In 1994 bracht ik verslag uit van een tijdrovende maar boeiende
zoektocht naar het verhaal achter 'dat ene soldatengraf' op het
kerkhof van Retie.
De grafsteen van de Commonwealth War Graves Commission, aan de
rechterrand van onze dodenakker, draagt de naam van Ronald Stephen
Sitch, uit Mountnessing, Essex, Groot-Brittannië.
De St-Gileskerk in Mountnessing
|
|
Ik kwam, per brief, in contact met mensen van Mountnessing, een dorpje ten noordoosten van Londen dat deel uitmaakt van de grotere gemeente Brentwood.
De naam van Ronald Sitch staat er op een eenvoudig oorlogsgedenkteken bij de St-Gileskerk.
Via contacten met de Royal Air Force en de Britse oorlogsarchieven, kon men mij bijkomende informatie over Ronald Sitch bezorgen.
Sergeant Sitch vloog in een Handley Page Halifax Mark II met vliegveld Snaith als basis.
Hij behoorde tot het 51 ste Squadron.
Zijn toestel, met nummer JN 920, was een van de 569 bommenwerpers (322 Lancasters en 247 Halifaxes) die deelnamen aan een raid op Kassel in de nacht van 22 op 23 oktober 1943; 25 Halifaxes en 18 Lancasters keerden niet terug van die missie.
De bemanning van nummer JN 920 werd als vermist opgegeven.
Sergeant Sitch was de radio-operator van de bemanning.
De (Canadese) piloot Sergeant C. Hall, navigator Sergeant G.H. Bermett, rugkoepelschutter Sergeant J.C. Cowie en boordschutter Sergeant T.V. Lewis, liggen begraven op het Antwerpse Schoonselhof.
Bommenrichter E. Parker en boordtechnicus M.S. Williams hebben geen persoonlijk graf: hun namen staan op het Runnymede Memorial voor vermiste soldaten in Egham (halverwege tussen Londen en Reading).
De archieven vermelden dat de zware bommenwerper te pletter stortte in de omgeving van Kasterlee, ten zuiden van Turnhout.
Over Sergeant Sitch kwam ik nog te weten dat hij geboren werd op 31 januari 1922 (hij was dus 21 jaar oud toen hij sneuvelde), en dat hij in dienst trad op 4 juli 1941.
|
|
Ronald Stephen Sitch
|
De meest nabije verwant was een neef, Edward Manning (zijn moeder en Ronalds moeder waren zussen).
Van de overige familieleden was niemand nog in leven: een broer kwam om in een verkeersongeluk (nog voor de oorlog), zijn mentaal gehandicapte zus overleed in een instelling, zijn vader (loodgieter in Mountnessing) overleed eveneens voor de oorlog, en ook zijn moeder en een andere zus waren inmiddels overleden.
Van Edward Manning en zijn echtgenote kreeg ik een ontroerend bedankbriefje.
Zij bevestigden dat zij de enige nog levende verwanten van Ronald Sitch waren.
De inwoners van Mountnessing stuurden mij in november 1992 een klaprooskrans, om op het graf van 'Ronnie' te leggen.
Een Britse leger-enthousiast verrichtte intussen nog wat bijkomend opzoekingswerk.
Hij kwam bijvoorbeeld tot de bevinding dat het bewuste toestel bij het 51ste Squadron afgeleverd was tussen 7 juli en 15 september 1943.
De bommenwerper was dus nog nagelnieuw toen hij crashte.
Van het vroegere vliegveld Snaith, in Zuid-Yorkshire, kreeg ik enkele foto's: vervallen loodsen herinneren daar nog aan de gigantische activiteit die de Royal Air Force in die periode ontplooide.
Ik ging uiteraard ook op zoek naar de plaats van de crash en vond die ook, in Beverdonk, op de grens van Retie en Kasterlee, amper 100 m van de Kleine Nete.
In 1994 schreef ik: 'De bodem is er zeer moerassig en zoeken naar verdere sporen is wellicht zinloos.'
Dat laatste was buiten de Engelse familie Hunt gerekend.
Want op 21 augustus 1998 kreeg ik een telefoontje van Marcel Borghs, lid van de Kastelse heemkundige kring.
Hij had via-via over mijn opzoekingen gehoord en vroeg me of ik zin had om een kijkje te nemen bij de opgraving van het neergestorte toestel in Beverdonk, en wel 's anderendaags!
Natuurlijk wou ik dat.
|
Opgravingen naar de
in Beverdonk neergestorte Halifax
|
|
Ik trof bij de graafwerken in de Beverdonkse Bosdellen verscheidene mensen die ik sindsdien als mijn vrienden beschouw: Marcel Borghs, wiens familie getuige was geweest van de laatste rampzalige ogenblikken van Halifax JN 920, Luc Cox uit ZoerseL die kan bogen op een rijke ervaring wat opzoekingswerk naar gecrashte geallieerde toestellen betreft, en de Britse familie Hunt van de East Surrey Aviation Group (uit Reigate, Surrey), die voor de eerste keer een opgravingsproject ondernam op het Continent. (Op Engelse bodem hadden zij al veel ervaring met dit soort operaties.)
Uit de gegevens die deze mensen intussen verzameld hadden, kon een vrij uitvoerige reconstructie gemaakt worden van de periode die aan de laatste momenten van Sergeant Sitch en zijn strijdmakkers voorafging.
We verplaatsen ons even naar het najaar van 1943.
De luchtmachtbasis Snaith, in Zuid-Yorkshire, gonst van de bedrijvigheid.
Regelmatig arriveren er nieuwe vliegtuigbemanningen.
Op 22 september 1943 komt het volgende groepje jonge mannen aan: Sgt. G.H. Bennett (navigator), Sgt. E. Parker (bommen-richter), Sgt. R.S. Sitch ('wop', wireless operator), Sgt. M.S. Williams (boordtechnicus), Sgt. J.C. Cowie (rugkoepelschutter) en Sgt. W. Jones (boordschutter).
Zij vormen een nieuwe bemanning rond Sgt. CE. Hall, een Canadees.
Clowes Edwin Hall werd geboren op 24 februari 1918 in Fredericton, New Brunswick, Canada.
Hij groeide op tot een sportieve jongeman die al snel gefascineerd raakte door de luchtvaart.
In december 1940 ging hij bij de Royal Canadian Air Force.
Hij kreeg een opleiding tot piloot en kreeg zijn 'wings' in september 1941.
Na dertig dagen verlof ging hij naar Engeland voor een bijkomende opleiding op bommenwerpers.
|
Spoedig werd hij overgeheveld naar de Britse Royal Air Force, waar een nijpend tekort aan piloten heerste.
In mei 1942 vervoegde hij het 51ste squadron.
Tijdens een patrouille slaagden hij en zijn bemanning erin een Duitse onderzeer tot zinken te brengen.
Toen hij op 22 oktober 1943 aan zijn laatste vlucht begon, had hij in totaal 1000 vlieguren achter zijn naam staan.
Sergeant Melville Sidney Williams, de boordtechnicus, was met zijn 29 jaar de oudste aan boord.
Hij was afkomstig uit Newport, in Wales.
Hij was gehuwd met Eva Anne Williams.
Een zoektocht naar zijn persoonlijke geschiedenis leverde totnogtoe geen verdere gegevens op.
Sergeant George Herbert Bennett was de navigator, afkomstig uit Liverpool.
Hij was amper 20 toen hij sneuvelde.
Ook over hem, net zoals over bommenrichter Sergeant Parker (afkomstig uit Londen), konden tot op heden geen nadere gegevens gevonden worden.
Sergeant John Campbell Cowie, rugkoepelschutter, was eveneens 20 jaar oud.
Deze Schot uit Lossiemouth was gehuwd en had een dochtertje, Joan.
Hij ging bij de RAF in 1940.
Zijn broer William diende ook in de RAF en werd boven Duitsland neergeschoten bij het afwerpen van propaganda.
Hij werd krijgsgevangen genomen en keerde in 1945 terug naar Schotland.
John zou na de crash in de Kempen als vermist opgegeven worden. (Zijn graf werd pas ontdekt na de bevrijding van Antwerpen, in september 1944.)
De familie Cowie woont nog steeds in Lossiemouth.
Sergeant Thomas Vardre Lewis was, net zoals Sgt. Williams, een Welshman.
Toen hij getrouwd was, ging Vardre boeren in North Devon.
Hoewel hij als landbouwer niet in het leger hoefde, ging hij zich vrijwillig bij de Royal Air Force melden in 1941.
Eind 1942 begon zijn opleiding als boordschutter.
Als hij zijn familie bezocht, verwijderde hij de insignes van boordschutter van zijn uniform en zei hij dat hij nog in opleiding was.
Anders zouden ze zich te veel zorgen maken.
Op de terugweg naar zijn eenheid naaide hij de kentekens weer op.
Nadat Vardre in Retie sneuvelde, zou de familie meer dan vijftig jaar in het ongewisse blijven over de precieze omstandigheden waarin dat gebeurde. (Zij waren in de waan dat zijn toestel boven Duitsland was neergehaald.)
Pas in 1999 vernamen ze dat het vliegtuig in het noorden van België was neergestort en dat zijn graf zich te Antwerpen bevond.
De periode waarin de crash van Beverdonk plaatsvond, staat in de oorlogsgeschiedenis genoteerd als 'de Slag om Berlijn', omwille van de veelvuldige bombardementen op de Duitse hoofdstad, maar er werden ook vele andere doelwitten op de kaart gemarkeerd.
Op 27 september 1943 wordt het al menens voor de nieuwe crew op de basis Snaith: zij nemen deel aan een aanval op Hannover.
Dan volgen in snel tempo missies naar Bochum (29 september), een mijnenlegoperatie (2 oktober), Kassel (3 oktober), Frankfurt (4 oktober) en Hannover (8 oktober).
Daarna komen er twee weken zonder actie boven vijandelijk gebied.
Een Halifax wordt klaargemaakt voor een volgende missie
|
|
Aan die betrekkelijke rust komt een einde als in de namiddag van 22 oktober 1943 de Halifaxes worden klaargemaakt voor een raid op Kassel.
De crew van Sergeant Hall krijgt Halifax II JN 920, LK-L toegewezen.
De vaste staartschutter Sgt. Jones wordt vervangen door Sgt. T.V. ('Vadre') Lewis.
Terwijl de bemanning aanwezig is bij de briefing, wordt de zware bommenlast in het toestel gehesen.
In de late namiddag kruipen de zeven over het smalle laddertje aan boord van het imposante toestel.
De motoren worden gestart, n na n rollen de bommenwerpers over de runway: het is 17.55 uur.
Voor de laatste keer zet de JN 920 koers naar het Europese vasteland.
De Handley Page Halifax Mark II behoort tot de nieuwe lichting zware bommenwerpers van de RAF. (Hij werd voor het eerst ingezet in maart 1941.)
Het vliegtuig is 21 m lang en heeft een vleugelbreedte van 30 m.
De actieradius bedraagt 1650 km, met een topsnelheid van 455 kilometer per uur.
Negen 7,7 mm-mitrailleurs moeten de bemanning beschermen tegen vijandelijke jachttoestellen zodat het zijn zes ton bommen op de gewenste plaats kan droppen.
Zoals altijd probeert de RAF ook die nacht de Duitsers te misleiden.
Frankfort en Keulen worden door enkele bommenwerpers aangevallen zodat de Luftwaffe in eerste instantie zijn nachtjagers die richting uitstuurt.
En de RAF heeft nog een troef achter de hand.
|
Na een maandenlange voorbereiding wordt de operatie Corona gelanceerd: Duitssprekende RAF-operatoren begeven zich op de frequenties van de Duitse nachtjagerleiding om in te pikken op de gesprekken en zo voldoende verwarring te zaaien om doeltreffende acties tegen Britse bommenwerpers te verhinderen.
Gedeeltelijk slagen ze in hun opzet: de Pathfinders kunnen relatief ongestoord en nauwkeurig hun doelen in Kassel markeren.
Maar als de Britse hoofdmacht boven Belgisch grondgebied is, zijn de Duitsers al grotendeels van de verrassing bekomen.
Bovendien zou een Duits verkenningsvliegtuig de Britse luchtvloot eerder toevallig in het vizier gekregen hebben.
Boven de Antwerpse Kempen breken in elk geval de eerste luchtgevechten uit.
Een van de toestellen die geraakt worden, is de JN 920.
Getroffen door een nachtjager?
Door het luchtafweergeschut dat periodiek in Lichtaart stond opgesteld?
We weten het niet.
Met de vleugeltanks vol brandstof en het ruim vol brandbommen is de bemanning in groot gevaar.
Het toestel staat al in brand als het met bulderend geraas over enkele boerderijen scheert op de grens van Retie en Kasterlee.
Het maakt een bocht richting Kasterlee, verliest stukken onderweg, draait opnieuw de neus richting Retie, dit alles op lage hoogte.
Jeanne Marien was veertien toen zij het brandend vliegtuig als een brullend monster over de boerderij in Beverdonk hoorde razen.
Begin oktober 1999 vertelde ze over het vreselijke voorval.
'Onze va duwde ons terug het huis in toen we naar buiten wilden lopen.
Tweehonderd meter verder boorde de vlieger zich in de grond.
Het vuur was echt huizenhoog.
Onze va zei dat de piloot nog opgetrokken had om niet op ons te vallen.'
De afgelegen pachthoeve, bewoond door Gust en Trien Marien en hun vijf kinderen, was het enige huis in de omgeving.
Ze lag aan een karspoor dat langs velden, weiden en bossen naar de weg Kasterlee-Retie kronkelde.
'Maar de Duitsers waren heel snel ter plaatse' herinnert Jeanne zich, 'want ze hadden een depot aan de steenweg.
Die nacht al was het een weg en weer rijden van legervoertuigen.
We lagen al lang in bed toen we nog explosies hoorden.
's Anderendaags mochten we eventjes gaan kijken.
De week na het gebeuren was dat daar trouwens een processie van kijklustigen.
De plaats waar het vliegtuig viel, was één rokende poel die morgen.
|
|
De Handley Page Halifax
|
Menselijke resten lagen overal verspreid, het was echt een heel akelig gezicht.
De Duitsers kwamen bij ons een grote meelkast opeisen.
Daarin werden de menselijke overblijfselen gelegd.
Vader moest de kist met paard en kar naar de weg Kasterlee-Retie voeren.
Ze lieten hem een hele dag wachten: van in de voormiddag tot 's avonds, Duitse wachtposten ernaast.
Moeder werd ongerust en stuurde mijn broer Karel, toen zestien.
Ook die mocht niet meer weg van de steenweg.
's Avonds werd de kist door een vrachtwagen weggehaald en mochten onze va en onze Karel naar huis.
Ze waren pas op het karspoor toen de wachtposten in hun richting schoten.
Ze doken weg en kropen een eind door de gracht.
Het paard liep alleen naar huis.
Nadien kregen we toch een schadevergoeding voor de kist.
Ik herinner me nog een naam op een Duits document: majoor Rechenbach, Kommandantur, Mortsel, Antwerpen.'
Zijn grafsteen te Retie
|
|
Het lichaam van Ronald Sitch werd in Retie begraven.
Dat was ongewoon, want gesneuvelde geallieerde vliegeniers werden normaal overgebracht naar het speciale kerkhof op Fort III te Borsbeek.
Tot op heden is het me niet volledig duidelijk in welke omstandigheden Ronald Sitch op het Retiese kerkhof terechtkwam.
Ik hoop daarover toch nog uitsluitsel te vinden.
Vier andere bemanningsleden werden gedentificeerd: Hall, Bennett, Cowie en Lewis.
Zij rusten nu op het Schoonselhof te Hoboken.
De twee overigen, Williams en Parker, hebben geen gekend graf.
Hun namen staan op het Runnymede Memorial in Engeland.
Tijdens en na de oorlog werd de plaats nog herhaaldelijk bezocht door schroothandelaren, om er weg te halen wat nog verkoopbaar was.
Maar ook de Duitsers hadden al een aantal grote stukken laten weghalen: verscheidene getuigen uit de omgeving van de Kleine Duinberg vertelden me dat boeren met paard en kar werden opgevorderd om dit transport te doen over de eerste honderden meters, waar de zware legervoertuigen niet konden komen.
Na de oorlog geraakte de plaats van de ramp geleidelijk overwoekerd, en vergeten.
Tot er in 1998 een brief toekwam in de gemeente Kasterlee, van de East Surrey Aviation Group.
Zij waren op zoek naar crash-sites van geallieerde toestellen, om er opgravingen te verrichten.
De brief werd doorgespeeld naar de heemkundige kring en die bracht de Engelsen op de hoogte van de Halifax-crash.
Eind juni 1998 kwam de Hunt-familie voor een eerste verkenning naar Beverdonk. (In hun enthousiasme hadden de mensen van Kasterlee aanvankelijk niet door dat ze, zij het maar net, op Reties grondgebied actief waren.
Daar is nadien ook geen punt van gemaakt, noch vanuit Retie, noch vanuit Kasterlee, en zo hoort het ook in deze, alle grenzen overstijgende, materie.)
Met verschillende types metaaldectectoren peilden de Hunts het terrein af.
Er werden enkele proefputten gemaakt (met toestemming van eigenaar Fons Van Dooren), om te achterhalen waar precies rompsectie, vleugels en motoren gevallen waren.
Al snel bleek dat de rompsectie niet diep in de bodem was doorgedrongen.
Was dit gedeelte volledig opgeruimd?
Of was het geheel vernield bij de inslag?
|
Aan weerszijden werden de vier kraters opgespoord waar de Rolls-Royce Merlin-motoren waren ingeslagen.
Die aan de linkerkant waren ondiep, wat deed vermoeden dat deze motoren reeds eerder waren geborgen.
De kraters rechts waren veel dieper en stonden vol water.
De metaaldetectoren gaven er een sterk signaal.
Zaten hier nog n of twee motoren in de grond?
Er was voldoende reden om een bergingsoperatie te verantwoorden, meenden de Hunts.
De nodige afspraken werden gemaakt.
Op 22 augustus, een regenachtige zaterdag, was het zover.
De firma Karel Boonen gaf een kraan met machinist ter beschikking, dankzij de bemiddeling van Marcel Borghs, en zo kon het werk betrekkelijk snel uitgevoerd worden.
De ondiepe kraters werden eerst onderzocht.
De eerste leverde niets op, de tweede wel.
Op een diepte van twee meter stootte de kraan op een eerste groot stuk: een stroomgenerator van 24 volt.
Iets dieper werd ook de propeller-hub gevonden, waarvan de (houten) propellerbladen afgebroken waren.
Van de rest van de motor kwamen enkele kleine carterresten naar boven.
De verwachtingen waren hooggespannen bij het onderzoek van de middensectie.
Laag voor laag werd door de bedreven kraanman afgeschraapt, en verscheidene zwartgeblakerde voorwerpen kwamen boven, onder andere een aantal eivormige persluchtreservoirs en het reddingsbijltje dat elk toestel aan boord had.
Heel weinig stukken beplating en geen resten van instrumenten: het cockpitgedeelte moest al eerder opgeruimd zijn.
Menselijke resten werden niet teruggevonden, ook geen stukken van persoonlijke uitrusting zoals bijvoorbeeld parachutehaken.
De eerste diepe krater was aan de beurt.
Geel rubber komt te voorschijn.
Een reddingsvest?
Nee, het is de dinghy, de reddingsboot.
Hij kan voor een groot gedeelte gerecupereerd worden.
Vreemd toch, want hij hoort in de andere vleugel te zitten, waar net gegraven is.
Bovendien zitten er geen resten van vleugelbeplating omheen.
We kunnen alleen maar besluiten dat iemand na eerdere bergingswerken de rubberboot terug in de put gegooid heeft.
Dieper graven.
Door olie verkleurde grond.
Dan steekt er ineens een poot van het landingsgestel naar omhoog.
Er hangt nog een hydraulische piston aan vast.
Daar zijn de eerste cilinders met enkele tandwielen.
Nog dieper graven, maar zonder veel resultaat.
Al wat er rest van een motor van 750 kg kan makkelijk in een kruiwagen.
Aandacht voor de laatste krater.
Na diep graven komt een stuk vuurwerende plaat naar boven.
Die bevond zich normaal achter de motor.
Dan een stuk dynamo, tandwielen, carterstukken: ook deze motor is volledig uiteengeslagen.
Het doorwoelen van de opgegraven modder levert nog enkele mooie stukjes op, zoals een koperen kenplaatje van Rolls-Royce en heel wat kogels.
Hoewel er weinig grote onderdelen konden gerecupereerd worden, is het bergingsteam tevreden: er is heel wat interessant materiaal gevonden, de moeite van het oppoetsen waard.
Alles wordt in een vrachtwagen geladen om in het atelier van de Hunts behandeld te worden.
Alleen de gevonden fosforbommen (die bij contact met de lucht onmiddellijk een lichte rook begonnen af te scheiden) werden ter plaatse opnieuw begraven.
Vermelden we dat intussen ook de brandweer van Kasterlee nog zijn steentje had bijgedragen, door het wegpompen van het snel wassende water in de gegraven kuilen.
Monument ter
herinnering aan de gesneuvelden
|
|
De East Surrey Aviation Group zou de gevonden restanten dus weer herkenbaar maken en het resultaat van hun poetswerk in 1999 tonen aan de plaatselijke bevolking.
Zij stonden erop dat er ook een gedenkteken zou opgericht worden ter nagedachtenis van de omgekomen bemanning.
Alweer namen de Hunts hier een belangrijk deel van de kosten voor hun persoonlijke rekening.
Op zaterdag 23 oktober 1999, 56 jaar na de crash, werd het einde van Halifax JN 920 en zijn onfortuinlijke bemanning officieel herdacht.
De East Surrey Aviation Group had op de weergevonden resten van de bommenwerper verbluffend poetswerk verricht.
Op de bovenverdieping van De Bospaddestoel (op amper 200 m van de crash-site) werden tientallen onderdelen uitgestald, voorzien van deskundig commentaar.
Ook de bijdragen over de bemanningsleden (inclusief foto's) waren ronduit prachtig weergegeven.
Een videoregistratie van de opgravingswerken en ander authentiek beeldmateriaal dat ter plaatse kon bekeken worden, lieten de bezoeker toe zich onder te dompelen in de realiteit van het gebeuren.
Jammer dat de tentoonstelling niet langer dan enkele dagen in Retie kon blijven, maar na al het belangeloos gepresteerde werk (en de investeringen) van de Hunts konden we bezwaarlijk verlangen dat ze nog eens een extra overtocht zouden moeten inlassen.
De plechtigheid op de plaats van de ramp was sober, sereen en menselijk.
Twee van de betrokken families waren uit Groot-Brittanni overgekomen: de familie Lewis uit Wales, en de Cowies uit Schotland.
Luc Cox en de Hunts begeleidden hen naar de laatste rustplaats van hun gesneuvelde verwanten.
Het was, over die tijdsspanne van een halve eeuw heen, een diepgaande ervaring om met deze mensen van gedachten te wisselen over hun omgekomen familielid.
Opeens werden de namen op de koperen plaat mensen van vlees en bloed, jonge mensen met een toekomst die abrupt werd afgeknakt in onze Kempense grond.
Ik ben blij dat die steen daar staat, in Beverdonk.
|
Willy Thijs
Met dank aan Luc Cox, Marcel Borghs, de Hunt-family, Jeanne Marien, en
alle Retienaren die ik mocht lastigvallen met vragen over die donkere
dagen in 1943.
Naschrift:
Eind 1999 stuurde ik nog een brief naar Mountnessing, om verslag uit
te brengen van de herdenkingsplechtigheid in Beverdonk, ten gerieve
van Rormie Sitch's dorpsgenoten.
Ik sloot ook enkele foto's in van het gebeuren.
Op 15 januari 2000 kreeg ik antwoord van Richard Allen, voorzitter van
de parochieraad.
Hij drukte daarin zijn dank uit en gaf te kennen dat er een artikel
zou volgen in het plaatselijke parochieblad.
Tot zijn spijt moest hij melden dat Ronalds neef Edward Manning
intussen overleden is.