen we met Nieuwjaar van hen wenskaarten toegestuurd.
Een leuke bijkomstigheid bij de bevrijding was dat er dagelijks een bal werd ingericht in de Gildenzaal.
Er werd lustig gedanst en gevierd en de Engelse soldaten waren in hun nopjes!

Na de oorlog veranderde er toch wel een en ander.
Er moest minder gemalen worden op de molen.
De boeren zaaiden minder rogge en haver en er kwam meer grasland.
Later deed de maïs zijn fameuze intrede.
De ene molen na de andere viel stil.
Maar het was zeker niet altijd kommer en kwel.
Met Retie-kermis bijvoorbeeld gingen vader en moeder ieder jaar één dag op zwier.
Samen met Kees Van Hoeck en Netje Staes belandden ze in tal van café’s in het dorp en ze keerden volmaakt gelukzalig huiswaarts!


Hotel-pension Lindenhof in de jaren 1930 (nu Delhaize).
Ooit het woonhuis van Arnold De Vel-Van Gansewinkel.
Arnold had er een winkel en was ook boterhandelaar.
Na de Eerste Wereldoorlog bouwde hij een woning aan de overkant van de Markt (Sint-Martinusstraat) en verhuisde hij.
Julie Verbist (weduwe Lowieke Raeymaekers) baatte het hotel-pension uit, samen met haar dochter Maria en haar schoonzoon Leon Dierckx, omstreeks de jaren 1933-1945.
(Prentkaart Paul Castelijns)

‘Voor zaken’ ging ons vader regelmatig naar hotel-pension Lindenhof op de Markt (nu rechter gedeelte Delhaize), uitgebaat door Julie Verbist, haar dochter Maria Raeymaekers en haar schoonzoon Leon Dierckx.
Leon was ook graanhandelaar.
De verleiding om een kaartje te leggen lonkte steevast.
En hoe kun je nu aan zoiets weerstaan?
Met de vaste kaartvrienden Fons Anthoni, Jef Schillebeeckx, Charel Van den Eynde en later Frans Schepens, kon het laat worden.

Zelf zette ik ook wel eens graag een stapje in de wereld.
Samen met mijn vroegere schoolvriendinnen van het Heilig Graf ging ik regelmatig uit in Turnhout.
Naar de cinema’s Rex of Kursaal.
En we placeerden ook graag een dansje op de daarvoor ingerichte dansavonden.

In 1948 kon ik als administratief medewerkster aan de slag bij het Molse fietsenbedrijf Bristol.
Ik werkte er heel graag.
Maar na verloop van tijd raakte de zaak in moeilijkheden.
Door de onstuitbare opkomst van de auto verminderde de fietsenverkoop gevoelig.
Men beweerde ook dat de kwaliteit van de Bristolfietsen zodanig goed was dat ze vrijwel nooit stuk gingen en levenslang meegingen.
Het bedrijf scoorde een te lage omzet om de concurrentierace te overleven.
Met spijt in het hart nam ik afscheid van Bristol.
Ik werd er als familie beschouwd.

Bij transportbedrijf Dillen in Dessel kon ik mijn werkzaamheden verder zetten.
De firma kende begin de jaren 1970 een uitzonderlijk groei dankzij het zandwinningsbedrijf Sibelco.
Op korte termijn vermeerderde het vrachtwagenaantal van 17 naar 41.
Ook bij Dillen heb ik altijd heel graag gewerkt.
In 1988 ben ik met pensioen gegaan.


Nu ik het toch over pensioen heb: mijn vader is pas op zijn zeventigste met pensioen gegaan.
In 1960 was dat.
Vader beweerde altijd dat hij zo lang kon doorgaan met werken omdat hij zoveel trappen moest lopen in de molen.
Het hield hem fit.
Dankzij de goede raad van zijn vriend Aloïs Mertens (De Grote Zon) had vader een aanvraag ingediend om een pensioenuitkering te krijgen.
En het lukte, al was het resultaat minimaal.
Omdat vader de banken wantrouwde en op aanbeveling van moeder, kocht hij af en toe wat onroerend goed aan.
Zo ook een bouwgrond in de Groenstraat.
Er werd een nieuw, comfortabel huis op gebouwd.
Mijn ouders konden er rustig gaan genieten van hun welverdiende oude dag.
En ik verhuisde mee.
Bovendien kon vader vanuit de woonkamer, in de verte, zijn Akkermolen zien staan.
Iets wat hem deugd deed.

Op 28 januari 1973 overleed mijn moeder.
Op 18 juli 1978 mijn vader.
Vader werd begraven op 21 juli, op de Belgische nationale feestdag, met het gebruikelijke eerbetoon aan een oudstrijder.
Op de kist lag de Belgische driekleur gedrapeerd.
En hiermee, beste lezer, eindigt mijn verhaal en heb ik, in een bescheiden notendop, mijn zegje mogen zeggen…

Guy Aarts