Lodewijk De Koninck en zijn grafmonument - Een conflictje tussen Hoogstraten en Retie

De dichter Lodewijk De Koninck (Hoogstraten, 1838) heeft van 1899 tot aan zijn dood in 1924 in Retie gewoond.
Toen op 30 augustus 1929 tegen het sterfhuis van de dichter in de Sint-Martinusstraat een gedenksteen werd aangebracht, zei de voorzitter van het huldecomité, Edward Sneyers, het volgende over de aankomst van De Koninck in Retie:
't Was in 1899 dat de ouwe dokter Matthé, een gast mee ten dis bracht, in het café bij Natalieke Dielens op de Markt.
Die vriend was een kloeke zestiger, een man als een boom, met lange grijze baard en ietwat gebogen rug.
Enkele dagen later vroeg Dr. Matthé haar Meneer De Koninck op te nemen in haar woning.
Want de man had, nu het begon te donkeren op zijn levensweg, geen tehuis en hij zocht naar steun en hulp.


Bidprentje van Lodewijk De Koninck


Grafmonument van Lodewijk De Coninck


Tot aan zijn dood zou Meneer De Koninck bij haar inwonen, eerst in het huis op de Markt, vanaf 1906 in de Sint-Martinusstraat.

Hoe bezagen de dorpelingen die Meneer De Koninck?
Pastoor-dichter Jozef De Voght vertelt daarover in zijn toespraak ter gelegenheid van de onthulling van het grafmonument op 1 september 1929:
Lodewijk De Koninck: een aardig man, met vleugelbaard, hoge hoed en verschoten jas'.
Ginds op de Molsesteenweg bij Nathalieke Dielens, betrok hij de Noordervleugel, 3 schreden diep, met daarachter een tuintje, waarover hij vanuit het open raam, soms verzen dreunde.
Gaarne kuierde hij door bos en veld, en bloeide de hei, dan bestak hij telkenjare zijn vrienden met een tuiltje.
Hij knauwde een sigaar en snoepte zijn Meeusje.
Op wandel begeleidde hij 't ritme van een groeiend vers met de zwaai van zijn armen, zodat de kinderen wel eens ijlings voorschoten naar huis en de boeren op de akker hem naloerden en schuddekopten.
Tot ze hem nader kenden, een heilig man die elke dag Mis hoorde, communiceerde, zijn aanbidding deed en de Derde-Orde voorbad en tussen de gebeden in, een bedenking liet ontvallen die leek op een sermoen.
Een arme man ook.
Op 24 oktober 1920 lanceert 'De Kempenaar, het grootste Katholiek Vlaams Weekblad', uitgegeven in Turnhout, een oproep tot het verlenen van financiële steun aan De Koninck onder het motto:
Een aalmoes voor De Koninck!
De koppeling dier woorden trilt snijdend door het hart.

De Kempenaar houdt het voor een heilige taak al zijn krachten veil te hebben opdat onmiddellijke hulp, den old great man, de grote dichter, een der grootste, zoniet de grootste die ooit op Belgische bodem het licht zag, en die zou armoe lijden in het naburige Retie waar hij zijn laatste jaren slijt, tegemoet snelle.


Deze man, die voor alles wat hij drukken liet, eerst aan zijn bisschop het imprimatur vroeg en over wiens dichtwerk prof. dr. J. Persijn in 1929 schreef:
Dat de kunst van De Koninck ons huidig, verzenuwd publiek niet boeien kan, ligt aan ons maar ook aan hem.
Hem ontbrak de humor, de smakelijke lach.
Hij was gekweekt door de tragische schoolstrijd en sindsdien was hem alles in deze wereld zware ernst.'
...
die man krijgt in 1929 in Retie een uitgebreide hulde, een koninklijk grafmonument.

Maar de voorbereiding daarvan zou ook leiden tot enige irritatie tussen Hoogstraten en Retie.

Het ijverige Retiese feestcomité zoekt financiële steun voor het monument, uiteraard ook in Hoogstraten.
Op 28 juni 1929 schrijft het gemeentebestuur van Hoogstraten een zuinige brief waarin meegedeeld wordt dat de gemeenteraad 100 fr. gestemd heeft als toelage.
Betreurd wordt echter dat:
wijl hier reeds een begin gemaakt was om de naam van de Kempische dichter, inboorling onzer gemeente, onsterfelijk te maken door het aanbrengen van een gedenkteken in zijn geboortehuis, dat reeds hier een der schoonste lanen zijnen naam draagt, de gemeente Retie verdere werking stremt .

Waarop het Retiese comité:
met alle bescheidenheid moet antwoorden dat de bijdrage van 100 fr. (ons) heeft ontgoocheld en voorkomt als ingegeven door een spijtig misverstand .

In de brieven die een nicht van De Koninck, mej. Geets, aan E. Sneyers, de voorzitter van het Retiese feestcomité, schrijft, komen enkele schampere maar boeiende passages voor over die 100 frank.

Mej. Geets schrijft:
Verstandige Hoogstraatse mensen kunnen niet kwalijk nemen dat men in Retie 'n waardige rustplaats verleent aan hem die zoveel jaren in eenzaamheid daar sleet.
Van de kolossale som van 100 fr. ben ik een beetje verschoten toch: enfin hoge torens moeten hoge sommen geven.
Onder ons gezegd, 'k geloof dat ze spijt hebben want 'k heb horen monkelen dat ze gaan bijgeven...

En in een andere brief luidt het:
Uit goede bron verneem ik dat Hoogstraten ook grootse feesten zal houden binnen enige jaren.
Enfin ze lachen wel wat groen.
Heel veel officiële personen moet U van hier niet verwachten, de schand van hun povere 100 frangskes verbergen ze liever onder de schaduw van hun hoge toren.


De irritatie zindert na tot in 1931.
Het Retiese comité ontvangt een uitnodiging van De Konincks nicht om in Hoogstraten een kunstavond gewijd aan het werk van de dichter bij te wonen.
Bedankt voor de uitnodiging, antwoordt het comité, maar U begrijpt dat wij gezien de spijtige afzijdigheid aan de Retiese feestviering niet kunnen ingaan op een zijdelingse uitnodiging.
Zo de inrichters hielden aan de aanwezigheid van de Retiese De Koninck-vrienden, dan kon m.i. door hen wel een uitnodiging gezonden zijn.'


Dat gebeurde wel bij de herdenking van de 150ste verjaardag van De Konincks geboorte in 1988 in Hoogstraten.
Ik heb toen van de gelegenheid gebruik gemaakt om als burgemeester van Retie na 60 jaar de officiële spons te vegen over het conflict tussen Hoogstraten en Retie over 100 frank voor het Lodewijk De Koninckgedenkteken.

Bij het opstellen van dit artikel heb ik even enkele oude uitgaven van De Koninck ter hand genomen:
'Loflied over het H. Sacrament',
'Het Mensdom verlost. Aan Zijne Eminentie Victor August Kardinaal Descamps, Aartsbisschop van Mechelen,
Primaat van België, enz., met dezes goedgunstige aanneming, uit diepgevoelde hoogachting,
zeer nederig en eerbiedig opgedragen',
'Jubelzang op Het Gouden Priesterschap van Zijne Heiligheid Leo XIII'

En dit laatste sloeg ik op goed geluk open en ik las:

En gij Kerke triomfeerdet,
En gij groeidet en vermeerdet,
En uw wasdom heeft niet uit,
Hoe het dreigend onweer fluit;
Hoe er legers wangedrochten,
In hunne onderaardse krochten,
Kuipen in den donkren nacht;
Gij trotseert de hellemacht.


En ik dacht: Lodewijk De Koninck, een noeste maker van duizenden pamflettaire verzen, in zijn agressief kerkelijk triomfalisme, in zijn onverzettelijke compromisloosheid, in zijn artistiek isolement, een tragisch man.
Gust Adriaensen
Terug