Wandelen door de Boesdijkstraat

Een zalige zomerzondag in de Boesdijkstraat, begin jaren zestig.
Vader zal met zijn Kodak Brownie - model ‘vogelkastje’- de oudste helft van zijn kroost vastleggen voor de eeuwigheid.
Dus nemen dochtertje en zoontje plaats op de lage afsluiting van de voortuin.
Achter hen staat Renée.
Renée is een alleraardigst meisje van zowat zestien jaar uit het Brusselse en samen met haar moeder te gast in het rustoord Boesdijkhof.
Zij legt behoedzaam één hand op de schouder van het jongetje, de andere op die van het meisje.
Renée en het meisje kijken recht in de camera.
Het jongetje niet.
Hij zal nu, net als de camera, het beeld vastleggen in wat hij pas veel later benoemen kan als ‘herinneringen uit de kinderjaren’.
Wanneer het jongetje dan een vijftiger zal zijn en het fotootje uit de oude doos plots voor hem ligt, moet hij er een stukje over schrijven.
Een stukje over de Boesdijkstraat.

En die Boesdijkstraat had haar naam waarachtig niet gestolen.
Als we weten dat in de toponymie het woord ‘boes’ verklaard wordt als ‘slechte, natte grond’, maakt dat al een en ander duidelijk.
De gronden in de vallei van het Klein Neetje waren inderdaad drassig en zwaar.
Of het hierdoor kwam dat de Boesdijkstraat met voorsprong de meest erbarmelijke straat van het hele dorpscentrum was, weet ik niet.
Feit is dat een groot deel van het jaar de weg nagenoeg onberijdbaar was door kniediepe karresporen, slijk in overvloed en somptueuze plassen die altijd net iets dieper waren dan de hoogte van onze laarzen.
Toen op een dag Louis Van Echelpoel, die pas gebouwd had tegenover het Boesdijkhof, de Lange Pinnemuts, staande hield en kloeg: ‘Zeg Lange, kunde gij, als werkman bij de gemeente, niks doen aan die rotte weg hier?
Dat trekt nu toch nergens op, hè!’, kreeg hij het laconieke antwoord: ‘Awel Louis, gij hebt daar zo’n kot van een huis gezet dat eigenlijk de helft te groot is.
Met de stenen van de andere helft hadt ge bekanst helegans de straat in ’t hard kunnen leggen!’

Vooraan: Guido (Guy) en Edith Aarts. Achteraan: Renée, gaste op het Boesdijkhof. Foto uit 1962.

Na langdurige droogte stoof het dunne, mulle zand alle kanten op en kwamen de gestorte plavuizen, stukken vloertegel, bakstenen, potscherven, kapotte dakpannen, kortom alles waar een mens zoal vanaf wou, gevaarlijk bloot te liggen.
Obstakels die een heuse bedreiging waren voor onze fietsbanden.
De Boesdijkstraat, die een verbindingsstraat was tussen de Turnhoutsebaan en de Arendonksesteenweg, had destijds een ander tracé en ze was veel smaller.
Er konden amper twee karren elkaar passeren.
De straat begon aan de Turnhoutsebaan tussen de tuin van Mia Van Elst en de schrijnwerkerij van Staf Peeters.
Voorbij de huizen van de gebroeders Vanhove boog ze dan richting dorpscentrum tot aan boerderij Den Dries.
Van daar liep ze verder schuin en rakelings langs het domein van het Boesdijkhof in de richting van het Klein Neetje om dan, na een lichte buiging richting dorpscentrum, te eindigen naast de woning van Wiet (Aloïs)Verbijlen op de Arendonksesteenweg.
De straat aan de overkant van de steenweg en in het verlengde van de Boesdijkstraat droeg (en draagt nog) de naam ‘Boesdijk’.
Er stonden destijds maar enkele huizen in de Boesdijkstraat.
Vanuit de Turnhoutsebaan was het eerste huis aan de rechterkant de kleine boerderij van Mieke van Rikske (Maria Vanhove-Slegers).
Het boerderijtje stamde uit de 19de eeuw en er zou ooit een slagmolen hebben gestaan, die werd aangedreven door de rondgang van een ossenspan.
Een slagmolen werd in de Kempen gebruikt om uit raap-en koolzaad olie te persen.
De olie diende als smeersel op het brood of er werden aardappelen, smoutebollen, koeken enz. in gebakken.
Uit lijnzaad perste men olie die als brandstof dienst deed voor het vermaarde smoutlampje.
Dezelfde olie werd ook gebruikt om ‘klein getuig’ en uurwerken te smeren.
Beide oliesoorten noemde men ‘smout’.
Recht tegenover Mieke ’s woning stond hun houten schuur.
Ze was nog gebouwd door Fik van Crèppen.
Toen de schuur in de jaren 1960 werd afgebroken door de gemeentelijke werklieden, recycleerde men een deel van het hout om er de Retiese kerststal van te maken.
Schuin tegenover Mieke woonden haar twee zonen in een nieuwgebouwde tweewoonst.
Links woonde Hein Vanhove, gehuwd met Hilda Verwaest.
Hein was kleermaker en had er een kledingwinkel, Hilda was lerares.
Rechts woonde Louis Vanhove, gehuwd met Louise Dries.
Louis was destijds technisch bediende in de Coca-Colafabriek te Turnhout, Louise was huisvrouw.
In 1965 bouwde beenhouwer Leon Vos net naast het huis van Louis Vanhove een houten paardenstal annex schuur.
Er was ook een garage voorzien in hetzelfde gebouw.
Terug aan de rechterkant van de straat, een tiental meter voorbij de woning van Mieke van Rikske, bouwde in 1963 schrijnwerker Nand Van Herck een nieuwe woning.
Zijn vrouw Maria Goris was huisvrouw.


Een postkaart gedateerd rond 1910.
Op de achtergrond zien we boerderij Den Dries met daarnaast het Boesdkijkhof.
Er stonden in die jaren slechts drie wonnigen in de Boesdijkstraat.

Een eindje verderop bevond zich de bouwvallige schuur van boerderij Den Dries, een restant van wat ooit een van de meest florissante boerderijen in het dorpscentrum was.
Aan dezelfde kant van de weg, zo’n twintig meter verder, lag - toen nog in zijn volle glorie - het Boesdijkhof.
Aan de overkant van het Boesdijkhof hadden mijn ouders, Rie Aarts en Frilda Van Mechelen, hun woning annex handelszaak gebouwd.
Daarnaast stond de woning van Louis Van Echelpoel en Celine Kuijpers.
Louis was in die jaren mijnwerker in de steenkoolmijn van Beringen.
Het vervoer van en naar het werk gebeurde met een daarvoor speciaal voorziene autocar.
Hij was, en is nog steeds, een duivenmelker met hart en ziel én een geboren verteller.
Celine kenden wij als een zorgzame huisvrouw.
Als laatste en nog steeds aan dezelfde kant van de weg, bevond zich het huis van Pierre Spoorenen Clémentine Delaet.
Aanvankelijk verhuurde Pierre het huis nog aan leden van zijn familie.
Zelf woonde hij, samen met zijn vrouw, in Antwerpen.
Pierre was er op zichter in de Buick en Cadillac-garage.
Toen hij op pensioen werd gesteld, verhuisden ze naar hun eigen woning in Retie.
Pierre en Clémentine stonden er op dat wij hen nonkel Pierre en tante Tien noemden.
Zij hadden zelf geen kinderen en waren dolblij als mijn zus en ik er op bezoek kwamen.
Clémentine was destijds de oudste bewoonster van onze straat (geboren te Antwerpen in 1888).
Toen ze in 1960 stierf, moesten ook mijn zus en ik haar een kruisje gaan geven.
Zij lag opgebaard in de ‘voorstekamer’ en was de eerste dode die ik zag.
Nu nog herinner ik me haarvaalgele gelaat, diep weggezakt in een smetteloos wit kussen.
Toen enkele weken later nonkel Pierre het rieten naaimandje vol handwerkgerief van tante Tien aan moeder kwam brengen, omdat het nu toch tot niets meer diende, waren wij daar allemaal het hart van in.
Nonkel Pierre schafte zich destijds een huisdier aan.
Een rosse kater, ‘Molleke’genaamd.
En mijn vader en Molleke, dat marcheerde niet.
Zij leefden constant op voet van oorlog.
Molleke werd door mijn vader ook nooit anders genoemd dan: ‘diesmerigerossekater’.
Want Molleke vertoefde heel graag bij ons, kon zeer aandachtig en geïnteresseerd de vogels bestuderen in vaders volière.
Op een avond, toen nonkel Pierre met zijn gebruikelijke ‘MollekeMollekeMôôôôleke’ bleef roepen tot zijn kater zich verwaardigde om eindelijk huiswaarts te keren, heeft vader eens van pure ergernis teruggeroepen:‘Pierre, volgens mij is hij verzopen in de Neet!’
Op het einde van de straat stond het hoekhuis van Wiet Verbijlen en Maria Smets.
Het was eigenlijk een tweewoonst met de voorzijde aan de Arendonksesteenweg.
In het andere gedeelte van de tweewoonst woonden toen de ouders van Wiet: Gust Verbijlen en Trees Corstiaans.
Ook Jef, een ongetrouwde broer van Wiet, woonde nog bij zijn ouders.
De houten schuur stond wel tegen de Boesdijkstraat en heeft tot op vandaag de tand des tijds doorstaan.
Ter hoogte van Wiet zijn huis, aan de overkant van de Boesdijkstraat, stond een waterput met water van prima kwaliteit.
Helaas voor de familie Verbijlen is die put verdwenen met het vernieuwen van de straat in 1963.

Op de hoek Boesdijkstraat en de (pas aangelegde) Driesstraat, werd in 1967 hondenclub ‘De politiehond’ opgericht.
Er werd een nieuw lokaal gebouwd en een fraai oefen-en wedstrijdterrein aangelegd.
Op de andere hoek van de Boesdijkstraat-Driesstraat en naast Nand Van Herck, bouwde Marcel Meulemans-Smets in 1969 zijn woning.
Datzelfde jaar verhuisde ook het gezin Jan Caymax-Meulemans naar hun nieuwe huis, gebouwd op de plaats waar ooit de schuur van boerderij Den Dries stond.
Jan was in die jaren onderwijzer aan de gemeentelijke jongensschool.
Laurentia (Ranske) was huisvrouw.

In 1962 startten de onteigeningen om de Boesdijkstraat haar lijnrechte vorm te kunnen geven en een jaar later werden de werken uitgevoerd.
Bij die onteigeningen moesten mijn ouders plusminus zeventien meter inleveren.
De nieuwe weg kwam veel dichter bij onze woning te liggen.
De tuin van het Boesdijkhof werd dan weer een behoorlijk stuk groter.
Een brede asfaltweg met betonnen afboording maakte een einde aan een legendarische en bijzondere Boesdijkstraat.
Later, in 1969, werd door de veelvuldige naamsverwarringen omtrent ‘Boesdijkstraat’ en ‘Boesdijk’, de naam verlengd naar Boesdijkhofstraat.

Maar laten we nog even de blik achterwaarts wenden en terugkeren naar een tijd die toch al ver achter ons ligt, naar de oude Boesdijkstraat.
En die oude Boesdijkstraat droeg in haar schrijnende onvolmaaktheid toch het decorum van die tijd, beantwoordde in haar eenvoud volkomen aan het beeld van een landelijk dorp.
Wilde kastanjelaren in de villatuin van Mia Van Elst overwelfden met waardige gratie een deel van de weg en in de lente tooiden witte en rode bloementoortsen de bomen met hun sierlijke schoonheid.
Een groene weelde van malse, begraasde weiden omsloot de schaarse huizen aan weerskanten van de straat.
Wij konden vanuit onze woning, in de verte, de achterzijde van de huizen aan de Turnhoutsebaan zien.
Wij zagen zelfs Merten van Joanneke zich elke morgen wassen, buiten aan de waskuip, in bloot bovenlijf.
En dat zowel in de zomer als in de winter.
Merten was blijkbaar nog een exemplaar uit ‘de harde, maar goeie oude tijd’.

De weiden en velden aan de Boesdijkstraat waren nagenoeg allemaal eigendom van de familie De Vel.
Ook waren zij eigenaar van boerderij Den Dries.
Zij verhuurden hun gronden en de boerderij aan verscheidene boeren.
Louis Aerts (den boer uit Den Dries) en zijn vrouw (beiden afkomstig uit Eindhout) boerden er ooit en toen in 1936 te Retie de veebond werd opgericht, werd de eerste veebondstier daar geplaatst.
Aan de overkant van de weg liet boer Aerts zijn koeien grazen in de daarvoor bestemde weiden.
In die tijd was dat vrij uitzonderlijk en modern want vrijwel overal bleven de koeien nog op stal (potstal) voor de mestproductie.
De familie Aerts was gezegend met een kroostrijk gezin.
Er waren twaalf kinderen.
Meer dan waarschijnlijk had Louis Aerts een boontje voor de voetbalsport.
Hij kon het goed lijden dat er op zijn weiden gevoetbald werd, wat hem door het jonge volkje van o.a. de Peperstraat en de Turnhoutsebaan in ruime dank werd afgenomen.
Toen boer Aerts en zijn gezin in 1945 verhuisden naar de Turnhoutsebaan, namen Jef Mariën en zijn vrouw Lien Slegers de boerderij over.
Zij waren de laatsten die er hebben geboerd.
In mijn kinderjaren stond enkel de schuur nog overeind.
De schuur en de ruïnes van de andere gebouwen waren voor ons volstrekt verboden terrein wegens allerhande gevaren.
Dus werd de aantrekkingskracht dermate groot dat wij daar regelmatig te vinden waren.
We vonden er juweeltjes van huisjesslakken en andere hogelijk waardevolle schatten.
Toen er zich op een dag een waar Hollywoodschouwspel voor onze ogen afspeelde, ter hoogte van de schuur, werden de regels door mijn ouders behoorlijk verstrengd, en was het uit met de pret.
Wij waren namelijk getuige van een wilde achtervolging door enerzijds een grote Amerikaanse wagen vol douanen en anderzijds een vluchtende bestelwagen met smokkelaars.
Vlakbij gekomen gooide een van de smokkelaars, als afleidingsmanoeuvre, een groot bruin pak in de grasberm.
Een andere vergastte de achtervolgers op een handjevol ‘kraaienpoten’ met de bedoeling de wagen van de douanen een lekke band te bezorgen.
Of hen dat ook gelukt was, weet ik niet.
Wel stormden ze in een razende vaart de straat uit en ze verdwenen richting Turnhout.
Ik raapte enkele van die kraaienpoten op en nam ze mee naar huis.
Daar hebben ze lang in vaders werkhuis gelegen.
Wat er in dat bruine pak zat, hebben we nooit geweten.
In de wei tussen de schuur van Den Dries en de woning van Mieke van Rikske stond meestal jongvee.
En het is dat jongvee dat mij als kind nachtmerries heeft bezorgd, dat mij de stuipen op het lijf joeg telkens ik daar moest passeren.
Want die ‘muttes’ kregen met de regelmaat van een klok het zot in hun kop, wisten van de gekkigheid met hun eigen geen blijf en deden vanalles om kleine jongens doodsbang te maken.
Temeer daar die zotternijen nogal eens eindigden met los door de afsluitdraad te springen en er met een dol genoegen vandoor te gaan.

Mijn grootvader Staf Aarts (Staf van To Mathé) kocht destijds van de familie De Vel twee bouwpercelen, recht tegenover het Boesdijkhof.
Mijn vader nam een van die percelen over en bouwde er een woning waarin ook zijn handelszaak werd ondergebracht.
Vader was aanvankelijk groentehandelaar-bloemist.
Later schakelde hij over op een drankenhandel.
Voor mijn vader er ging bouwen, huurde Gust Verbijlen dit perceel van mijn grootvader om er zijn groenten te kweken.
Tussen die bouwpercelen tegen de Boesdijkstraat en het Klein Neetje stond een canadabos, in de volksmond ook het ‘sikkesbos’ genoemd, afgeleid van het beroep van de eigenaar, gemeentesecretaris Willekens.
Tijdens de mobilisatie in 1939 moesten soldaten van het Belgisch leger in het ‘sikkesbos’, vlak bij het Klein Neetje, een bescheiden net van loopgraven creëren, waarbij ook de bekende ‘vaderlandertjes’ gebruikt werden.
Of het om een oefening ging of om werkelijk het Duitse leger een halt toe te roepen, is niet bekend.
Wel stonden de loopgraven binnen de kortste tijd onder water en hadden ze geen enkele functie meer.


Zomer 1924. Zicht op de Boesdijkstraat en de voorkant van het Boesdijkhof.
De omheiningshaag vooraan op de foto hoorde bij boerderij Den Dries.

Rechtover mijn ouderlijk huis bevond zich het Boesdijkhof.
Priester-koster op rust André Verbruggen liet omstreeks 1845 deze imposante villa bouwen om er zijn laatste levensjaren door te brengen.
Het domein lag mooi ingeplant tussen malse akkers en weilanden.
De villa van het Boesdijkhof (toen nog villa ‘In den Dries’, ze kreeg pas in 1914 de naam ‘Boesdijkhof ’) was decennia lang het meest aanzienlijke en grootste privé-gebouw in Retie.
In zijn oorspronkelijke vorm was de woning opmerkelijk eenvoudig, strak en hoog opgetrokken in donkere, bruingrijze baksteen.
Boven de verdieping bevond zich een langgerekt zadeldak bedekt met zwarte dakpannen.
Omheen het hele gebouw zat onderaan een gecementeerde plint van ongeveer 80 centimeter hoogte.
Net boven de buitendeur aan de achterzijde bevond zich op de bovenverdieping eveneens een buitendeur.
Die kwam uit op een klein balkonnetje met een sierlijke, ijzeren balustrade.
Tegen de zijpuntgevel aan de kant van boerderij Den Dries was een ruim balkon met een gelijkaardige balustrade in kunstig smeedwerk.
De toegang tot dit balkon liep oorspronkelijk via een trap naast het gebouw.
Later werd er in de gevel op de bovenverdieping een deur voorzien.
De zijpuntgevel was gecementeerd met een grofkorrelige fantasiestructuur.
De drie (oorspronkelijk vier) vensters die je kon zien, waren imitatie vensters, netjes vervaardigd in stucwerk en zó geschilderd dat ze vrijwel niet van echt te onderscheiden waren.
De dakgoten waren verwerkt in een houten kroonlijst, ondersteund door modillons.
Juist onder de dakgoten zorgden een bakstenen tandlijst en twee reliëfbanden voor enige decoratie.


Begin jaren 1930. Twee ‘juffertjes’ poseren op het kerkpaadje tussen zomer rijpe velden.
In de zijgevevel van het Boesdijkhof zien we nog vier ramen.

De vensters op het gelijkvloers waren voorzien van vensterluiken en aan de achterkant van het huis, rechts naast de buitendeur, brak een kleine erker de eentonigheid van de lange gevel.
Boven op de nok van het dak en zowat in de helft van het gebouw, plaatste men op het einde van de jaren twintig een fraaie, ijzeren windwijzer met daarin de initialen ‘BDH’.
Hij was ruim twee meter hoog.
De windwijzer werd later gered uit de afbraakpuinen en prijkt nu op een van de oude gebouwen van de Gemeentelijke Basisschool.
Tussen het gebouw en de Boesdijkstraat, tegen de omheiningsmuur, bevond zich een berghok en een ruime volière.
In het begin van de jaren vijftig werden die afgebroken en kwam er een nieuw gebouw in de plaats.
Dit had een verdieping met daarop een plat dak en stond haaks op het oude gebouw.
De nieuwbouw werd wit geverfd, enige tijd later volgden het oude gebouw samen met de omheiningsmuur en kreeg het Boesdijkhof een heel ander, verfrissend aanzicht.
Het houtwerk werd wit en groen geverfd.
Ook nog in de jaren vijftig plaatste men aan de hoofdingang een klein, veranda-achtig voorbouwtje en in het dak aan de voorkant een dakkapel.

In 1850 werd priester Johannes Grieten uit Meerhout de nieuwe eigenaar.
Hij stierf in 1858.
In datzelfde jaar werd dokter Van de Velde eigenaar van het domein In den Dries.
Hij verhuisde later naar de Peperstraat en overleed in 1882.



Achterzijde van het Boesdijkhof in 1958.
Het gebouw was toen al wit geverfd, een idyllische plaatje, gebonden korenschoven op ‘Van Herckskes’ veld.

In 1853 kocht koning Leopold I plusminus 1000 hectare onontgonnen gemeentegrond in ons dorp.
Kort daarna, in 1860, nam de heer Kinkin als beheerder van de koninklijke privé-domeinen, zijn intrek op het domein In den Dries, als nieuwe eigenaar.
Hij liet er later de zo geroemde lusttuin aanleggen.
Het is ook in die tijd dat de koninklijke kinderen, de prinsen Leopold (later koning Leopold II), Filips (graaf van Vlaanderen) en prinses Charlotte meermaals op het domein ‘In den Dries’ hun vakantie doorbrachten.
Als het domein in 1885 in het bezit komt van de Nederlandse apotheker-dokter-veearts Henri Quakkelaar, laat hij er, net als sommige voorgangers, verbouwingen uitvoeren.
In 1895 werd Jozef Sanctorum de nieuwe eigenaar.
Jozef was een ongehuwde rentenier uit Westerlo.
Hij overleed in 1913.
In 1914 kocht het kinderloze echtpaar Jozef Lathouwers-Vanderselen het domein.
Zij gaven het de nieuwe naam: het Boesdijkhof.
Jozef - een geboren en getogen Retienaar - was een aannemer die ook in Retie heel verdienstelijk werk heeft geleverd.
Hij was eveneens eigenaar van een bioscoopzaal in Turnhout.
Ook baatte hij een deel van het Boesdijkhof uit als vakantieoord voor dames.
Jozef was een welstellende man en ‘suikernonkel’ van de familie Spooren uit Lommel.
Door zijn financiële tussenkomst kon de boerenzoon Jacques Spooren gaan studeren en bracht hij het tot ambtenaar bij de Dienst Belastingen in Turnhout.
Ook twee broers van Jacques - Pierre en Jozef - kwamen door zijn toedoen in Retie terecht.
Jozef Lathouwers werd door de familie Spooren doorgaans ‘nonkel Lathouwers’ genoemd.
Als dank voor de steun van ‘nonkel Lathouwers’, hielp Jacques met huishoudelijke karweitjes in het vakantieoord.
Door zijn veelvuldig verblijf in Retie leerde hij Elisa (Liza) Aarts kennen - dochter van Petrus Aarts en Catharina Renaerts (Pier Sigaar en To Mathé) -met wie hij later trouwde.
Liza stierf echter bij de geboorte van haar eerste kind Jozef (Jos).
Jacques huwde later met Liza’s jongste zuster Jozefa.
Zij kregen acht kinderen: zonen Marcel, Hubert, Leo, Aloïs, Herman, Eddy en dochters: Ida en Maria.

In 1929 werd het Boesdijkhof officieel een ‘Maison de repos et de convalescence’.
Een rustoord voor onderwijzeressen, gouvernantes, verpleegsters enz.
Al vlug zou het Boesdijkhof deel gaan uitmaken van de YWCA-organisatie (Young Women ’s Christian Association, het vrouwelijke equivalent van de ruimer bekende YMCA).
In België kwam deze vrouwen-en ledenbeweging tot stand in 1919.
Stichtster en bezielster Hélène Goblet d’Alviella liet zich inspireren door de zeer verdienstelijke Amerikaanse YWCA in Le Havre (Frankrijk) tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Met steun van de Amerikaanse YWCA en een goedkeuring vanuit de hoofdzetel in Genève, werden al vlug ‘foyers’ en ‘hostels’ opengesteld en gebouwen (domeinen) aangekocht.
Hun doelstelling: vanuit een christelijke achtergrond hulp bieden, begrip en respect tonen voor vrouwen en iedereen die noodlijdend was.


Hoofdingang van het domein Boesdijkhof.
In lang ver vlogen tijden passeerden hier paard en koets, later de ‘automobielen’.
Foto uit 1958.

De laatste directrice op het Boesdijkhof vóór de Tweede Wereldoorlog was Madame Claeys.
Na de oorlog werkte de YWCA nauw samen met de toenmalige CM en werd het Boesdijkhof ook een rust-en hersteloord voor arbeidsters.
In 1948 kocht de YWCA het Boesdijkhof aan en werd het hun eigendom.
In 1939, in volle mobilisatietijd, werd het rustoord Boesdijkhof tijdelijk omgevormd tot een ‘foyer du soldat’.
Een eenheid van het Belgisch leger nam er zijn intrek.
Zij bewerkstelligden o.a. de loopgraven in het ‘sikkesbos’ en leefden verder het liederlijke en zorgeloze soldatenleven met al wat daar zoal bij hoorde.
Toen Duitsland op 10 mei 1940 ook aan België de oorlog verklaarde en met zijn ‘Blitzkrieg’ een ware overrompeling teweegbracht, sloeg de schrik onze Boesdijkhofsoldaten om het hart.
Zij voelden weinig lust om de gevreesde Duitse oorlogsmachine te lijf te gaan en kozen - terecht - voor het motto: ‘beter bange Piet dan dode Piet’.
Ze vluchtten als de gesmeerde bliksem landinwaarts.
Tijdens de oorlog nam Frans Belmans (Frans van de gas) uit Werbeek de zaken waar op het Boesdijkhof.
Het gezin Belmans verliet daarop de woning bij de gasketel in de Zandstraat (waar Frans eerder als verantwoordelijke was aangesteld).
Naarmate de oorlog vorderde, veranderde de situatie op het Boesdijkhof.
Zowat acht maanden voor het einde van de oorlog nam een vreemd, klein gezinnetje zijn intrek in het leegstaande Boesdijkhof.
Het ging om een man, zijn vrouw en hun dochtertje.
Zij waren afkomstig uit Lanaken en schuwden alle contact met de plaatselijk bevolking.
De man vertrok elke morgen met de tram richting Turnhout, keerde elke avond met de tram weer huiswaarts.


Zicht op de voorkant van de gebouwen.
Achter het kleine voorbouwtje (links) bevond zich de hoofdingang.
De notenboom is te zien in zijn volle glorie.

Hij liet zich doorgaan als ‘de heer Dubois’.
Op een dag, vlak na de oorlog, doken in de Boesdijkstraat gewapende weerstanders op.
Zij spoedden zich naar het Boesdijkhof en omsingelden het domein, drongen vervolgens door tot aan de woning.
Er werden bevelen en bedreigingen geschreeuwd en toen een van de weerstanders enkele mitrailletteschoten afvuurde, kwam de heer Dubois, met de handen op het hoofd, naar buiten.
Hij werd onder wapenbedreiging meegevoerd door de Boesdijkstraat, richting Turnhoutsebaan.
Later bleek de naam Dubois een schuilnaam te zijn.
Hij was een levensgevaarlijke ‘zwarte’ en handlanger van de Duitse Feldgendarmen.
Hij wilde met zijn gezin onderduiken in Retie.
Zijn duivelswerk bestond erin om ondergedoken werkweigeraars op te sporen en over te dragen aan de Feldgendarmen.
Hij had de naam driester en meedogenlozer te zijn dan de Duitsers zelf.
De heer ‘Dubois’ werd naar Turnhout gevoerd, waar hij na drie weken arrest werd gefusilleerd.
De vrouw en het kind verlieten kort daarop het dorp.

Na de oorlog woonden nog enkele Retiese gezinnen tijdelijk op het Boesdijkhof, o.a. de familie Karel en Angèle Haest-Rommes, de familie Karel en Zefa Janssens-Hoskens...
Vervolgens nam de YWCA de draad weer op en werd het Boesdijkhof opnieuw een rust-en herstellingsoord.
Er werden in die jaren ook Retiese mensen tewerkgesteld op het Boesdijkhof.


'Le grand salon' staat er op de postkaart uit 1953.
Er was al centrale verwarming.
Een aardig vertrekje, dat gezelligheid en rust uitstraalt.

Als huishoudhulp werkten er o.a. Anna Vosters, Anna en Irène Adriaensen.
Jef Slegers (de suisse) ‘soigneerde’ er de chauffage.
Er werd ook vaak een beroep gedaan op boerderij Den Dries.
Voor en tijdens de oorlogsjaren werden er vlees, zuivelproducten, groenten, aardappelen enz. gehaald, na de oorlog vooral groenten en aardappelen.
Er was zelfs een paadje van het Boesdijkhof naar de binnenhof van de boerderij.

Cupido, het Romeinse liefdesboogschuttertje, richtte ook al eens zijn pijlen van of naar het Boesdijkhof.
En zoals dat gaat, daar kwamen soms ‘vrijages’ van.
Zo leerde o.a. Charel Aerts, zoon van de boer uit Den Dries, zijn toekomstige bruid kennen op het Boesdijkhof.
De jongste zoon van inspecteur Sneyers, Edward jr., ontmoette er Elfrida Van Damme, een meisje uit Gent, met wie hij later trouwde.
Ook Nicole Dubois uit het verre Blankenberge, zou tijdens haar verblijf op het Boesdijkhof haar hart verliezen aan ons geliefde Retie, later aan Staf Adriaensen.

In mijn kindertijd, begin jaren zestig, leek het Boesdijkhof iets uit een andere, vreemde wereld.
Er hing een zonderling en raadselachtig aura omheen en lag besloten in een natuurlijke ongenaakbaarheid die voor ons zo vanzelfsprekend was.
Je stapte niet zomaar binnen op het Boesdijkhof.
Vooreerst was er die hoge, witte omheiningsmuur met daarin een al even hoge, afgesloten poort.
Vlak naast de grote poort stond een haag - overwegend een groene beukenhaag, hier en daar doorvlamd met wat rode beuk en aan de kant van de Arendonksesteenweg gedeeltelijk met meidoorn - die verder heel het domein omsloot tot aan het kleine poortje aan het kerkpad (richting boerderij Den Dries).


Het eetzaaltje.
Gezellige, ronde tafeltjes op een fraaie dambordvloer.
Het vitrinekastje achteraan werd ooit gebr uikt als bibliotheekkast.

Vanop de bovenverdieping van mijn ouderhuis kon je, over de muur heen, het grootste gedeelte van het Boesdijkhof overschouwen.
Je zag er de oude, scheve notelaar met zijn knoestige stam en kruin, vlak voor het gebouw.
Toch slaagde hij erin om elk voorjaar opnieuw in blad te geraken, om elk najaar voor een rijke notenteelt te zorgen.
Links van de poort bevond zich de goed onderhouden moestuin van Willem.
Willem en zijn vrouw Emma waren destijds conciërge op het Boesdijkhof en waren afkomstig van Brasschaat.
Hij beredderde zowat alles in huis en tuin en was altijd doende aan een of ander werk.
Emma nam de zware taak van huisvrouw op zich.
Willem en Emma waren lieve, zachtaardige mensen en als wij toch al eens op het Boesdijkhof kwamen, waren zij de enigen bij wie we ons een beetje comfortabel voelden.
Soms kwamen zij bij ons thuis op bezoek en Willem ging dan in zijn gemoedelijk ‘Aantwaarps’ aan ’t vertellen over alles en nog wat.

Ik heb Willem nooit anders gekend dan met zijn onafscheidelijke alpinopet (Franse pots).
Winter of zomer, Willem droeg ze altijd en ik heb hem er lang van verdacht dat hij ze ook ’s nachts liet opstaan.
Zijn auto in die tijd was een grijs-beige Renault Dauphine en paste aldus perfect bij die alpinopet.
Het Renaultje werd netjes gestald in een kleine, gemetselde garage met een leien zadeldak, aan de andere kant van het domein (richting Arendonksesteenweg), naast de onverwoestbare ijzeren schommel.
Zelf woonden Emma en Willem in het nieuwe gebouw op het Boesdijkhof.


Een postkaart uit 1953.
De ‘hofmadammekes’ verpozen aan de achter kant van het gebouw.
De windwijzer op de nok van het dak is duidelijk te zien.

Naast de moestuin en juist achter de omheiningshaag aan de Boesdijkstraat, stond een rij ‘waaibomen’.
Flink uit de kluiten gewassen populieren, als stoere wachters, stoïcijns in het gelid.
Taxusheesters en allerhande lagere struiken leidden tot aan de hoek van de tuin (richting Arendonksesteenweg).
Daar pronkte een weelderige paardekastanje, naast majestueuze beuken, berken, hulst en wintereiken.
Vanuit die hoek van de tuin, juist naast de omheiningshaag, liep er een lang en recht pad tot op het einde van het domein (richting klooster).
Naast een gedeelte van het pad bevond zich een beukenhaag die netjes parallel liep met de omheiningshaag.
Bovenaan groeiden de twee hagen naar elkaar toe en vormden zo een prieelachtige corridor.
Die leidde naar een hoger gelegen hoek waar tamme kastanjebomen, rode beuken en sierlijke coniferen een schitterend decor vormden.
In dezelfde hoek, op een lager gedeelte, lag ook een niervormige vijver.
Daarnaast, uit een ondoordringbare wal van rhododendrons, overschaduwde een treurwilg het donkere water en zijn lange takkenslierten raakten moeiteloos het wateroppervlak.
De tamme ‘hofeenden’ konden er zorgeloos ronddobberen.
Verder liep het pad in de richting van de woning, naast het grote grasveld, boog dan weer dieper de tuin in en kruiste andere paden.
Ook hier waren er fraaie passages, langs weelderige bloemperken, schaduwrijke priëlen, gevariëerde heesterpartijen, fruit-en andere bomen, bessenstruiken.
Dit alles gaf de tuin de eretitel van ‘lusttuin’ waarin de ‘hofmadammekes’ rustig konden verpozen.

De dametjes van het Boesdijkhof brachten ook wel eens een bezoekje aan ons magazijn.
Ze konden er hun keuze maken uit een assortiment fruit-en groentesoorten.


Een prieelachtige doorgang, gevormd door de omheiningshaag en een parallelle haag.
Bovenaan waren beide hagen met elkaar vergroeid.

Later, toen vader was overgeschakeld op een drankenhandel, werden zorgvuldig de drankjes uitgezocht.
En de dametjes hadden veel tijd, ‘parleerden’ rustig tegen elkaar in ’t Frans, vroegen dan allerlei in een ‘van-Saksen-Coburg-Vlaams’ aan vader.
En vader, die veel minder tijd had, gaf toch tekst en uitleg over biersoorten, limonades enz.
Dan werd er gekocht: eentje investeerde in twee flesjes limonade, een andere in een flesje spuitwater, een volgende in een flesje bier.
Er was één dametje, klein en mager en met een kunstig gebricoleerd haarknotje, dat om de twee dagen twee flesjes Wiels kwam kopen.
Later kwam zij elke dag om die twee flesjes en vader zei dat ‘Madammeke Wiels’ - zo noemden wij haar - er qua gezondheid zienderogen op vooruit ging en schreef dat toe aan de flesjes bier.
Eén ding echter bezorgde mijn vader wel eens een soort van Franse colère.
De hofmadammekes kwamen heel vaak op zondag.
En zondag was een rustdag.
Dat schenen ze absoluut niet te begrijpen, dus liet vader een mooi zwart plaatje met witte letters graveren met de tekst: Zondag gesloten -Fermé le dimanche, en bevestigde dat op de magazijnpoort.
En dat hielp... juist niets!
Toen mijn vader dan, al gekscherend, toch eens vroeg of ze misschien in Brussel niet konden lezen, werd de boodschap toch min of meer begrepen.

Het rust-en herstellingsoord Boesdijkhof werd van langsom succesvoller.
De 27 gastenkamertjes waren meermaals volzet en ooit gebeurde het dat een dame moest overnachten bij onze buren Louis en Celine Van Echelpoel-Kuijpers.
De tijdsduur van het verblijf van de dametjes varieerde nogal.
Sommigen verbleven er enkele maanden, anderen een jaar of nog langer.


In ‘t midden: een gedeelte van een prachtige blauwe spar.
Enkele juffrouwen maken een leuke wandeling.
De wandelpaden waren nergens verhard.


Een fotootje in de tuin, v.l.n.r.: Gaston Belmans (zoon van Frans), zijn vrouw Maria Beyens, dochtertje Hilda en Frans Belmans (Frans van de gas).


In het korenveld achter het Boesdijkhof.
Achteraan tweede van rechts: Nicole Dubois.
Zittend helemaal rechts: juffrouw Michel, waarnemend hospita in de jaren ’50.


Enkelen onder hen zochten een beetje contact met de buren, anderen sloten zich volledig af.
Het feit dat ze vrijwel allemaal Franstalig waren zorgde toch voor een barrière.
Wij zagen ze rustig flaneren, altijd netjes gekleed, vertellend en gesticulerend, zoals het steedse dametjes past.
Ze gingen vaak vanuit het kleine poortje, over het kerkpad, naar de Markt.
Of liepen gearmd door onze straat, goed oplettend om niet in slijk of plas te belanden.
Soms, bij mooi weer, genoten ze van het zonnetje, lagen roerloos in hun ligstoelen op het grote balkon of in de tuin.
Sommigen lazen een boek of krant.
Moeder zei wel eens, als het werk haar te veel werd: ‘Ik ga maar naar ‘hierover’ want daar moet ge precies niks doen.’
Renée, het meisje van de foto, kwam graag bij ons op bezoek.
Ze ontsnapte zo een beetje uit die serieuze, volwassen wereld die voor een jong meisje niet veel te bieden had.
En wij vonden het reuzegeweldig als zij kwam.
Ze sprak wel een beetje ‘aardig’ maar ze kon goed met ons spelen.
Haar familienaam heb ik nooit geweten.

Rond 1966 kwam er een einde aan het rustoord.
De ware reden ervan heb ik (nog) niet kunnen achterhalen.
Feit is dat het Boesdijkhof plots leeg stond.
Alle dames waren weg, Willem en Emma verhuisden terug naar Brasschaat.
En helaas, vanaf dan werd de teloorgang van het Boesdijkhof ingezet.
De tuin verwilderde, de zuivere glans van het ons zo vertrouwde gebouw vervaagde langzaam.
Het geheel maakte stilaan een doffe en verlaten indruk.
Maar voor ons, jonge kinderen, braken er gouden tijden aan.
Al vlug wisten we openingen in de haag en struinden we vrank en vrolijk over het hele domein.
Na een tijdje waren wij heer en meester op het Boesdijkhof.

Nicole Dubois, ?, Anna Vosters en Irène Adriaensen.
Het huis van Pièrre Spooren is te zien op de achtergrond.
Foto uit 1953.


Een ‘kamp’ werd gemaakt boven Willem zijn garage, een crosspiste aangelegd op de wandelpaden, salamanders werden gevangen in de vijver en van vele vogels wisten we de broedplaatsen.
Op de ijzeren schommel haalden we halsbrekende toeren uit en nu nog ben ik hogelijk verbaasd dat daar geen ongelukken gebeurd zijn.

En plots kwam er opnieuw leven op het Boesdijkhof.
België maakte deel uit van een internationaal gasleidingennetwerk en die leidingen werden gelegd door buitenlandse arbeiders.
Maandenlang verbleven er een twintigtal van die arbeiders op het Boesdijkhof.
Voor zover ik me nog kan herinneren, waren het Italianen.
Ze spraken geen woord Nederlands en het was moeilijk om hen te helpen als zij bij ons in de zaak om drank kwamen.
En wat een contrast met de ‘hofmadammekes’!
Die leefden in een serene, bijna devote rust.
Het was muisstil op het Boesdijkhof.
Dan de Italianen!
Met hun zuiders temperament, hun benijdenswaardige ‘joie de vivre’ en exotische drukdoenerij, werd er gelachen, gezongen, gedold en gevoetbald... en geleefd op zijn Italiaans...
De moeders in Retie hielden hun dochters binnen.


Een Renault Dauphine.
Een soor tgelijk wagentje als deze waarmee Willem en Emma in de jaren ’60 over onze wegen ‘gleden’.


In 1968 kocht de gemeente het Boesdijkhof en werd het een recreatieoord.
Er werden verharde sportveldjes en een bescheiden speeltuintje aangelegd.
En dan volgde er een onthutsende beslissing: in 1971 onderging het grote gebouw van het Boesdijkhof hetzelfde lot als de Burcht zeven jaar eerder.
Het werd afgebroken.
Eerbiedwaardige bomen werden geveld, statige hagen gerooid.
Het kleine gebouw van het Boesdijkhof bleef gespaard.
Het werd een conciërgewoning, later kreeg het de bestemming van OCMW-locatie.
Momenteel is er het Rode Kruis in gehuisvest en is het gebouw wat uitgebreid.


...Voor mij op de tafel ligt - raar maar toch waar - een heksenbol.
Zijn kleur is marineblauw, de doorsnede ongeveer 12 cm.
Er is aan de bol een mooi uitgewerkt metalen rozetje voorzien, waaraan een ringetje is bevestigd.
Het is niet zomaar en heksenbol...
Het is een heksenbol van het Boesdijkhof... dus bijzonder mysterieus.
Ooit moest hij heksen en boze geesten afweren en werd hij in de tuin opgehangen.
De heksenbol van het Boesdijkhof stamt uit de tweede helft van de 19de eeuw en is al lang in het bezit van de familie.
Hij wordt gekoesterd als een relikwie.
Als ik hem voorzichtig opneem, zie ik in het diepblauwe spiegelglas de zuivere glans van lang vervlogen jaren, scherp en helder...
Scherp en helder als de vele herinneringen uit mijn kinderjaren, die me vergezellen, al wandelend door de Boesdijkstraat...

Mijn oprechte dank aan deze mensen voor hun onmisbare informatie, hun hartelijke medewerking:
Louis Vanhove, Louis en Celine Van Echelpoel-Kuijpers, Nicole Dubois, Jan Mariën, Mia Spooren, Marcel en Marieke Spooren-Diels, Staf Thijs,
Koen Mertens, Gust Adriaensen, Walter Raeymaekers, Tom Vervecken, Edith en Martine Aarts, Hein Vanhove, Jos Van Looy, Maria Meulemans en Louis Luyten.


Guy Aarts    

Louis Verstraelen
Vic Van Herck
Merten Verstraelen
In de volksmond ‘de vliegers’ genoemd
Vierpuntige ijzers, een tiental centimeter lang, zo geconstrueerd dat er altijd één scherpe punt naar boven is gericht
Jute zakken gevuld met zand
Een collaborateur of zwarthemd, in de volksmond ook wel eens (onjuist) ‘Gestapo’ genoemd
Jonge mannen die door de bezetter verplicht werden om te gaan werken in Duitsland