De Grote Gracht (Collateur)

1. Historiek

1.1 De kanalen Bocholt-Herentals en Dessel-Schoten

Na een kort Frans Bewind (1792-1815), en een nog korter Hollands Bewind (1815-1830) werd België in 1830 te Londen als onafhankelijke staat opgericht.
Een dynamische en ambitieuze burgerij kwam aan de macht.
Men wilde de nationale economie stimuleren.
Een van de middelen daartoe was eindelijk over te gaan tot het uitvoeren van een oude verzuchting: de ontsluiting van de ‘verscholen’ Kempen en de ontginning van de heidegronden.
Het regime was nauwelijks geïnstalleerd of men zette zich aan het werk.
Voor de periode van 1830 tot 1855 vindt men te Brussel meer dan 20 werken met technische informatie en/of maatschappelijke argumentatie in verband met de aanleg van kanalen en bevloeiingen.
In zijn verslag van 17 december 1830 sprak inspecteur T. Teichmann reeds over een verbindingskanaal tussen Maas en Schelde, dat over Retie en Arendonk zou lopen.
‘Tot nu toe’, zegt hij, ‘zijn alle pogingen daartoe vruchteloos gebleven.’


In 1835 publiceerden Teichmann en Masui, beiden ingenieurs bij het ministerie van Openbare Werken, een ontwerp met volgende doelstellingen:
- Het graven van een kanaal dat zich te Lozen aan Sas 17 van de Zuid-Willemsvaart zou aftakken in de richting van de Blauwe Kei, van daaruit om de noordkant van Turnhout zou lopen en verder naar Rijkevorsel om ten slotte uit te monden in Antwerpen.
- De kanalisatie van de Grote Nete van Lier tot Geel; de kanalisatie van de Molse Nete van Geel tot Mol en tot de Blauwe Kei; de kanalisatie van de Kleine Nete van Lier tot de Blauwe Kei over Herentals, Kasterlee en Dessel.
- De kanalisatie van de Aa van Grobbendonk tot Turnhout.

In 1836 kwam de kwestie van het kanaal naar Turnhout voor het eerst op de dagorde van de Retiese gemeenteraad, die een gunstig advies bij het ontwerp uitbracht: ‘het water van de vaart zou kunnen benuttigd worden voor het vruchtbaar maken der heidegronden, waarvan de gemeente er ongeveer 1400 ha bezit en de particulieren ongeveer 200 hectare; het kanaal zou verder de aanvoer van zware koopwaren als steen, pannen, kalk, kolen e.a. ten zeerste vergemakkelijken.
Wat de verkoopprijs der heidegronden betreft, die is te Retie gemiddeld 58 fr. de hectare.’
De zaak bleef enige jaren rusten.
Rond 1840 werd het plan opgevat van een vaart vanuit Postel over Retie naar Kasterlee.
Daar kwam echter niets van terecht.
Bij Ministerieel Besluit van 10 september 1842 werd ingenieur Ulrich Nicolas Kümmer aangesteld als coördinator voor de ‘kanalisatie’ van de Kempen.
In 1844 kwamen dan de plannen klaar voor de Turnhoutse Vaart, over Retie en Arendonk, en het volgend jaar werd de hand aan de ploeg geslagen.
Op 21 september 1846 werd de vaart naar Turnhout officieel geopend.
Voor de gronden die de gemeente aan de Staat moest afstaan, werd van 1500 tot 1800 fr. de hectare betaald.

Tussen 3 april 1843 en 22 augustus 1844 is de eerste sectie (Lozen-Blauwe Kei) van het Kanaal Bocholt-Herentals, ook wel Kempisch Kanaal genoemd, klaargekomen, en einde 1844 startten de werken aan de tweede sectie: Blauwe Kei-Herentals.

1.2 De Grote Gracht

Het water van de nieuwe vaart werd onmiddellijk aangewend voor het aanleggen van vloeiweiden of irrigaties, o.a. door de maatschappij De Gruyter en C° van Antwerpen, op het grondgebied van Arendonk (Le Collateur d’Arendonck).
De Arendonkse Wateringen werden in vochtig moergebied aangelegd.
Voor de bevloeiing werd er een sifon onder de Turnhoutse Vaart gebouwd die het water uit het groot Postels Moer doorvoerde.
Een arduinsteen, ingemetseld in de muur van een neogotische kapel gebouwd in de buurt van hoeve Zomerberg, preciseert de ingebruikname van de Watering in 1852.

Om het gebruikte water af te leiden deed die maatschappij in april 1848, zonder voorkennis noch toestemming van de gemeente, een afwateringskanaal graven over het gebied (het Reties Goor), met het gevolg dat een groot deel van Obroek onder water liep.
De gemeente tekende onmiddellijk verzet aan, met het gevolg dat twee jaar later (1850) Keelhoff, ingenieur van de Waterstaat, de Grote Gracht tot op 2,5 m deed verbreden.
Toch hield de gemeente de zaak van schadevergoeding staande en duurde het proces De Gruyter tot in de jaren 1870 voort.

Zuidelijker scheidt de Grote Gracht Dessel van Witgoor.
Vroeger mondde hij uit in de tweede sectie van het lager gelegen kanaal Bocholt-Herentals (Kempisch Kanaal), ongeveer 1 km stroomafwaarts van Sas V, en was hij 15 km lang.
Door een waterpeilverhoging van het Kempisch Kanaal moet het water nu echter naar de Kleine Nete worden afgevoerd.

Het onderhoud van de Grote Gracht viel ten laste van de Dienst der Scheepvaart voor wat de bedding betreft, en van de boordeigenaars voor de rest van de stroken langs de Gracht.

De Grote Gracht aan het Reties Goor.

Na de eerste staatshervorming werd de Dienst der Scheepvaart verantwoordelijk voor het onderhoud van de bedding plus een strook van twee meter uit de oevers, en de afdeling Waters en Bossen van het Vlaams Gewest voor de rest van de stroken langs de oevers.

Wat eens de ‘kraamkliniek’ van allerlei vissen en het jachtgebied van de otter was, werd geleidelijk aan een vervuild ‘kanaaltje’ zonder noemenswaardige stroming.
In De Kempenaer van 2 september 1998 verscheen een artikel over de Grote Gracht waarin het beheer en het onderhoud van deze prachtige strook natuur wordt aangeklaagd.
In antwoord op dit artikel schreef de toenmalige burgemeester van Retie, Gust Adriaensen, op 9 september 1998 een brief waarin hij een aantal aanvullingen en nuanceringen aanbracht.

- Op het Gewestplan is de Collateur aangeduid als natuurgebied met uitzondering van de stroken langs Berkenstrand en Campinastrand.
Op de biologische waarderingskaart wordt de Grote Gracht waardevol tot zeer waardevol genoemd.
- Als gevolg van besprekingen tussen de beheerders, provinciebestuur en gemeentebesturen werden in oktober 1990 diverse onderzoeken uitgevoerd.
Prof. dr. Verheyen noemde in een rapport de Collateur ‘een landschappelijk mooi, lintvormig natuurgebied met aanzienlijke biologische waarde’.
Een hydrologisch en biologisch onderzoek gaf aan dat het water van zeer goede kwaliteit was tussen snelweg en de gewestweg Postel.
Stroomafwaarts deze weg tot aan het einde daalde de kwaliteit echter sterk.
Een fysico-chemisch onderzoek wees eveneens op de minder gunstige situatie stroomafwaarts de gewestweg Retie-Postel tot het eindpunt in Dessel.
- De gemeentebesturen hebben in het verleden herhaaldelijk aangedrongen op het behoud en onderhoud van de Grote Gracht.
Reeds in de jaren ’70 verzette het Retiese gemeentebestuur zich krachtig tegen ideeën om de Gracht te dempen en te gebruiken voor een expressweg.
Aangezien de Collateur voor de Dienst der Scheepvaart geen echte functie meer had, werd het onderhoud grotendeels achterwege gelaten.
Vanaf het begin van de jaren ’80 hebben de gemeentebesturen en het provinciebestuur dan ook getracht met de eigenaars en beheerders tot een overeenkomst te komen om de Grote Gracht op een behoorlijke manier te beheren en te onderhouden.
Ondanks de goeie wil van alle partners kon er door de complexe eigendomssituatie nog geen definitieve regeling gevonden worden.
Wel werd er stevige vooruitgang geboekt.
Bovendien heb ik van bij de oprichting van de Stichting Kempens Landschap, de Collateur aan de agenda geplaatst.
Ook via deze weg wordt een oplossing intens voorbereid.
Aangezien de Collateur openbaar domein is, wordt het verder bestaan niet bedreigd.
Stellen dat de Grote Gracht een open riool is, klopt niet.
Wel is het duidelijk dat er werken voor zuivering moeten uitgevoerd worden en dat een regeling voor het waterdebiet moet geïnstalleerd worden.
Ik heb goede hoop dat de betrokken partijen daartoe zullen komen.



De Grote Gracht aan het kanaal Bocholt-Herentals.

In de vergadering van 29 oktober 1998 van de Commissie voor Leefmilieu en Natuurbehoud heeft de heer Theo Kelchtermans, toenmalig minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, geantwoord op een vraag van de heer Pieter Huybrechts over het onderhoud van de Grote Gracht: ‘Mijnheer de voorzitter, collega’s, de Grote Gracht of Collateur behoort als afwatering van het kanaal Dessel-Schoten inderdaad tot de bevoegdheid van de Dienst der Scheepvaart en valt dus onder het toezicht van mijn collega die bevoegd is voor Openbare Werken en Vervoer.
Volgens de inlichtingen waarover ik beschik, onderhandelt deze dienst sedert de maand augustus 1998 met het provinciebestuur van Antwerpen over de overdracht van de Grote Gracht, waardoor het mogelijk zou zijn deze waterloop te rangschikken bij de onbevaarbare waterlopen van de tweede categorie.
Hierdoor zouden de kosten voor het onderhoud ten laste van de provincie Antwerpen vallen.
De Dienst der Scheepvaart zou dan instaan voor de aanleg van een onafhankelijke nieuwe voeding van deze waterloop met zuiver water uit het kanaal Dessel-Schoten.
De stankhinder op de Grote Gracht of Collateur zou vooral te wijten zijn aan rottende bladeren en snoeiafval die in de gracht terecht komen.
Door de omwonenden wordt geklaagd over het beperkte onderhoud en ruiming van deze gracht.
Wat betreft het afvalwater dat in de Grote Gracht wordt geloosd, heeft de gemeente de mogelijkheid om een dossier in te dienen in het kader van de subsidiëring voor gemeentelijke rioleringen.
Hierdoor zou het huishoudelijk afvalwater kunnen worden aangesloten op de geplande verbindingsriolering Hodonk-Brand-Hulselstraat-Kloosterstraat - waarvan volgens het technisch plan de oplevering moet gebeuren op 13 april 1999 - en worden behandeld in het zuiveringsstation van Retie.
Het huishoudelijk afvalwater van het Campinastrand, gelegen naast de Grote Gracht, wordt reeds gezuiverd door een rietveld.
Naar aanleiding van uw vraag laat de Vlaamse Milieumaatschappij mij weten dat in dit gebied geen gemeentelijke rioleringsprojecten zijn gepland.’


De huidige beheerders van de Grote Gracht zijn de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) voor de bedding, en het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) voor de bosstroken langs de Gracht.

2. Ontginningen

2.1 Het Koninklijk Domein (De Graaf)

Een wet van 25 maart 1847 machtigde de regering om gemeentebesturen te verplichten hun woeste gronden, heide en niet in cultuur gebrachte gronden in het algemeen belang te verkopen.
Vanaf 1853 kochten koning Leopold I en zijn zoon prins Filip, Graaf van Vlaanderen, heidegronden op.
Tegen de prijs van 200 frank per hectare deed de gemeente Retie afstand van 600 ha (Rethy-Goor).
Later werd het domein door Prins Filip nog aanzienlijk uitgebreid, o.a. door de aankoop in 1857 van 1400 hectare heidegronden van de Meulenaere van Postel.
Het Koninklijk Domein omvatte ooit een oppervlakte van 4550 hectare.
Met de ontginning van deze gronden werd onmiddellijk gestart: het grootste gedeelte werd met ‘mast’ bezaaid, een ander gedeelte werd aangelegd om tot boomkwekerijen te dienen.

De bevloeiing geschiedde door middel van watervangen waar water werd afgetapt uit de Turnhoutse Vaart.
Krachtens het KB van 9 november 1847 diende de minister van Binnenlandse Zaken te beslissen over aanvragen tot het verwezenlijken van deze watervangen, ingediend door particulieren in hun eigen belang.
Daarna verscheen de wet van 20 juni 1855 over de bevloeiingsovereenkomsten in de Kempen.

Deze uitgestrekte bossen leverden uiteraard grote hoeveelheden timmer- en brandhout.
Timmerhout was vooral afkomstig van zogenaamd ‘hard hout’: eik en beuk.
Brandhout bestond voornamelijk uit berk, den en els.

De Grote Gracht aan de duiker.

Behalve timmer- en brandhout leverden de bossen van de Graaf ook ‘staken’.
Die dienden voor de plaatsing van omheiningen, maar ook ter ondersteuning van fruitbomen en groenten, zoals erwten en bonen.
Met de uitbating van de steenkoolmijnen in Limburg ging de geleidelijke ontbossing in onze Kempen gepaard.
Dennenhout of ‘mastenhout’ werd immers goed geschikt bevonden voor het stutten van de mijngangen.

Naast de houtwinning was het uitgestrekte domein ook de geschikte biotoop voor een zeer gevarieerde fauna en flora.
Het was ook een uitgelezen jachtgebied voor de jacht op vogels en wild: fazanten, houtsnippen, hazen, konijnen, reeën en everzwijnen.
Voor de jachtpartijen werden wij als ‘trakkers’ gevraagd om klopjacht te houden zodat het wild naar de dreven werd opgejaagd en daar afgeschoten kon worden.
Bos- en braambessen groeiden er in overvloed.
Tonnen bosbessen zijn er ooit geplukt, die per kilo ter plaatse werden opgekocht door winkeliers van Turnhout en Antwerpen.

Op 20 december 1950 werden de Graaf en het Koninklijk Domein verkocht aan de ‘Compagnie Immobilière de Belgique’ te Brussel.
Tussen 1950 en 1955 werd praktisch het ganse domein ontbost op enkele restanten na, zoals het Prinsenpark en een gedeelte dat nu onder de Koninklijke Schenking valt.
Het laatste everzwijn heb ik nog begin de jaren 1950 kunnen zien in een stal bij boswachter Frans Sterckx aan Brug 2.
Bij de aanleg van de snelweg Antwerpen-Hasselt (Boudewijnsnelweg) werden de laatste stuifzandduinen, o.a. de Eksterberg en de Hanenberg op de Hooidonk afgegraven.
De zavel of gele zand werd als ondergrond gebruikt voor de snelweg, nadat de zwarte grond van de landbouwgronden was afgegraven en naar de voormalige duinen werd vervoerd.

2.2 De Wateringen

Aan de maatschappij De Gruyter en C° van Antwerpen werd een vergunning verleend voor de bevloeiing van 208 hectare heide.
Dat was een deel van de 526 hectare in haar bezit, gelegen onder Arendonk, tussen Brug 3 en Brug 4.
In de jaren 1850-1855 bezat de zone Arendonk de mooiste wei- en hooilanden van de Kempen, die door meer dan 100 koeien werden afgegraasd.
De hierbij geproduceerde melk werd door Hollandse boeren tot kaas verwerkt.
In een van de stallen werd een zetmeelfabriek opgericht met een jaarlijkse productie van 25000 kg zetmeel.

Andere vergunningen voor watervangen werden verleend aan particulieren voor de bevloeiing van heidegronden onder Mol, Postel en Ravels.
Daar werden de hoger dan de vaartwaterspiegel gelegen heidegronden van water voorzien door middel van windmolens.
Op 12 mei 1863 werd een verdrag gesloten tussen België en Nederland om de verdeling van de Maaswateren vast te leggen.
Het water van de vaart werd beschouwd als middel ter verbetering van gronden, maar meststoffen werden daartoe als noodzakelijk aanzien.
Dankzij de vaart daalden de vervoerprijzen voor de meststoffen voor de boeren.
Met meststoffen geladen schepen hoefden namelijk geen vaarrechten te betalen.
Beer uit Antwerpen en Luik werd met schepen aangevoerd.
Gemetselde beerputten, voorzien van een deksel, werden langs de vaart gebouwd.

De jaarlijkse opbrengst aan hooi schommelde tussen 5,5 à 7 ton per hectare.
In eerste instantie werd hooi per schip verzonden naar Beverlo (Leopoldsburg) voor de paarden van het leger.
Ook particulieren konden hooi kopen voor hun koeien en paarden.
Mijn grootouders hebben daarvan nog gebruikgemaakt.

De economische functie van de Wateringen ging geleidelijk aan verloren met als gevolg dat het onderhoud ervan werd verwaarloosd.
Rond het einde van de jaren veertig van vorige eeuw was het definitief gedaan met de klassieke hooiwinning in de wateringen.
In de Arendonkse Wateringen kwamen vijvers, eigendom van dokter Schrijvers.
Sinds enkele jaren is er het Vlaamse natuurreservaat ‘het Goorken’ ingericht.
Dit gevarieerde natuurlandschap combineert laagveen, heide en rietvelden met open water, wilgen- en gagelstruweel.
Volgens het plan nr. 1427 van de Dienst der Scheepvaart functioneren heden nog twee watervangen, namelijk nr. 49 en 49 bis.

3. Familiegeschiedenis


De oude hoeve op het gehucht Boshoek, in Dessel.

Mijn vader, Jozef Meeus (1907-1979), was de oudste zoon van negen kinderen.
Zijn ouders waren August Meeus (1882-1966) en Maria Slegers (1883-1966), gehuwd op 4 januari 1906.
Zij woonden op het gehucht Boshoek, niet ver van het Campinastrand.
De bewinbare gronden lagen grotendeels aan de Werbeekse Nete.
Op de plaats waar eens de hoeve stond, werden twee nieuwe woningen opgericht: nonkel Michel Meeus (°1930), gehuwd in 1958 met Hilda Sterckx (°1939) woont in Kantstraat 24; de woning ernaast is eigendom van weduwe tante Mathilde Meeus (°1925), die in een RVT in het centrum van Dessel verblijft.
Mijn moeder, Martha Peeters (1910-1963), was de dochter van Carolus Peeters (1877-1950) en van Elisabeth Slegers (1879-1918), gehuwd op 29 juli 1899.
Zij woonden op de Hooidonk op ongeveer 150 meter van de Gracht.
‘Vader Hooidonk’ was tijdens de Eerste Wereldoorlog weduwnaar geworden met twaalf kinderen.
Mijn moeder was toen acht jaar oud.
De schrale gronden voor ontginning grensden aan de bosstroken aan weerskanten van de Gracht.
Na hun huwelijk in 1933 trokken mijn ouders naar Lommel (Werkplaatsen), waar ik in 1934 geboren ben.
Wegens de onzekere tijden in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, omstreeks 1938, zijn mijn ouders zich komen vestigen naast de kleine hoeve van ‘vader Hooidonk’, waar nu de familie Jan en Linda Verwaest-Luyten, Grachtstraat 20, woont.

Na de dood van mijn grootvader hebben mijn ouders in 1951 een huis gebouwd aan de steenweg op de Hodonk, waar nu het gezin E. Wuyts-Castelijns, Hodonk 71, woont.

Mijn vroegste herinnering gaat terug naar mijn eerste dag in de bewaarschool bij de kloosterzusters.
Mijn moeder bracht mij met de fiets naar school langs de Hodonksepad.
Die pad heb ik sindsdien wel duizenden keren afgelegd, te voet of met de fiets.
De landweg kronkelde langs weidse graanvelden en weilanden met grazende koeien.
De talrijke zang- en weidevogels: veldleeuwerik, geelgors (schrijver), paapje, kievit, patrijs en af en toe de hop (poeper) enz., die er toen te zien waren, heb ik voor altijd op mijn ‘zachte schijf ’ opgeslagen.


Gustaaf Meeus op de hei (1938).


Jozef Meeus en Jozef Deckx in volle actie bij de korenoogst.


Om naar ‘moeder en vader Hei’ te stappen of te fietsen, waren er twee mogelijkheden: de zandweg naar de brug van Charel ‘Buis’ (‘Buis’ was de bijnaam van ‘vader Hooidonk’), zo langs de Gracht naar het café het Platdak aan het Campinastrand en het Dessels Goor, en verder naar de Boshoek.
Ofwel nam ik de zandweg naar de Aberghoeve en vandaar over de brug (het schoor) van de Werbeekse Nete, naar de hoeve van mijn grootouders.
Het leven verliep op het ritme van de seizoenen.
De dieren kregen gevarieerd voedsel: rapen, bieten, aardappelen, hooi- en graangewassen.
Van ingekuilde maïs was nog geen sprake.
Op de schrale gronden was de opbrengst nauwelijks voldoende om de kleine boerderij, maximum vijf koeien en een paard, zelfbedruipend te ontginnen.
Van de graangewassen werd rogge het meest verbouwd en diende vooral voor het bakken van roggebrood voor eigen verbruik.
Ook het paard kreeg regelmatig een stuk roggebrood.
Tarwe daarentegen werd weinig geteeld en diende voornamelijk voor het bakken van krentenbrood op welbepaalde feestdagen.
Het werk op de velden gebeurde met kar en paard op een ambachtelijke manier.
Koren werd met de ‘pik’ gemaaid.
Van mechanisatie was nog geen sprake.
Die is er pas vanaf de jaren vijftig gekomen, voor de ontbossing van het Koninklijk Domein en daarna voor de ontginning van de vrijgekomen gronden.


‘Vader en moeder Hei’ bij de Leuvense stoof. Foto uit 1954.

Het was een heerlijke tijd om ongedwongen te kunnen spelen in de ‘zandbergen’, waar de heide en de brem welig bloeiden.
De fauna was alom aanwezig en ‘vogels zoeken’ in de uitgestrekte bossen was een veel bedreven ontspanning.
Er ontstonden wedstrijden om voor ’t eerst een tak opgevuld te kunnen krijgen met allerlei vogeleieren.
Er waren wel vogelnesten die niet ‘geroofd’ mochten worden, zoals die van de zwaluw en de wielewaal.
Onnodig te zeggen dat er in de bossen ook veel wild rondliep, wat dan weer tot stropen uitnodigde.
Samen met mijn grootvader trok ik er meermaals in de vroege ochtend, bij maanlicht, op uit om konijnen en hazen te vangen.
Op sommige tijdstippen van het jaar werd er ook wel eens een ree in een goedgeplaatste strop in een gracht gevangen.
Op onze tochten in de vroege ochtend konden we meermaals het baltsen van de korhoeders op de heidevlaktes gadeslaan.
Het was tevens de tijd dat er bij winteravond aan de haard nog verteld werd: Wij kwamen samen om licht te besparen.
Dan werd er door de buurtbewoners verteld: het was hun nieuwsblad.
Hun verbeelding, geloof en bijgeloof, hun geestesopvatting vonden er stof en uitwerking.
De vele verhalen die de ronde deden, maakten op mij een grote indruk.
Zo kan ik me nog levendig de stropers- en roversverhalen (de bokkenrijders) herinneren die verteld werden in het café De Drie Linden bij V. Meeus, boswachter bij baron de Broqueville.

Het water van de Gracht was glashelder en bevolkt met allerlei vissen en waterdiertjes.
Overal zag men het ballet van schaatsenrijders en schrijvertjes of nonnetjes – O krinklende winklende waterding, met ’t zwarte kabotseken aan enz. (Guido Gezelle).
Aan de brug van Charel ‘Buis’ werd ’s zomers bijna niets anders gedaan dan pootjebaden en zwemmen.
In de winter was het een heerlijke tijd om te schaatsen en te sleeën, tot aan de plaats waar de Warme Nete onder de Gracht duikt (den duiker) of tot aan het Campinastrand.

De vijvers van het Campinastrand zijn oude turfputten waar tot in de jaren dertig van vorige eeuw turf (oud veenmos) werd gestoken.
Het werden prachtige visvijvers, waar ook veel otters verbleven.
Voor ons was het een uitstekende plaats om er in de zomermaanden te gaan zwemmen en met bootjes te varen.
In de grillige wintermaanden werd er geschaatst en met de sleeën gereden.
De commerciële uitbating van een gedeelte van de vijvers kreeg vaste vorm in 1944, toen de PVBA Kempenvrienden werd opgericht.
De laatste otter heb ik er gezien zestig jaar geleden, in 1949, op de visvijver de Goudkarper, gelegen vlak naast de Grote Gracht aan de brug van de Aberg.


Met bijzondere dank aan nonkel Michel Meeus voor de mooie familiefoto’s.
Tevens hartelijk dank aan mijn zoon Marc voor de mooie foto’s van De Gracht en voor het inscannen van de familiefoto’s.
Eveneens wil ik Gust Adriaensen bedanken voor het interview en voor allerlei documentatie (brieven en krantenknippels) die hij mij heeft overhandigd.

Bronnen:
- Michel Willocx en Rik Verheyen, ‘Vertakking naer Turnhout van het vereenigingskanael der Maes naer de Schelde’, in: Taxandria, Jaarboek 1999 van de Koninklijke geschied- en oudheidkundige kring van de Antwerpse Kempen.
- Edward Sneyers, Bijdrage tot de geschiedenis van Retie, 1972.
- Bijdrage tot de historische ecologie van de Limburgse Kempen (1910-1950).
Tweehonderd gesprekken samengevat door Joel Burny.


Gustaaf Meeus    

(1)
E. Sneyers: Bijdrage tot de geschiedenis van Retie, voetnoot 85, p. 296