Het dorpskeurboek van Retie

Het dorpskeurboek van Retie

Een thematische analyse     

Inleiding

In het Algemeen Rijksarchief in Brussel wordt het Dorpskeurboek van Retie bewaard.
Een keurboek was in de vroegere heerlijkheden de verzameling van plaatselijke verordeningen en voorschriften allerhande.
Volgens dr. J. Helsen kan het keurboek van Retie beschouwd worden als een van de belangrijkste van de Antwerpse Kempen.
Het oudste gedeelte ervan werd in 1554 opgemaakt.
Naar de noodwendigheden werd het aangevuld en gewijzigd tot op het einde van het ancien régime (eind 18de eeuw).
Een omzetting van het oudste gedeelte in modern Nederlands en een ontleding van de behandelde onderwerpen leren ons heel wat boeiende dingen over het leven in ons dorp, meer dan vier eeuwen geleden.



Inhoud

I Verordeningen en voorschriften

A. Gebruik van gemeentegronden
   1. Gebruik door het vee
   2. Ontginning van gemeentegronden en voerwinning erop
   3. Onderhoud van wegen, grachten en openbare pleinen

B. Bescherming van privé-eigendom
   1. Gronden, erf
   2. Vissen, vruchten en houtgewas

C. Verplichtingen tegenover de dorpsheer

D. Rechten van de ingezetenen

E. Reglementering van de inwijking

F. Openbare orde

G. Brandbeveiliging




H. Openbare gezondheid
   1. Besmettelijke ziekten
   2. Besmettelijke veeziekten
   3. Reinheid van water

I. Voedselverkoop
   1. Brood en gewas
   2. Vloeistof
   3. Vis
   4. Vlees
J. Religie

K. Huwelijk

L. Onderwijs

M.Ontspanning

II Strafbepalingen





‘De schaapsherder met zijn kudde in het landschap’, een schilderij van de Nederlandse kunstschilder Willem Roelofs (1822-1897).


I Verordeningen en voorschriften

A. Gebruik van gemeentegronden

Een belangrijk deel van het keurboek bevat voorschriften over het gebruik van de gemeentegronden door mens en dier.
Dit is niet zo verwonderlijk wanneer men weet dat ook nog in de 16de eeuw honderden hectare grond gemeenschappelijk bezit waren.
Onze verre Germaanse voorouders kenden geen privébezit van gronden.
Alleen hun huis, hun erf en hun vee waren privé-eigendom.
De weiden waren gemeenschappelijk voor al de inwoners van hetzelfde gehucht.
Het waren ‘vrijgeweiden’.
Ook de akkers waren gemeenschapsgrond en werden jaarlijks onder al de inwoners verdeeld om ze te bebouwen.
Daarom lagen ze in één stuk aaneen, zonder wegen, hagen, grachten of andere grenstekens.
Wanneer een perceel aan de gemeenschapsgrond onttrokken werd om privébezit te worden, werd het dadelijk omheind met een haag, een gracht of een wal.
Deze vrijgeweiden en gemeenschappelijke akkers bevonden zich in de onmiddellijke nabijheid van de gehuchten.
De gehuchten zelf waren van elkaar gescheiden door uitgestrekte woeste gronden, de zogenaamde aarden, die ook gemeenschapsgronden van de gehuchten waren.
In de loop der tijden heeft het privébezit echter meer en meer veld gewonnen ten nadele van het gemeenschappelijk bezit.
De graanakkers van de gehuchten (‘de akkeren’) waren volgens Jan Van Gorp reeds in de 15de eeuw in privébezit overgegaan.
Met uitzondering van de broeken, die gedurende een zekere tijd van het jaar vrijgeweiden bleven, waren ook de weidegronden in die tijd privé-eigendom geworden.
De vage gronden echter zijn veel langer gemeenschapgronden gebleven.
Tot deze vage gronden behoorden de opstallen of binnenpleinen van de gehuchten en de aarden of uitgestrekte heidegronden met aanpalende moervelden, aan de grens van het gehucht gelegen.

1. Gebruik van (vroegere) gemeentegronden door het vee.

Het dorpskeurboek bepaalt dat in vrijheiden, broeken en akkers, ieder stuk vee heel het jaar door geschut moet worden.
Varkens mogen alleen maar geringd op gemeentegrond rondlopen en het hoeden van varkens of schapen onder eikenbomen is verboden.
In Obroek mogen van half april tot de helft van de ‘hooimaand’ (juli) geen schapen gehoed worden, terwijl de aard van Retie daarentegen het hele jaar door schapen gebruikt mag worden.
Het hoornvee echter is hier slechts toegelaten telkens wanneer er gemaaid wordt in de periode van begin mei tot ‘Sint- Gielisdag’ (1 september).
Alleen degenen die in het gemeen broek van Beverdonk hooien, mogen hun vee er in stouwen.
Vanaf ‘Sint-Geertruidag’ (17 maart) totdat er gehooid is, mag het vee er niet in.
Schapen mogen er geen gebruik van maken voor ‘bamis’ (Sint-Baafsmis, 1 oktober).
Iedereen mag echter zijn eigen weide gebruiken op voorwaarde dat hij niemand schade berokkent.


Hoornvee op de heide.

2. Ontginning van en voerwinning op gemeentegronden.

a. Hout, bladeren Takken voor dakroeden (vitsel) of berkentwijgjes (gebruikt voor bezems) mogen op de gemeentegronden van Retie niet gesneden worden.
Evenmin mag hout worden gekapt of mogen houtplanten uitgedaan worden.
Op de landduinen mogen geen bladeren bijeengeharkt worden.
Waar dit wel toegelaten is, moeten de bladeren dezelfde dag weggehaald worden.

b. Turf, spriet, leem.
De periode waarin geturfd mag worden, loopt van half april tot 15 augustus.
Zowel op het Reties Goor als op om het even welk gemeentelijk moer moeten de turvers ervoor zorgen dat de dijken of heiwegen voldoende breed zijn (20 voet) om er op een fatsoenlijke manier met de wagens over te kunnen rijden.
Door de dijken of heiwegen heen mag niet geturfd worden zonder toestemming van de zandmeesters van het gehucht.
Op een gemeentelijk moer mag er niet langer dan zeven dagen met een gespan geturfd worden.
In iemands anders put turven is verboden, tenzij deze put een jaar leeg gelegen heeft.
Ook het hinderen van iemand bij het wegkruien van de turf wordt beboet.
Nieuwe putten mogen op het Goor niet gegraven worden, tenzij op advies van de drossaard en de zandmeesters.
Met Werbeek en Hodonk (de prelaten van Tongerlo waren de dorpsheren van Werbeek-Hodonk) wordt overeengekomen dat niemand turf buiten de grenzen van de heerlijkheid voeren, verkopen of op een of andere manier vervreemden mag.
Het delven van spriet moet beperkt blijven tot één wagenvracht en de kuilen moeten onmiddellijk opnieuw gevuld worden.
Wie leem graaft op de gemeentegronden van Retie, moet de kuilen vullen vooraleer hij de plaats verlaat.


Een intagliodruk uit de jaren 1750, voorstellend: de turfwinning. De naam van de kunstenaar is onbekend.


c. Russen, vlaggen, biezen, strooisel.
Wie op gemeentegrond russen steekt, moet die binnen de drie dagen halen of anders de russen terugplaatsen waar ze gestoken zijn.
Wanneer men in moeren russen wil steken die als brandstof dienen, dan moet ook de turf uitgestoken worden.
In de Goorstraat van ‘’s heren goor’ mag niemand russen steken tenzij op de open plaats voor zijn huis of om de grachten in dezelfde straat te maken.
Op het goor, de aard of een gemeentehei mag strooisel niet met schoppen of spaden afgestoken worden, berkenwortels mogen niet uitgedaan en grasvelden mogen niet afgemaaid worden.
Iedereen zal echter zijn weekstrooisel, d.w.z. één wagenvracht per week, maaien zoals het hoort, dinsdags op de aard en donderdags op het goor.
Als het heiligdag is op een van de voormelde dagen, moet men de dag nadien maaien.
Degenen die geen gespan hebben en dus op de gestelde dagen hun strooisel niet kunnen halen, mogen het ’s anderendaags maaien en halen.
Op de aard van Retie mogen alleen personen met bijzondere rechten hun weekhei maaien of halen.
In het goor van Obroek, mogen binnen de tekens die daar geplaatst zijn, geen hei, strooisel of vlaggen gehaald worden.
Biezen mogen daar slechts gehaald worden na afkondiging in de kerk.
Op de gemeentegronden van Pontfort, Looiend en Berg mogen geen biezen, strooisel of vlaggen gemaaid worden tenzij om de grachten langs de gemeentegronden te maken of om de huizen mee te ‘vorsten’.
Dat verbod geldt ook voor de Beverdonkseheide, boven de watermolen in de Geelsestraat tot het huis van Willem Goelen, in de richting van de schaapskooi van Jan van Brasel, en ook voor de Aard, binnen de daar geplaatste tekens.

3. Onderhoud van wegen, grachten en openbare pleinen.

Iedereen moet zijn deel van alle grachten schoonmaken en ruimen wat breedte en diepte betreft.
Niemand mag aarde van zijn grachten die op de weg ligt, wegvoeren tenzij hij evenveel aarde in de plaats brengt tot onderhoud van de wegen.

In de Goorstraat mogen geen kuilen gegraven worden en op de opstal tussen de twee kerken mag niemand meer dan drie paar aardhopen of schietdoelen plaatsen.
As-, mest- en aardehopen mogen niet dichter dan vier voet van de kerkmuur liggen.

Ieder die hekkens aan zijn erf heeft, palende aan een weg, moet ze dichthouden en onderhouden zodat niemand er schade kan door oplopen.
Bomen en hagen moeten geruimd of opgesleund worden zodat de hooi- en korenwagens zonder hinder of schade gebruik kunnen maken van de weg.

B. Bescherming van privé-eigendom.

1. Gronden en erf.
De heer mag, vergezeld door de schepenen, de heiningen controleren zo dikwijls hij wil.
Zulk controlebezoek moet evenwel vooraf vanaf de pui afgekondigd worden.
Hekkens van omheiningen mogen niet openstaan.

Niemand mag niet-openbare wegen die over iemands grond lopen, waar men niet gewoon is te gaan en waar tekens zoals kuilen, staken of strowissen aangebracht zijn, betreden.

Het Schijf, zo werd ook de opstal tussen beide kerken genoemd.
(Foto: verzameling Paul Castelijns)

Iemands voorerf mag niet in beslag genomen worden door er hout te leggen of er aardhopen te maken.

Het erf of de gronden van iemand mogen niet door het vee van anderen betreden worden.
Het vee mag niet ongebonden door eusels of akkers gedreven worden.
Iedereen moet zijn ganzen en eenden gekortwiekt op zijn eigendom of op ’s heren straat houden, zodat ze op niemands erf vliegen.
Als iemand ze op zijn eigendom ziet, mag hij ze dood schieten, werpen of slaan, zonder dat dit een misdrijf zou zijn.

2. Vissen, vruchten en houtgewas.
Vissen door leegscheppen of dammen maken is zowel op openbaar domein als op privé-eigendom verboden.

Hout kappen of houtplanten uitdoen mag alleen op eigen grond gebeuren.

Rapen stelen mag niet en appelen, peren, erwten, bonen, pruimen, noten, kersen en krieken, mag men alleen op zijn eigendom of met toestemming van de eigenaars, smijten, werpen, plukken of schudden.

C. Verplichtingen tegenover de dorpsheer.
Iemand die ontboden wordt door de heer en niet op dezelfde dag komt, wordt beboet.

Door drossaard, schepenen en gemeen gezworenen is verordend dat de kloekste uit elk huis moet beschikken over een goed geweer om zich tegen schelmen of straatschenders te beschermen.
Deze personen moeten altijd gereed staan wanneer de klok storm luidt of wanneer er enige toeloop of geweld is in een haardgang van het dorp.

Wanneer er nood is aan paarden en er opdracht gegeven is door de heer, moeten zijn onderdanen klaar staan met wagen en paard voordat de klok, die men een half uur zal luiden, ophoudt met slaan.

D. Rechten van de ingezetenen.
Wanneer zeven personen van een haardgang de heer verzoeken zaken die nuttig zijn voor de haardgang of het gehucht, en het nut ervan onder ede bevestigen, in een keur vast te leggen, kan deze keur het ganse jaar door uitgevaardigd worden door de heer en vier schepenen.

Om de lasten en schade verbonden aan de inkwartiering van ruiters en soldaten gelijkelijk over de ingezetenen te spreiden moeten de bedezetters van elke haardgang of gehucht op dezelfde dag dat de ruiters of soldaten arriveren, van huis tot huis gaan.
Zij moeten eerlijk optekenen met hoeveel ruiters en soldaten elk gehucht belast is en op die manier de lasten, bedewijs, spreiden.

E. Reglementering van de inwijking.
Personen die in Retie wonen of er graag zouden komen wonen maar die geen onroerend goed, renten of een huis bezitten, moeten een aanzienlijke som geld betalen aan de kerk van Retie en aan de heer.

Een gedeelte van het geld is bestemd voor de herstelling van het huis van de dorpsheer.
Ingeval de inwijkeling niet kan betalen, zal de som verhaald worden op degene die zulke personen aanneemt.
Bovendien moet hij zich borg stellen voor alle overtredingen, misdrijven en wandaden die door of bij deze inwijkelingen en hun huisgezinnen begaan worden.

Aan mannen of vrouwen, gehuwd, ongehuwd of geestelijke, die buiten deze parochie en heerlijkheid geboren zijn en hier geen goed of erfenis bezitten, mag door niemand onderdak verleend worden.

Niemand mag ongelijke of onwettige of gescheiden personen in zijn huis laten overnachten.

Niemand van buiten Retie mag voedsterkinderen aannemen of houden van buiten Retie.
Vondelingen of voedsterkinderen ouder dan vier mag men niet langer houden.

F. Openbare orde en beteugeling van de bedelarij.
Geen ingezetene van Retie, jong of oud, noch iemand van buiten de heerlijkheid die overdag of ’s nachts herbergen of danspartijen bezoekt, mag strijdhamers, geweren, werpbijlen of dergelijke verboden wapens bij zich dragen.
Het is verboden met stokken of staven of andere wapens een aanranding te doen en niemand mag in gramschap of vechtensgereed een mes trekken.

Met vuurroeren mag overdag niet geschoten worden tenzij op een afstand van 20 voet van alle huizen, schuren en bergplaatsen.
Dat is volledig verboden op of in de buurt van de Retiese markt, zowel overdag als ’s nachts, zowel binnen als buiten.

Niemand zal het wagen enige stoornis te veroorzaken aan de kerkmuren en de waterputten op de Markt of andere kwaadwilligheid te tonen: roepen, joelen, of werpen naar iemand.
Smijten, stoten, werpen, aftrekken, schieten is ’s nachts of overdag verboden in de buurt van de kerk.


Oude ‘vuurroeren’.

Wie de heiliggeestmeesters plaagt, lastigvalt, bij hen arme mensen thuisbrengt of laat brengen, wie hen beledigt met woorden, zal beboet worden.

Een ingezetene van Retie die een misdrijf begaat of ’t ene misdrijf na het andere begaat en aan de heer zijn boete niet betaalt of niet de nodige borg stelt, kan door de heer in de gevangenis gezet worden.

Niemand van binnen Retie mag bedelen.
Van buiten de heerlijkheid mogen enkel de vier biddende orden bedelen.
Het vragen van aalmoezen bij buren of familieleden is verboden tenzij men zelf of zijn kinderen, volgens de heer en de wet, in nood verkeert.

Geen inwoner van Retie mag landlopers, bedelaars die grote of kleine aalmoezen vragen en van buiten Retie zijn, herbergen of in huis houden, tenminste als ze krachtig en sterk genoeg zijn om te vertrekken.

G. Brandbeveiliging.
De heer kan met de schepenen een rondgang maken om de schoorstenen, bakovens, moutovens en dergelijke te controleren en de bewoners ervan te verwittigen dat brandhinder of schade zou kunnen worden veroorzaakt.
Degenen die verwittigd werden en nalaten herstellingen uit te voeren voor ze er weer vuur in stoken, moeten boven bij de oven een halve emmer water plaatsen, telkens wanneer de oven gestookt wordt.

Wie overdag of ’s nachts vuur op ashopen draagt en men vindt nog vuur op de hoop, zal beboet worden.

Elk huis tussen de twee kerken (Sint-Martinuskerk en Sint-Pieterskapel) moet beschikken over een ladder waarvan de lengte in overeenstemming moet zijn met de hoogte der huizen.
Minimumlengten zijn 15 voet en 20 voet voor de huizen rond de markt.
Bovendien moeten de ladders zo zijn dat men er behoorlijk op geraakt.

H. Openbare gezondheid.

1. Besmettelijke ziekten Personen die niet door melaatsheid besmet zijn, mogen geen melaatsen in hun huis ontvangen, herbergen of logeren.
Bovendien zal de melaatse die wat dit betreft in gebreke blijft, als straf een jaar lang verstoken blijven van de voedselbedeling door de Heilige-Geestkamer.

2. Besmettelijke veeziekten.
Wie schurftige schapen heeft, moet die weghouden van de aard en de gemeentegronden van Retie.
Slechts op het eigen of een gehuurd erf zijn ze toegelaten totdat de buren een plaats op gemeentegrond hebben aangeduid waar dergelijke schapen kunnen gehouden en gehoed worden, gedurende maximum zes weken.

Niemand mag schapen kopen of halen waar schurft is en ze brengen naar een gehucht waar er geen schurft is, voordat een periode van acht weken verstreken is.

3. Reinheid van water.
Niemand mag in de pensepoel vuilnis, zoals stenen, beenderen, aarde of iets dergelijks werpen, daarin wassen, daarin hout, repen, latten of vitsel roten, noch er iets in gooien waardoor het water vervuild of de poel gevuld wordt.
Ook in de dijkgracht of drenkkuil bij Peter de Kuiper mogen geen lakens gespoeld worden of geen hout, latten, vitsel gegooid worden waardoor het water bedorven wordt.
Het water dient daarentegen als drenkplaats voor de dieren.

Van de waterputten op de marktplaats moeten as-, mest- en aardehopen 8 voet verwijderd blijven.

I. Voedselverkoop.

De controle op de verkoop en de kwaliteit van het voedsel werd uitgeoefend door de zgn. keurmeesters.
Zij keurden ook de maten en gewichten en allerlei koopwaren.


Portret van de Leidse bakker Arent Oostwaert
en zijn echtgenote Catharina Keyzerswaert
(ca. 1658), van de Nederlandse schilder Jan Steen.


Voorbeeld van een Kempens bakhuis (uit Heist-Goor).
Het verhuisde later naar het Openluchtmuseum in Bokrijk.
Links is een varkenshok aangebouwd en rechts zien we het ovenlichaam onder een ‘lessenaarsdak’.


1. Brood en graan.
De keurmeesters moeten om de week of minsten om de veertien dagen in alle bakkerijen het rogge- en het tarwebrood gaan keuren.

Zij mogen altijd gaan keuren wanneer ze willen, ze moeten gaan keuren op bevel van de drossaard of zijn stadhouder.

Wit of tarwebrood komt slechts in aanmerking voor voedselbedeling aan de armen, voor bruiloften, voor leveringen binnen of buiten de heerlijkheid na keuring en weging door de keurmeesters.
De bakkers moeten zelf de keurmeesters ontbieden voor ze het brood leveren.
Wie wit brood bakt of het gebakken binnen Retie brengt, moet het bakken met het gewicht van Retie en moet altijd zuivere tarwe gebruiken.

Wie roggebrood bakt voor de verkoop, moet het voor het venster buitenshuis uitstallen en moet het goed en loffelijk bakken met rogge zoals die van de molen komt, zonder toevoeging van zemelen.

Graan moet verkocht worden met de gebrande maat van Retie.

2. Vloeistoffen.
Niemand mag vloeistof, hetzij bier, wijn, smout of dergelijke verkopen, dan met de gebrande maat van Retie.
De pot zal, gepegeld of niet gepegeld, één lid van een duim groter zijn dan de gebrande maat.

3. Vis.
Haring of andere vis mag niet verkocht worden tenzij na keuring door keurmeesters of drossaard.

4. Vlees.
Niemand mag vlees verkopen tenzij van hier behoorlijk en levend geslachte dieren.

5. Algemeen.
Wie eetwaren, vis of vlees anders of op een andere plaats verkoopt dan door de keurmeesters is verordend, zal deze eetwaren verbeuren.

J. Religie.

Alle kerkelijke geboden en publicaties moeten afgekondigd worden vanaf de pui van ’s heren huis.
De provisors of de kerkmeesters mogen de schuldenaars wat uitvaartkosten en andere wettelijke kerkschulden betreft, voor de (schepen) bank en het gerecht van Retie dagen.
Op zon- of heiligdagen mogen tijdens de hoogmis of tijdens het sermoen geen babbelpartijen of vergaderingen gehouden worden op het kerkhof of op de markt.
Ieder moet knielen en de nodige eerbied betuigen voor het eerwaardig H. Sacrament wanneer dit rond gedragen wordt of naar een zieke wordt gebracht.
Tijdens het sermoen of de hoogmis mogen geen bier, wijn of andere drank getapt worden.
Op zondag mag geen enkel goed te koop gesteld of voor deuren en vensters uitgestald worden tenzij vis en vlees of ander voedsel.
Deze moeten echter tijdens het sermoen en de hoogmis bedekt worden.
Verkopers van aardewerk mogen hun waar verkopen op alle heiligdagen, uitgezonderd de zondag.
Voor 12 uur mogen verkopers dat aardewerk in zijn geheel of gedeeltelijk niet opkopen om het verder te verkopen.

K. Huwelijk.

Als een bruid een bruidskrans wenst te dragen, moet ze die bij de kerkmeesters huren voor 2 stuivers.
Indien ze het sieraad elders haalt, moet ze in ieder geval 2 stuivers aan de kerk betalen.
Niemand mag geldbruiloften houden binnen de heerlijkheid Retie.

L. Onderwijs.

Wie binnen Retie een school wil openhouden, moet deze door het dorp laten aannemen, tenzij hij het op eigen kosten doet.
Wie een kind of kinderen naar school stuurt of wie in zijn huis jongens heeft die naar school gaan, hetzij ze in Retie geboren zijn of van buiten Retie komen, moet de schoolmeester per kwartaal of per halfjaar betalen, indien deze daarom verzoekt.

M. Ontspanning.

Niemand mag bruiloften organiseren voor aan elke zijde van zijn huis, meer dan 20 huizen.
Dansen of bal houden mag overdag noch ’s nachts.
Het organiseren van keizermarkten of vloerspelen is verboden.
Niemand, groot of klein, jong of oud, mag overdag of ’s nachts binnen in huis of schuur of buiten spelen met teerlingen, kaarten, loten of dergelijke.


‘Dansende boeren’, een schilderij van Pieter Brueghel de Oude, ca. 1568.

Schutten: Het vee binnen een omheining of stal brengen, in de Kempen werden deze schutplaatsen vaak ´bochten´ genoemd en waren ze omsloten door een aarden wal.
Daarin dreef men´s nachts het weidende vee, niet alleen om het te beschermen maar ook om de mest niet helemaal te verliezen.
Zandmeesters: De zandmeesters, twee per gehucht, hadden het toezicht over de straten en waterlopen, over het goed gebruik van de gemeenschapsgronden: aarden, goren, bossen, beplantingen.
Drossaard: De vertegenwoordiger van de dorpsheer in het dorpsbestuur.
Tekens: Ze werden door de zandmeesters aangebracht en bestonden uit een kuil of een greppel, stapeltjes graszoden (russen), staken of strowissen.
Vlaggen: Het ‘vlag’ is een naam voor vezelachtige planten die in de zomer vooral in grachten groeien.
‘Vlaggen’ als werkwoord betekent: met heide of gras begroeide zoden afsteken om ze als strooisel voor het vee te kunnen gebruiken.
Opstal: Volgens dr. Jan Van Gorp is opstal oorspronkelijk een rechtsterm en duidt hij het recht aan dat aan een ingezetene van een gehucht of van een gemeente geschonken wordt om een gebouw ‘op te stellen’ op de gemeentegrond.
Opstal is ook de aanduiding geworden van het driehoekig plein dat het middenpunt van de nederzetting vormde.
Beide kerken: Bedoeld worden de Sint-Martinuskerk en de Sint-Pieterskapel.
De opstal tussen beide kerken is het Schijf.
Eusel: Meestal duidt eusel een schrale, droge weide aan.
In de Kempen waren de eusels vaak kunstmatige weiden, aangelegd op pas ontgonnen heide en dus niet begroeid met heidekruid maar wellicht met gras: bunt.
Zij vormden het eerste stadium bij de ontginning van heide tot winnend land.
Schepenen: Zij werden door de heer aangesteld onder de vrije mannen van het dorp, geboren uit wettige ouders, en wel onder de grondbezitters, daar ze tegenover de heer geldelijk verantwoordelijk waren voor het goede beheer van zijn dorp.
Gemeen gezworenen: Schepenen, bedezetters, collecteurs, zandmeester, keurmeesters, kerkmeesters, heilig-geestmeesters en een aantal rijke grondbezitters, samen 30 à 40 man, noemde men de gezworenen of de eedslieden, omdat zij in de handen van de drossaard trouw en eerlijkheid moesten zweren.
Deze groep vormde ‘het corpus der gemeynte van Rethy’.
Haardgang: Het gedeelte van een dorp waarop het vee gezamenlijk weidt; gehucht, wijk.
Dit verwijst naar de vroegere toestand waarbij elk gehucht een aparte ‘gemeente’ vormde, met eigen beheer van goederen.
Keur: verordening, voorschrift.
Bedezetter: beambte die bepaalt hoeveel belasting ieder zal betalen; ook ontvanger.
De bedezetters werden ieder jaar door de schepenen benoemd ten getale van twee voor ieder der zeven wijken waarin het dorp verdeeld was.
Heiliggeestmeesters: zij bestuurden de H. Geesttafel die instond voor de armenzorg in de eigen parochie.
De H. Geesttafel wordt voor het eerst vermeld in een schepenbrief van het jaar 1355.
Ze werd opgeheven in 1796.
Vier biddende orden: de vier bedelorden, nl. de karmelieten, de franciscanen, de dominicanen en de augustijnen.
Voet: In het ancien régime verschilden de maten van de huidige.
Bovendien waren er ook verschillen tussen regio’s, steden, heerlijkheden.
In Retie was 1 voet gelijk aan 28,68 cm.
Heilig-Geestkamer: Stond in voor de armenzorg in de eigen parochie.
Schurftig: Schurft is een besmettelijke huidziekte van mensen en dieren, door de schurftmijt veroorzaakt.
Een synoniem is scabiës.
Het was een erg gevreesde ziekte voor schapen.
Pensepoel: Oorspronkelijk was dit een kuil midden op het dorpsplein, waarin de afval van het geslacht vee werd geworpen.
Later werd hij gebruikt als drinkplaats voor het vee, als waterreservoir om brand te blussen of om het linnen dat op het begraasd dorpsplein lag te bleken, geregeld te besproeien.
Vitsel: Muurwerk van leem en gevlochten tenen of wissen.
Stadhouder: Wanneer de drossaard geruime tijd afwezig was, liet hij zich vervangen door een stadhouder.
Gepegeld: Een pegel is een merkteken, meestal een knopje, boven in maten voor vloeistoffen, om aan te duiden hoever die moeten gevuld worden om een bepaalde hoeveelheid te bevatten.
Geldbruiloften: Een feestpartij o.a. ter gelegenheid van bruiloften, waarop men werd vergast maar waar men de gasten deed betalen.
Keizermarkten, vloerspelen: Een dobbelspel.

Gust Adriaensen