Even voorstellen...Hein Damen

Hein Damen

Het is nog stil in de grote kamer van de fraaie, goed bewaarde boerderij aan de Kloosterstraat.
Prominent op de hoge sierkast: twee flink uitvergrote en mooi ingelijste foto’s waarop Hein en zijn vrouw Paulien (Antonis) ten voeten uit zijn vastgelegd voor de eeuwigheid.
Een derde foto hangt aan de muur, links van de kast.
‘Voor later,’ zegt Hein, ‘één voor elk kind.’
De foto’s imponeren, maken de afwezigheid van de lieve, goedmoederlijke Paulien bijna tastbaar.
Haar overlijden in ’t voorjaar sloeg een deuk in het leven van Hein.
Zesenzestig jaar waren ze samen.
Goede jaren.
Toch neemt Hein, met zijn respectabele leeftijd van 87 jaar, de draad weer op.
Keert hij de neus van zijn schoenen naar de toekomst, altijd vooruit.

Als ik hem vraag om te vertellen over vroeger, zijn jeugd en zijn jonge jaren, vind ik in Hein een excellent causeur.
Hij slalomt langs verre herinneringen en het ene verhaal glijdt moeiteloos in het andere.
De tijd vliegt.
Oorlog, smokkelnachten, zwaar labeur en de liefde... het zal allemaal de revue passeren in zijn verhaal.

Ik ben geboren op de Brand, op 16 maart 1924, als tweede kind van vader Louis (Witte) en moeder Maria (Marie) Segers.
Onze Sus is mijn oudere broer, na mij komen nog onze Vic en ons Zefa.
Het volk van de Brand en de Hodonk had geen al te beste naam in die tijd.
Pastoor Jozef De Voght beweerde zelfs dat Onze-Lieve-Heer er niks te vertellen had, maar de duivel des te meer!
Het moet zijn dat er in de jaren 1930 al een elektrische lijn lag op de Brand.
Ik herinner me nog dat we elke zondag met een hele bende kinderen bij Wiet Bertels naar de radio gingen luisteren.
Het programma Het kinderuurtje van nonkel Jan werd dan uitgezonden (journalist Jan Boon presenteerde bij de radiozender KVRO verhaaltjes en kinderliedjes).
Ook mooi om te zien, in die tijd, was de lange karavaan overhuifde sjezen van de Ten Aardse en Geelse bieboeren.
In mei trokken ze met hun bijenkorven naar de hei in Postel.
Er werd halt gehouden aan het café van mijn naamgenoot Hein Damen – een neef van mijn grootvader – op de Brand.
De paarden konden er wat rusten, kregen er wat eten en drinken.

Hein (Hendrik) Damen, in zondagspak.



Een foto van rond 1915.
De gevelde bomen achter het klooster in de Boekweitbaan werden weggevoerd met een oets.
Zelfs met vereende mankracht bleef het een onmenselijk zwaar werk (de paarden waren vermoedelijk opgeëist door de Duitse bezetter).
Tweede van links, met brede trekband over de borst, is Louis, de vader van Hein Damen.


De bieboeren aten dan ook een boterhammetje en dronken ‘iets’ in het café.
Soms wel wat veel ‘iets’!
Dan trok de vrolijke bende verder naar Postel.
Op de terugweg stopten ze opnieuw aan het café van Hein Damen.
In september, als de goedgevulde bijenkorven werden opgehaald, herhaalde zich hetzelfde scenario.

Op de dag dat ik veertien jaar werd, ging ik werken.
Naar het turfkot aan Brug 3.
Sus Baron uit Arendonk was daar toen surveillant.
Hij had een houten been en een tamelijk slecht karakter.
Tijdens de mobilisatie (1939) werkte ik in de sigarenfabriek van Derk De Vries in Bladel.
Ik heb er zowat de stiel geleerd.
In mei 1940 brak de oorlog uit en raakte ik niet meer aan een grenspas.
Ik werd werkloos.
De Duitsers maakten er echter een zaak van om tijdens de oorlog zoveel mogelijk volk aan ’t werk te krijgen.
Samen met ons vader en onze Sus ging ik in de bossen werken aan ’t Konijnendreefje op de Half Maan (een stuk grond, gelegen aan de Postelsebaan, tegenover het Berkenstrand).
Serieus zwaar werk was dat!
In de jaren 1942-1943 stokte de Duitse oorlogsmachine in Rusland en trokken de Duitsers de strop bij ons ook wat vaster toe.
Er kwamen tal van opeisingen, inbeslagnames, en men voerde de verplichte tewerkstelling in.
Het begin van zoveel miserie!
Onze Sus en ik moesten onderduiken.
In ons eigen bed slapen durfden we niet meer en we brachten voortaan de nacht door in een schuilplaats in het varkenshok.
Alles werd duurder of ging op de bon.
Maar als de nood nijpt, moet er redding komen.
Die kwam er: we gingen smokkelen!
We zouden tabak naar Nederland smokkelen en voedingswaren meebrengen op de terugweg.
Spannend en goed voor de portemonnee, maar ook gevaarlijk.
De tabak kwam uit de Vlaanders en werd naar het café van ‘Kopjes’ (Frans Verachtert) op de Brand gebracht.
Onze va, onze Sus en ik – samen met nog enkele anderen – voerden de tabak naar de grens tussen Postel en Eersel.
Met twee zakken van 25 kg op elke fiets trokken we te voet door veld en bos tot bij Poppeliers (nu dancing ’t Heilicht).
Bij Poppeliers werd de tabak veilig weggeborgen onder een dubbele bodem in de geitenstal.
Voor elke vracht kregen we 600 frank.
Een hoog bedrag in die jaren!
Een Hollander kwam de tabak ophalen.

Aan het Konijnendreefje in 1941.
De Waalse chauffeur poseert op de trede van zijn vrachtwagen.
Boven op de vracht hout, v.l.n.r.: Louis Damen, Louis Cuypers, Frans Bierinckx.



De ouders van Hein op de hondenkar.
Het kleine gebouwtje rechtsachter, tegen de schuur, was het varkenshok.
Het deed dienst als schuilplaats voor Sus en Hein Damen tijdens de oorlog.

Hij werd altijd vergezeld door een hondje, een boerenfox.
Een uitermate slim beestje.
Het hondje werd er tijdens de smokkelactiviteiten door zijn baasje op uitgestuurd om de toestand aan de grens te gaan verkennen.
Hondjelief deed dat plichtsgetrouw, kwam terug en legde zich naast zijn baasje neer.
Dat betekende: de kust is veilig!
Had foxmans soldaten, douanen of marechaussees gezien, liep hij even goed op zijn gemakje terug naar de baas, maar sprong dan constant op tegen diens benen.
Betekende: oppassen, gevaar en wachten!
Nooit een slimmer hondje gezien!

Onze fietsbanden kregen het hard te verduren op die smokkeltochten.
Reden we lek, dan werd de buitenband simpelweg opgevuld met hooi.
Dat bolde niet echt goed, maar ’t was te doen.
Erger werd het als je door de plassen had gereden.
Het hooi werd dan helemaal plat en je kon opnieuw gaan bijvullen.
Nieuwe fietsbanden waren zeer moeilijk te verkrijgen tijdens de oorlog.

Vanuit Hapert smokkelden we zakken graan naar Retie.
De jongeren kregen een zak van 40 kg op de nek, de wat ouderen eentje van 50 kg.
En hop, te voet van Hapert op weg naar onze verborgen fietsen aan den Depôt in Postel.
Eigenlijk was dat echt beulenwerk.
Kwam daar nog bij: de douanen zaten ook niet stil en met hun verraderlijke fluitsignalen gaven ze elkaar aanwijzingen om zo de jacht op smokkelaars succesvol te maken.
Het leek voor hen een spel.
Voor ons was het bittere ernst.
De moeilijkste smokkeltochten waren die met levend vee en met paarden.
Koeien loeien ook in ’t donker, zeker als ze soortgenoten gewaarworden.
Al smokkelden we enkel bij ‘bulderweer’: het was te riskant.
Soldaten en douanen hebben ook oren.
We wreven dus een flinke klodder bruine zeep in de muil van de koeien of de runderen.
Daarop begonnen ze te likken en te smakken, draaiden de snuit zus en dan weer zo tot er letterlijk schuim op stond.
In al hun ijver om van die viezigheid verlost te raken vergaten ze om te loeien en zo bleef het toch veiliger.
De koeien over Brug 2 leiden was geen optie.
Koeien hebben namelijk de rare eigenschap om à volonté de boel te decoreren met zelfgemaakte ‘vlaaien’, zodra ze op een verharde ondergrond lopen.
Het zou te veel sporen achterlaten.
De koeien werden op verdoken plaatsen met een lang zeel door de vaart getrokken.
Dat waren ook serieuze mouvementen.
Ze werden gewoonlijk afgeleverd bij een koopman op de Hodonk.
Zelf werden we ook wel eens over de vaart geloodst, in een zinken bad waaraan een zeel was vastgemaakt.
Meestal was het helledonker en zag je geen hand voor ogen.
Het bad zakte vrij diep in het water, de bovenkant juist boven de waterrand.

En ik kon niet zwemmen!
Doodsangsten heb ik zo uitgestaan!

Paarden smokkelen was weer een ander verhaal.
Meestal waren de paarden onbeslagen.
Hoefijzersporen waren gemakkelijk te identificeren door de douanen.
Om alles een beetje rustig te houden tussen de hengsten en de merries, smeerden we in de neusgaten van de hengsten een beetje Vicks.
Door de sterke mentholgeur in hun neus konden zij de hengstige merries niet ruiken en bleef alles kalm.
De paarden werden wel eens over Brug 2 gedreven.
Soms werden ze bij ons thuis in de schuur gestald.
Om geen sporen achter te laten moesten de paarden de laatste tien meter vanaf de straat, over juten zakken stappen.
Dan werden ze langs de voordeur binnengeleid, stapten dwars door het huis en gingen langs de achterdeur weer naar buiten.
En zo naar de schuur.

We hebben ook wel hachelijke momenten meegemaakt.
Om in geval van nood snel te kunnen vluchten, lieten wij altijd wat ruimte tussen onze kleine groepjes – de voortvluchtigen liepen altijd achteraan.
Op een van onze tochten stond plots het voorste groepje oog in oog met een Duitse soldaat.
Het was in hartje Postel, niet zo heel ver van de abdij.
Jos van de bakker (Aarts) was mee vooraan en vertelde de Duitser dat zij gingen vissen, omdat de kinderen thuis ‘nichts zu essen’ hadden.
Op de smokkeltochten had Jos altijd een ‘waai’ (visnet) op zijn fiets gebonden als alibi.
De Duitser geloofde het verhaal en ging verder.
Jos was nogal een durver maar tegelijkertijd ook een vernuftige mens.
Voor de zekerheid waren onze Sus en ik weggevlucht.
Met die Duitsers wist je nooit.
Ik verschool me in een dicht bosje, achter de abdij.
Onze Sus vluchtte verder, langs de Varkensdijk, naar de Ronde Put.
Van pure vermoeidheid viel ik in slaap en werd pas wakker toen ik ’s morgens het kleppen van het abdijklokje hoorde.
Onze Sus was ook niet thuisgekomen en onze ouders waren zeer ongerust.
Ze dachten dat wij opgepakt waren.
Gelukkig raakten we allebei ongedeerd thuis.

Toch sloeg later het noodlot toe.
In juni 1944, op een voormiddag, kregen we bezoek van twee Gestapo’s (collaborerende Zwarten) en twee Feldgendarmen.
Ze waren op zoek naar onze Sus en mij.
We waren de nacht voordien gaan smokkelen en ik sliep nog.

Douanen analyseren een gevonden spoor.

Maar onze Sus was aan ’t ontbijten in de keuken.
Hij kon niet meer ontsnappen.
Ons moeder kon mij nog net op tijd verwittigen.
Ik sprong recht, vluchtte in mijn slaaphemd het varkenshok uit en kroop over het haagje naar de buren.
Door de heisa die ons moeder maakte tegen de laffe belagers – ze bedreigde hen zelfs met een riek – kon ik ongezien wegraken.
Ik sloop een eind het aardappelveld in, achter de tuin, en hield me muisstil.
Ze hebben me niet gevonden, maar onze Sus werd meegenomen.
Hij belandde in Weimar (Duitsland) en werkte er elf maanden in een zoutmijn, 600 m onder de grond.
In september 1945 was onze Sus terug thuis.

Kort na deze pijnlijke geschiedenis, kon ik officieel als knecht gaan werken bij Louis Geudens in de Goorstraat.
Louis had er een vrij groot ‘geboer’: veertien melkkoeien, nogal wat runderen, varkens en twee paarden.
Het grote voordeel was dat ik werd vrijgesteld van de verplichte tewerkstelling voor de bezetter.
Dat was een hele opluchting.
In mijn verloning zaten inbegrepen: brood, kaas en spek.
Spek kreeg ik zoveel ik wilde.

Louis had een fokstier.
Een braaf beest, zolang er geen vreemd volk in de buurt was.
Gebeurde dat toch, dan werd de stier letterlijk hoorndol, schopte en bokte en ging bijna op zijn kop staan van woeste razernij.
Louis, slim als hij was, maakte van dat fenomeen dankbaar gebruik om de Duitse opeisers te misleiden.
Hij verstopte kaas, boter, graan, vleeswaren enz. onder een laag stro in een hoek van de stal.
Voor die hoek bond hij de stier.
Die kon nét niet bij de voedingswaren, maar hij versperde wel de toegang voor alle vreemden.
De boerderijproducten, die door de Duitsers werden opgeëist, bleven zo veilig verborgen.
Mie en Louise Geudens, de volwassen dochters van Louis, waren doodsbenauwd voor de Duitsers.
Toen wij in de winter aan ’t dorsen waren en er al een hele hoop kaf tegen de schuur zat, zijn ze eens uit pure schrik kop onder in die kafhoop gedoken.
Ze hadden enkele Duitse soldaten in onze richting zien komen.
Op het einde van de oorlog eisten de Duitsers alles op wat nog enigzins wielen had, voor hun grote aftocht.
Ze kwamen ook bij Louis Geudens.
Mie en Louise waren toen zo bang dat ze in een rioolbuis kropen van 40 cm doorsnee.
Doe dat maar eens na!


Hein Damen in 1942, met zijn Duitse herdershond.

De boerderij kreeg ook wel eens te maken met pech.
Zo hebben we eens een serieuze schurftplaag gehad in de koeienstal.
Alle dieren waren besmet.
De remedie die bestond uit insmeren met een mengsel van dunne beer, pekelwater en vuile tabak, was een ware marteling voor de koeien en hielp niets.
Een schurftplaag ging meestal over als de dieren in de open lucht mochten verblijven.
In ’t najaar, als de koeien terug op stal stonden, waren rapen meestal het hoofdgerecht.
We moesten ze dan bijvoeren met haver en vers stro om de ‘stoelgang’ een beetje normaal te houden.
Het werd anders voor een stalknecht héél onveilig tussen de koeien.

Op 24 september 1944 werd Retie bevrijd door de Geallieerden.
Eindelijk was die verwenste oorlog voorbij.
En er werd gevierd!
Op de Brand stonden toen 31 huizen, waaronder 5 café’s: bij Jef Spooren, Hein Damen, Teurlinckx, Manneke (Charel Verstraelen) en Kopjes Verachtert.
De vrouw van Kopjes, Lien Haest, leurde met haring.
Gewone en gerookte.
Kopjes rookte de haringen zelf.
Hij reeg ze aan een draad en spande die tegen de muur, vlak bij de Leuvense stoof.
Om voldoende rookontwikkeling te krijgen liet hij wat nat hout mee branden.
Door de hitte lekte na een tijdje de olie uit de haringen en dat gaf een zeer onaangename geur.
Cafébaas Hein Damen was een gewaardeerd slachter en mandenvlechter.

Paulien Antonis, op 17- jarige leeftijd.



Hein en Paulien trouwden op 24 januari 1948.

Ook kocht hij jonge geitjes op voor een halve frank per stuk.
Hij slachtte die, voerde het vlees aan de varkens en spande de huid op de schobdeur om te drogen.
Zijn zoon Peer was een uitstekend klompenmaker.
Hij gebruikte uitsluitend wilgenhout en de klompen die hij daaruit maakte, pasten als gegoten.
Met vijf café’s in zo’n kleine gemeenschap werd er geen dorst geleden.
Maar het echte feesten en de grote euforie om de bevrijding speelde zich af in het dorpscentrum.
Ik wilde dolgraag meevieren en vertrok naar de Markt.
Onderweg was er al veel volk.
Ze hosten en zwierden over de straat terwijl ze zongen: ‘De Duitsers zijn de pijp uit, voorgoed!’
Eén meisje bleef op de weg staan.
Ze bekeek het schouwspel rustig vanop een afstand.
Met een flinke dosis moed en héél lichtjes beneveld stapte ik naar haar toe en legde mijn handen op haar schouders: ‘Ga je mee naar ’t bal bij Nest Van Reusel?’
‘Ja, dat is goed’, was het antwoord, ‘maar ik heb het zo koud.’
Als een volleerde gentlemen drapeerde ik mijn jas om haar schouders.
En nog voor we bij Nest waren in de Sint-Martinusstraat, hadden we mekaar al eens drie keer goed vastgepakt!
Nu kon ik dubbel vieren: het einde van de oorlog én het feit dat ik de liefde van mijn leven had gevonden!
Op 24 januari 1948 zijn we getrouwd.

Na de oorlog ben ik gaan werken aan Sas 3, aan de Maat.
Wat later kon ik beginnen bij Philips in Eindhoven.
Dan vond ik werk aan de ovens van de Vieille Montagne in Balen- Wezel.
Negen jaar later kon ik meestergast worden in de Agiosigarenfabriek in Geel.
Alles bij elkaar heb ik toch een heel parcours afgelegd.
Thuis hield ik nog wat runderen en een paard.
Paarden dresseren is voor mij altijd een grote liefhebberij geweest.
Bij Jef Verwaest op de Markt – en later bij zijn dochter Trees – heb ik 20 jaar de hof gesoigneerd.
Later hielp ik nog bij de begrafenisondernemer.
Vanaf 1948 was ik in de wintertijd ook de behanger van dienst.
Minstens 1500 rollen heb ik tegen de muren geplakt!

Hein heeft geen ‘zittend gat’!
Nooit gehad!
Hard en zwaar werk ging hij niet uit de weg.
En weinig ziek geweest!
Eén van zijn geheimen: ‘pillekesvet met bruine suiker op de boterham’, alle dagen!
Hein heeft zelfs op latere leeftijd nog leren slachten!
Hij leerde de stiel van ‘twee, héél beroemde Retiese slachters’ ( E.H. JanVan Beek en Fons Melis).
Een bijgevoegde knipoog sprak boekdelen.


De Kromstraat in 1985: Hein hanteert de eg en paard Trees doet het trekwerk.
Trees had goede ‘adelbrieven’.
Het was een veulen uit de stal van Hein en hij heeft haar zelf opgeleerd.
Ze was het beste paard dat hij ooit heeft gehad.



Guy Aarts