Even voorstellen...Herman Vos

Herman Vos

Uilenspiegel leeft in Damme, Lier is fier op Pallieter en de Witte is van Zichem.
En wij...?
Wij hebben Herman Vos!

Om maar te zeggen: Herman is een volksmens pur sang, en ons dorp heeft geen geheimen voor hem.
Van het gehucht Watermolen — zjn geboortestreek — kent hij elk gremeltje grond en iedere bewoner, jong of oud.
Herman werd er geboren op 2 november 1938, als jongste kind van Charel (Karel) Vos en Leen (Magdalena) Quets.
De familie Vos-Quets boerde in de oude, ruime boerderij het Molenhuis, vlak bij de watermolen.
Op mijn verzoek kijkt Herman heel ver 'in zijn achteruitkijkspiegel'.
Hij zal vertellen over de dingen die op hem, als kind, een blijvende indruk maakten.

Mijn vroegste heldere herinnering is er eentje aan ons vader.
In de winter van 1942 had hij op de paardenmarkt in Turnhout een zwaar 'fleuris' (pleuritis: borstvliesontsteking) opgedaan.
Het dreigde 'in zijn kwaad te slagen' en 't werd zo erg dat men er pastoor De Voght bij riep om ons vader te berechten.
De pastoor werd vergezeld door een misdienaar die met een belletje rinkelde en een flambouw droeg.
Ons vader 'geraakte erdoor' — gelukkig maar — en de mens is toch nog 90 jaar mogen worden!

Dat men op de Watermolen aan de weg gewerkt heeft, daar weet ik ook nog wel iets van, maar die herinnering is wel heel vaag.
Het was in 1941 en ik was toen amper 3 jaar.
Van horen zeggen weet ik dat ze de weg hebben rechtgetrokken, ruim verbreed en verhoogd.
De oude weg was in de winter één langerekte, rampzalige slijkpoel.
Aan het vernieuwen van de weg werkte veel jong volk mee.
Zo kregen ze een vrijstelling om voor de Duitse bezetter te moeten gaan werken.
Met kleine kipkarretjes haalden ze zavel van achter de slagmolen.
Ze groeven er een zandduin af die eigenlijk nog deel uitmaakte van de Kempense heuvelrug.
Ook het oude stenen kapelletje werd toen afgebroken.
Het stond rechtover de Watermolenhoef.

Herman Vos



Omstreeks 1940. Herman Vos verkent de wereld rondom het oude kapelletje van de Watermolen.

   In 1850 werd het kapelletje gebouwd in opdracht van molenaar Louis Raeymaekers als blijk van dank om het beëindigen van de kindersterfte in zijn gezin.
Er zou spoedig een nieuw kapelletje komen een eindje verderop richting de slagmolen, aan de binnenkant van de haakse bocht.
Men gebruikte ten dele de stenen van het oude kapelletje.
Toen ook het weerhaantje zou worden teruggeplaatst - het lag in die tussentijd bij ons thuis - mocht ik het dragen vanaf thuis tot aan de kapel en ik was zo fier als een gieter!

In 1942 liet Henri Van den Wildenbergh voor zijn zoon Fons een boerderijtje bouwen (nu taverne De Watermolen).
Ook daar werd een aanzienlijke hoeveelheid zavel - eveneens afkomstig van de zandduin achter de slagmolen - gebruikt om de drassige ondergrond wat stabieler te maken.
Fons Van den Wildenbergh en zijn Nederlandse vrouw Jo Damen gingen later in het boerderijtje wonen.
Toen de moeder van Fons op een dag opmerkte dat ik nogal fameuze o-beentjes had, kwam ze ons moeder vertellen dat ik best eens wat gemalen eierschalen zou eten.
Voor de kalk.
Dat zou mijn o-beentjes enorm ten goede komen!
Ons moeder maakte dan zo'n prakje klaar.
Al na één afschuwelijk hapje verkoos ik om dan toch maar liever mijn kromme beentjes te behouden!
Er stonden slechts enkele boerderijen op het gehucht Watermolen.
Er kwam zelfs pas in 1950 elektriciteit!
Wij boerden in het Molenhuis en in de jaren 1940 woonde ook een nonkel van ons vader, Karel (Krulje) Vandael, bij ons in.
Ook nonkel Bert Quets, een broer van ons moeder, heeft tien jaar bij ons gewoond.
Tegenover onze woning stond de kleine boerderij van de familie Quets.
Het is lang een huurhuis geweest.
Fons Ooms en Paula Van Herck kochten het in 1969.
Ze verbouwden het tot een moderne boerderij.

Naast onze woning, richting de slagmolen, stond de Watermolenhoef.
Wiet Stessens en Fien Vanloy boerden er toen.
De ouders van Wiet — Jan Stessens en Mie Smets — kochten de boerderij van gravin Alice d'Yve de Bavay en gravin Anne de Geloes d'Elsloo.

Naast de Watermolenhoef, in de bocht naar de slagmolen toe, stond de hoeve Slagmolenheide.
Jef Stessens, een broer van Wiet, boerde er samen met zijn vrouw Gusta Quets.
Als gevolg van een akte van verdeling verwisselden de twee broers in 1950 van boerderij.
Op de weg naar het Prinsenpark had je nog boerderij de Nood.
Ook deze behoorde tot de eigendommen van de familie d'Yve de Bavay.
De Nood zou betekenen: een vlucht-plaats voor mens en dier van het veel lager gelegen gehucht Watermolen.
Bij wateroverlast vond men destijds op de Nood een veilig onderkomen.
In mijn jonge jaren boerden daar Gust Van Sant en zijn vrouw Anna Slegers.
Met hun oudste zoon Jos was ik heel goed bevriend.
Hij was een jaar ouder dan ik.
Toen zijn jongste broertje Lowieke, nog geen jaar oud, in 1946 stierf, moest ik een bloemenkransje dragen in de begrafenisstoet naar de kerk.

Van de kleuterschool bij de zusters kan ik me maar weinig herinneren.
Het was volop oorlog en ik ben toen niet zo veel naar school geweest.
In de jongensschool zat ik in het eerste leerjaar bij meester René Stappaerts.
We kregen les in het gemeentehuis.
In het tweede leerjaar was Charel Verwaest onze meester en in het derde, vierde en vijfde leerjaar volgden we de lessen bij Aloïs Verwaest.
Louis Van-herck was onze meester in het zesde.
  

Olieverfschilderij gemaakt door Jef Loodts, voorstellend: het Molenhuis en bijhorend gebouwtje.
Links naast het kleine gebouwtje bevindt zich de watermolen.
Het schilderij is eigendom van Herman en Maria Vos-Cools.



Bij meester Aloïs Verwaest. Herman Vos staat op de derde rij, helemaal links.

   Er werd toen nog vrij streng en hardhandig lesgegeven.
Met de lat en de regel klopte men de leerstof erin!
Ze hadden zeker nog nooit van het gezegde gehoord: 'Wie op het kind klopt, klopt het goede eruit'.
De meesters waren dus allesbehalve geliefd.
En als een van hen, op vrije dagen, eens over de Watermolen fietste, waren wij als de bliksem ribbedebie!
We vertrouwden ze voor geen haar!
En vice versa waarschijnlijk!

Vrijwel alle meesters hadden een bijnaam.
En die bijnamen zaten er bij ons zo diep in dat we op hun echte namen, met de beste wil van de wereld, vaak niet konden komen!
Omdat wij zo ver van de school woonden, bleven we 's middags eten bij molenaar Jef van de Sterken (Raeymaekers) op de Pas.
Jef was eigenaar van de Oude Molen aan de Turnhoutsebaan in Dessel.
Later bleven we eten bij Jan Stessens en Mie Smets in de Nederstraat.
Zij woonden rechtover de schrijnwerkerij van Vic van Kreppen (Van Herck).
Jan en Mie waren afkomstig van de Watermolen en dat schiep toch een band.
En het was dichter bij de school.

Na de lagere school ging ik nog twee jaar naar de landbouwschool aan het
Sint-Aloysiuscollege in Geel.


In de nacht van 22 oktober 1943 voerden de Geallieerden de aanvallen op om Duitse doelwitten te gaan bombarderen.
Zware bommenwerpers vlogen constant richting het oosten.
Een van die bommenwerpers, een Halifax, werd boven Retie getroffen door Duits geschut en verloor hoogte.
In scheervlucht vloog hij over de Watermolen en loste daar vermoedelijk een deel van de 6 ton brandbommen.
In Beverdonk, op de grens Retie-Kasterlee, stortte het vliegtuig neer.
De gehele bemanning kwam daarbij om het leven.
Op de Watermolen stond men doodsangsten uit.
De brandbommen hadden een ware hel geschapen, ook al vielen ze buiten de woonzone.
Stien Van Hout, die — samen met haar man Gust Deckx uit Dessel — in het huurgedeelte van het boerderijtje van Van den Wildenbergh woonde en alleen thuis was, vluchtte helemaal buiten zinnen, de straat op.
Ze werd in de kelder van ons huis opgevangen en gerustgesteld.

In 1944, toen de Duitsers werden teruggedreven, bliezen ze zoveel mogelijk bruggen en bruggetjes op om de opmars van de Geallieerden te vertragen.
In Brasel, aan de Geelsebaan, moest de brug over de Witte Nete eraan geloven.
De Duitsers meenden ook het bruggetje aan de watermolen te dynamiteren.
Door de explosie zou zeker de molen zwaar beschadigd raken en kon het afgelopen zijn met graan malen.
Gevolg: nog meer honger onder de mensen.
Met die sterke argumenten zouden ons vader en nonkel Bert Quets de Duitsers op andere gedachten brengen.
Ze riepen de Duitsers bij ons binnen en in de woonkamer werd er onderhandeld.
De Duitsers stemden toe.
De brug en de molen bleven gespaard.
Het was ook de eerste keer dat ik van zo dichtbij Duitse soldaten en een onderofficier zag.
Het bruggetje van de slagmolen werd dan maar opgeblazen.
Nog diezelfde dag kwam Boer (Karel) Hoskens met zijn kompanen het bruggetje herstellen.
Er werden vijf eiken afgezaagd.
Men ontdeed ze van hun takken en op een hik en een flik werd er een stevige constructie gemaakt.
Daar bovenop dekte men alles toe met een dikke laag russen en de nieuwe, voorlopige brug was klaar.
Later werd er zwaar gevochten in Geel Ten Aard.
Tot in de buurt van de Watermolen sloegen granaten in.
Een paard dat in de wei was gebleven, overleefde de explosies niet.
Om van dat noodlot toch nog een deugd te maken, werd het vlees van het onfortuinlijke dier dan maar opgegeten.
Het was oorlog en veel mensen hadden amper voldoende te eten.

Tijdens de operatie Market Garden (september 1944) vlogen hier talloze eskadrons geallieerde vliegtuigen over, waaraan zweefvliegtuigjes waren bevestigd door middel van een kabel.
Die zweefvliegtuigjes waren onbemand maar staken vol materiaal of munitie.
Eén exemplaar was boven de Watermolen losgeraakt.
  

Jan Stessens, Herman Vos, Jan Stessens
en Jos Van Sant.

Foto uit 1952.

Het gleed in dalende lijn richting Beverdonk en het hele boeltje kwam neer aan het Schaapsgoor.
Het leek waarachtig 'een geschenk uit de hemel'.
Men kon alles gebruiken onder de oorlog en al wat niet te heet of te zwaar was aan het vliegtuigje, werd meegenomen.


Een postkaart uit de jaren 1950.
Op de achtergrond is het boerderijtje van de familie Quets te zien.

   De Engelsen hadden aan Sas 7 een benzineopslagplaats voorzien.
Ze hadden zelfs pijpleidingen aangelegd richting Retie en Dessel voor een snelle bevoorrading.
Vernuftige zielen uit de buurt boorden gaatjes in die leidingen, plaatsten er kraantjes op, en men had benzine a volonté!
Door een ongelukkig toeval was er een aanzienlijke hoeveelheid benzine in de Breiloop terechtgekomen (richting Prinsenpark).
Een snoodaard die dat in de gaten kreeg, gooide er een brandende sigarettenpeuk op en... de Breiloop stond in brand!
Gedurende enkele minuten zag men letterlijk water branden!
Een spectaculaire sensatie!

In mijn kinderjaren maakte ik ieder voorjaar een 'eierboomke'.
Dan zocht ik een mooie tak 'honzehout' (sporkehout) en ontschorste die tot alle zijtakjes helemaal glad waren.
De zoektocht naar eieren kon beginnen en in die jaren was er nog keuze te over!
Onderaan het boompje werden de grootste eieren bevestigd: die van de fazant, patrijs, kievit, kuilder (wulp)...
Daarboven de eieren van de merel, spreeuw, duif, ekster, kauw...
En helemaal bovenaan de eitjes van de mus, mees, vink, sijs, kneu, gors...
De kunst was om de eieren netjes uit te blazen en ze aan de takjes te spietsen.
Ik leerde ook dat er 'weekeieren' en 'zondagseieren' bestonden.
De grootste betrachting was om je boompje te sieren met zondagseieren.

Een zondagsei is het lichtstgekleurde ei uit het nest en de tekening van de vlekjes is meestal ook mooier afgelijnd.

De kom aan de watermolen was destijds twee keer zo groot.
Door het vele storten van o.a. steenpuin werd de kom alsmaar kleiner.
Vroeger werd er op hete zomerdagen veel gezwommen aan de watermolen.
De strafsten deden hun waaghalsstukjes aan het molenrad en molenaar Bert Quets was daar niet zo blij mee.
Er werd ook veel gevist.
En met succes!
Pier van de Pruis (Mariën), Gène Van den Put, de Zwarte Lambrechts en de Dikke Feinen (Feyen) waren de vaste vissers.
Pier van de Pruis was ook slachter.
En als ik het thuis te bont maakte met kwaperterijen, riep ons moeder wel eens: 'Ik zeg het tegen Pier van de Pruis, manneke!'
Als Pier dan kort daarop bij ons het varken kwam slachten, was ik in geen velden of wegen te bespeuren.
Ik was doodsbenauwd voor zijn vervaarlijk kapmes en zijn koker vol vlijmscherp steek- en snijgerief!

Bij onweerachtig weer was het palingvissen geblazen!
De paling was dan opvallend actief en trok vrolijk door het Netewater!
Nonkel Bert en onze Wiet hadden vlak bij de sluis een vernuftige installatie gemaakt.
  

In 1957 maakte koning Boudewijn eigenhandig deze foto van de trotse Retiese molenaar Bert Quets.

  

Herman Vos en zijn zusjes Simonne en Lilianne Van Hove.
Foto uit 1958.

De paling liet er zich makkelijk vangen en kwam terecht in een grote bak.
Nonkel Bert en onze Wiet hadden hiervoor een officiële vergunning en elk jaar werd de eerste paling geschonken aan gemeentesecretaris Willekens.
In de droge zomer van 1947 deden onze palingvissers een recordvangst: 33 kilo op één nacht!
Een Molse visboer kwam de paling opkopen aan 40 frank per kilo.
Dus dat bracht goed op!
Toen de succesverhalen van de palingvangsten bekend raakten, moest er 's nachts wel gewaakt worden bij de installatie.
Er werd ook met 'peuren' paling gevangen.
Deze manier is wel illegaal en zeker wat omslachtiger.
Men deed een hele trossel pieren aan de draad van een vislijn.
De trossel werd in het water gelaten.
De paling, die zich in de pieren stevig had vastgebeten, werd voorzichtig uit het water gehesen en in een paraplu, die geopend en omgekeerd op het water lag, gedeponeerd.
Het palingvissen gebeurde meestal 's nachts.


Herman met zijn echtgenote.

   In 1957 kregen we groot volk op bezoek in de watermolen.
Koning Boudewijn kwam een kijkje nemen aan en in de molen.
Incognito weliswaar, maar het was voor ons toch een hele eer.
Hij fotografeerde eigenhandig onze nonkel Bert Quets en voerde een geprekje met hem.
Plots vroeg de koning, met een bijgevoegde knipoog, of nonkel Bert nogal goed kon 'scheppen'!
Nonkel Bert, die vermoedde dat de koning doelde op het molenaarsrecht - één schep per zak kwam de molenaar toe - was toen precies niet zo blij met die vraag.
Maar hij kreeg nog wel 'ne stevige pol' van de koning.
En dat maakte alles goed.


Guy Aarts