Tot aan zijn dood zou Meneer De Koninck bij haar inwonen, eerst in het huis
op de Markt, vanaf 1906 in de Sint-Martinusstraat.
Hoe bezagen de dorpelingen die Meneer De Koninck?
Pastoor-dichter Jozef De Voght vertelt daarover in zijn toespraak ter
gelegenheid van de onthulling van het grafmonument op 1 september 1929:
Lodewijk De Koninck: een aardig man, met vleugelbaard, hoge hoed en
verschoten jas'.
Ginds op de Molsesteenweg bij Nathalieke Dielens, betrok hij de
Noordervleugel, 3 schreden diep, met daarachter een tuintje, waarover hij
vanuit het open raam, soms verzen dreunde.
Gaarne kuierde hij door bos en veld, en bloeide de hei, dan bestak hij
telkenjare zijn vrienden met een tuiltje.
Hij knauwde een sigaar en snoepte zijn Meeusje.
Op wandel begeleidde hij 't ritme van een groeiend vers met de zwaai van
zijn armen, zodat de kinderen wel eens ijlings voorschoten naar huis en de
boeren op de akker hem naloerden en schuddekopten.
Tot ze hem nader kenden, een heilig man die elke dag Mis hoorde,
communiceerde, zijn aanbidding deed en de Derde-Orde voorbad en tussen de
gebeden in, een bedenking liet ontvallen die leek op een sermoen.
Een arme man ook.
Op 24 oktober 1920 lanceert
'De Kempenaar, het
grootste Katholiek Vlaams Weekblad', uitgegeven in Turnhout, een
oproep tot het verlenen van financiële steun aan De Koninck onder het motto:
Een aalmoes voor De Koninck!
De koppeling dier woorden trilt snijdend door het hart.
De Kempenaar houdt het voor een heilige taak al zijn krachten veil te
hebben opdat onmiddellijke hulp, den old great man, de grote dichter, een
der grootste, zoniet de grootste die ooit op Belgische bodem het licht
zag, en die zou armoe lijden in het naburige Retie waar hij zijn laatste
jaren slijt, tegemoet snelle.
Deze man, die voor alles wat hij drukken liet, eerst aan zijn bisschop het
imprimatur vroeg en over wiens dichtwerk prof. dr. J. Persijn in 1929
schreef:
Dat de kunst van De Koninck ons huidig, verzenuwd publiek niet boeien kan,
ligt aan ons maar ook aan hem.
Hem ontbrak de humor, de smakelijke lach.
Hij was gekweekt door de tragische schoolstrijd en sindsdien was hem alles
in deze wereld zware ernst.'
...
die man krijgt in 1929 in Retie een uitgebreide hulde, een koninklijk
grafmonument.
Maar de voorbereiding daarvan zou ook leiden tot enige irritatie tussen
Hoogstraten en Retie.
Het ijverige Retiese feestcomité zoekt financiële steun voor het monument,
uiteraard ook in Hoogstraten.
Op 28 juni 1929 schrijft het gemeentebestuur van Hoogstraten een zuinige
brief waarin meegedeeld wordt dat de gemeenteraad 100 fr. gestemd heeft als
toelage.
Betreurd wordt echter dat:
wijl hier reeds een begin gemaakt was om de naam van de Kempische dichter,
inboorling onzer gemeente, onsterfelijk te maken door het aanbrengen van
een gedenkteken in zijn geboortehuis, dat reeds hier een der schoonste
lanen zijnen naam draagt, de gemeente Retie verdere werking stremt
.
Waarop het Retiese comité:
met alle bescheidenheid moet antwoorden dat de bijdrage van 100 fr. (ons)
heeft ontgoocheld en voorkomt als ingegeven door een spijtig misverstand
.
In de brieven die een nicht van De Koninck, mej. Geets, aan E. Sneyers, de
voorzitter van het Retiese feestcomité, schrijft, komen enkele schampere
maar boeiende passages voor over die 100 frank.
Mej. Geets schrijft:
Verstandige Hoogstraatse mensen kunnen niet kwalijk nemen dat men in Retie
'n waardige rustplaats verleent aan hem die zoveel jaren in eenzaamheid
daar sleet.
Van de kolossale som van 100 fr. ben ik een beetje verschoten toch: enfin
hoge torens moeten hoge sommen geven.
Onder ons gezegd, 'k geloof dat ze spijt hebben want 'k heb horen monkelen
dat ze gaan bijgeven...
En in een andere brief luidt het:
Uit goede bron verneem ik dat Hoogstraten ook grootse feesten zal houden
binnen enige jaren.
Enfin ze lachen wel wat groen.
Heel veel officiële personen moet U van hier niet verwachten, de schand
van hun povere 100 frangskes verbergen ze liever onder de schaduw van hun
hoge toren.
De irritatie zindert na tot in 1931.
Het Retiese comité ontvangt een uitnodiging van De Konincks nicht om in
Hoogstraten een kunstavond gewijd aan het werk van de dichter bij te wonen.
Bedankt voor de uitnodiging, antwoordt het comité, maar
U begrijpt dat wij gezien de spijtige afzijdigheid aan de Retiese
feestviering niet kunnen ingaan op een zijdelingse uitnodiging.
Zo de inrichters hielden aan de aanwezigheid van de Retiese De
Koninck-vrienden, dan kon m.i. door hen wel een uitnodiging gezonden zijn.'
Dat gebeurde wel bij de herdenking van de 150ste verjaardag van De Konincks
geboorte in 1988 in Hoogstraten.
Ik heb toen van de gelegenheid gebruik gemaakt om als burgemeester van Retie
na 60 jaar de officiële spons te vegen over het conflict tussen Hoogstraten
en Retie over 100 frank voor het Lodewijk De Koninckgedenkteken.
Bij het opstellen van dit artikel heb ik even enkele oude uitgaven van De
Koninck ter hand genomen:
'Loflied over het H. Sacrament',
'Het Mensdom verlost. Aan Zijne Eminentie Victor August
Kardinaal Descamps, Aartsbisschop van Mechelen,
Primaat van België, enz., met dezes goedgunstige
aanneming, uit diepgevoelde hoogachting,
zeer nederig en eerbiedig opgedragen',
'Jubelzang op Het Gouden Priesterschap van Zijne
Heiligheid Leo XIII'
En dit laatste sloeg ik op goed geluk open en ik las:
En ik dacht: Lodewijk De Koninck, een noeste maker van duizenden
pamflettaire verzen, in zijn agressief kerkelijk triomfalisme, in zijn
onverzettelijke compromisloosheid, in zijn artistiek isolement, een tragisch
man.