Retienaren in de kijker...

Vele van de ietwat oudere Retienaren hebben nog op haar schoot gezeten en in haar armen gelegen.
En in tegenstelling met wat men zou kunnen verwachten: daar is niks mis mee!
Integendeel…

We hebben het hier over Anna Schellekens, ‘Anna van de smèd’.
Van 1928 tot 1958 stond zij ontelbare moeders bij tijdens hun bevallingen.
Na de geboorte verzorgde zij dagenlang de boreling op haar schoot, en zo vlug als mogelijk voerde zij het kindje, stevig ingebusseld en verborgen in haar armen, naar het doopsel in de kerk.

Anna was de eerste gediplomeerde vroedvrouw in Retie.
In 1928 al studeerde zij af, in 1958 stopte zij met haar beroep.
Zij was toen vijftig: het zware werk begon door te wegen, bovendien bevielen de vrouwen van langsom meer in het ziekenhuis.

Honderd jaar geleden werd Anna geboren.
Daarom stellen we haar eventjes in de kijker.
En wie beter dan dochter Bernadette kan ons over haar vertellen.
Bernadette heeft de vele herinneringen aan haar moeder steeds diep in zich gekoesterd en met terechte fierheid vertelt ze erover.
Naar best vermogen hebben wij haar relaas opgetekend en weergegeven…

Familiale gegevens

Anna (1908-1993) was een van de drie kinderen van Jef Schellekens (1876-1959), gehuwd in 1906 met Roos Dausi (1877-1966).
Jef was dorpssmid en zelf een zoon van een hoefsmid, tevens herbergier van café ‘ ’t Hoefijzer’.
Lange tijd woonden zij in de Sint-Martinusstraat.
Anna en Eugeen woonden eerst in een van de huizen van dokter Mathé, Steenweg op Postel (Kloosterstraat), daarna, tot 1938, boven op kamers bij Karel Conderaerts op de Molsebaan (nu Sint-Martinusstraat 82) en nog later, tot 1944, op de Steenweg op Postel (nu Kloosterstraat 4).
Daarna verhuisden zij definitief naar het ouderlijk huis in de Sint-Martinusstraat.

Anna Schellekens.


Anna’s zuster Julia (°1913 ) was eveneens vroedvrouw en is nog in leven.
Zij verblijft nu in het rusthuis ’t Hemelrijk (Balen), met zicht op het kerkhof…
Een toepasselijke naam!?

In 1935 huwde Anna met Eugeen Cools (1912-2000), die later de smidse overnam.
Zij kregen vier kinderen: Alois (°1938), Bernadette (°1943) en Maria (°1945).
Het oudste kindje, Rosa (°1936), leefde amper een jaar.

De ‘baker’

Een baker (baakster) is volgens het woordenboek een ‘verzorgster van een pasgeboren kind en van de kraamvrouw’.
In de volksmond spreekt men over ‘bakel’.
Mogelijk omdat het gemakkelijker uit te spreken is.
De bakers leverden zeer verdienstelijk werk, dat meestal heel wat ruimer was dan de omschrijving laat uitschijnen.
Zij waren niet alleen kinderverzorgster, maar ook familiehelpster ‘avant la lettre’.
Tijdens de zwangerschap kwamen zij wel eens langs en stonden ze de jonge moeder bij met raad en daad.
‘Zij hadden een ruim en goed hart, waar de jonge ouders zich in die tijd konden aan toevertrouwen.’
René Stappaerts omschrijft ze als: ‘Erg toegewijd en dag en nacht paraat.’

De bakers genoten toen nog geen medische opleiding, meestal hadden zij wel zelf kinderen en daardoor ook een ruime levenservaring.
Ook plaatselijke huisartsen stonden hen soms bij met op de praktijk gerichte raadgevingen.
In Retie waren er in het verleden meerdere bakers.
We denken hier aan To Mathé (Anna Catharina Renaerts, echtgenote Aarts), zo genoemd omdat zij dokter Mathé vaak vergezelde bij bevallingsbezoeken, en op die manier het ‘vak’ had geleerd.
En verder aan Maria ‘Mie’ Deckx (echtgenote Van Camp), die in het begin van de 20ste eeuw in de Sint-Martinusstraat woonde.
En aan To van Fikske (Catharina M. Peeters; 4-9-1873 tot 28-1-1951), die gehuwd was met veldwachter Victor Melis.
Allicht zijn er nog andere geweest, want buurvrouwen waren in de loop der tijden zeer actief betrokken bij de hulpverlening tijdens geboortes…
We vermelden hier ook Maria-Theresia Seuntjes (Retie, 1-5-1874 – Kasterlee, 6-6-1961).
Na haar huwelijk met klompenmaker Josephus Meyen woonde ze in Kasterlee, waar ze voor de Tweede Wereldoorlog actief was als bakel.
In Kasterlee was ze goed gekend: ‘Ze werd Treske genoemd, omwille van haar kleine gestalte.

Het ouderlijk huis in de Sint-Martinusstraat.
V.l.n.r.: Roos Dausy, Jef Schellekens, hun dochters Marie en Julia
en Jef Adriaensen alias Jef van Gieleken uit Werbeek.
Jef was knecht in de smidse en leerde er de stiel.

Treske was invalide, ze was namelijk geboren met een misvormde voet.
Daardoor maakte ze veel gebruik van de tram om zich te verplaatsen.
Treske neemt een intermediaire plaats in tussen bakel en vroedvrouw.
Hoewel de titel “vroedvrouw” slechts van 1924 dateert, had zij daarvoor al wel een cursus gevolgd.’ (Frank Van Laer)
De baker vervulde een voorname rol in de maatschappij en een geboorte was een belangrijke gebeurtenis.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat het woordje ‘baker’ in het taalgebruik nog veel is terug te vinden.
Enkele voorbeelden:
- bakeren: een pasgeboren kind verzorgen, inzonderheid door het warm te houden, koesteren
- bakernaam: brabbelwoord dat later als naam in gebruik blijft (b.v. mee-mee voor grootmoeder)
- bakerpraatje: beuzelpraat, maar ook kwaadsprekerij (minder mooie commentaar kwam er wel eens los nadat het kind ‘getoond’ was)
- bakermat: platte, lage biezen stoel of mand met een hoge rug voor de baker, als zij het op haar schoot liggende kind bakerde (in overdrachtelijke zin ook: geboorteplaats, plaats van oorsprong)
- bakerspeld: grote veiligheidsspeld (gebruikt omde doeken rond het kindje vast te maken)
- bakerrijm: rijmpje dat door de baker aan kinderen werd voorgezongen.

De vroedvrouw (verloskundige)

Volgens het woordenboek is een vroedvrouw ‘een in de praktische verloskunde bedreven vrouw’.
Hiertoe genoot zij een medische opleiding, zowel op het theoretische vlak als wat de praktijk betreft.
De mensen in het dorp maakten niet direct het onderscheid met de (vroegere) bakels en zo werd de vroedvrouw ook nog lange tijd bakel genoemd.

Van in het begin der schepping zijn er altijd vrouwen geweest die de barende in haar weeën hebben bijgestaan.
Zo hadden de Grieken al enige voorschriften omtrent de hulp bij de baring.
Als er een kind geboren werd, moest de kraamvrouw worden bijgestaan door ‘vier bedaagde en vroede vrouwen met kortgeknipte nagels’.
Tot de 17de eeuw was de vroedvrouw iemand die in de praktijk ‘wijs’ was geworden, zonder enige theoretische kennis.
Vaak ging dit werk ook over van moeder op dochter.
Directe praktijkervaring – niet of nauwelijks onderbouwd door enige theoretische kennis – werd hun door de eeuwen heen bijgebracht door de huisartsen van het dorp.

Pas eind 1884 werd in België een Koninklijk Besluit (KB) goedgekeurd aangaande de organisatie van de studie voor vroedvrouwen.
Dat hield toen nog niet veel in.
Pas in 1924 volgde een nieuw KB, tot instelling van het diploma en van de erkende titel van vroedvrouw-bezoekster.
De duur van de studies werd toen vastgelegd op twee jaar.
Die regeling werd in latere stadia in een snel tempo aangepast en uitgebreid met allerlei nieuwe regeringsbeslissingen en KB’s.
Zeker in steden was de vroedvrouw indertijd een gerespecteerd iemand.
Zo lezen we over Nederlandse toestanden: ‘Voor zij haar ambt mocht uitoefenen, werd zij beëdigd.
Zij genoot een gemeente-uitkering, woonde in een stadswoning en werd bevoorrecht met privileges als vrijdom van bieraccijns, later van koffie- en theeaccijnzen.
Zij had tevens een naambordje aan de deur.’
De woning van de vroedvrouw was te herkennen aan een uithangbord.
Dat was tevens de officiële vergunning voor de uitoefening van het ambt van vroedvrouw.
Daar stond haar naam op en de wijk waar ze haar ambt mocht uitoefenen, vaak eveneens een afbeelding van haar beroep, zoals een spuit of een kraamstoel, soms ook een versje dat het beroep moest verduidelijken.
In de aard van ‘Door Godes wil wordt alles geschapen.
Ik help benaude sonder wapen’.
Of nog, een beetje platter, maar zeer beeldend: ‘Hier woont Trijntje de vroedmoer wel bekend, Die ’t wroeten in duistere plaatsen is gewend.’
Ten huize Cools-Schellekens hing er geen naambordje of uithangbord aan de voorgevel.
Wel hing er in de gang van het huis een klepelbel, die vanaf de voordeur kon worden bediend door de klanten.
En een bel aan huis was in die tijd ook al iets uitzonderlijks…

De opleiding


Een illustratie van het strenge internaatsleven; Anna staat links.

Anna was amper 18 jaar, toen zij naar de Clinique Maternelle in de Pieter van Hobokenstraat in Antwerpen trok.
Met tram en trein, gepakt en gezakt en met een kop vol vraagtekens.
Wat zou die nieuwe wereld haar brengen?
Het was geenszins haar eigen beslissing, neen, vader en moeder hadden het voor haar besloten.
Eigenlijk was ze geenszins voorbereid op een dergelijk ‘avontuur’: de eerste dag al moest zij aanwezig zijn bij een bevalling; de nageboorte moest ze gaan verbranden in de verwarmingsketels in de kelder.
Terwijl ze zelf nauwelijks op de hoogte was van heel dat gebeuren, in die periode nog een en al taboe…
’s Avonds had ze daarom een lang gesprek met de verantwoordelijke non.
Zo was Anna ineens ‘in- en voorgelicht’.
De instelling werd geleid door Franstalige nonnen.
De meeste ‘klanten’ waren eveneens Franstalig, van rijke ‘origine’.
Ze werden verlost en verzorgd door gelijktalige zusters.
’s Nachts moesten de leerlingen de wacht houden bij die Franstalige klanten.
De Nederlandstalige moeders werden tijdens de bevalling bijgestaan door een Vlaamse non en de leerlingen.
Nachtelijke bewaking was voor hen niet voorzien…
Het internaatsleven was uitermate zwaar, zoals het hoorde in die tijd.
Opstaan om 6.45 uur, kamer poetsen en daarna de mis.
De lessen hadden plaats van 10 tot 12 en van 14 tot 16 uur.
Daarna en tussendoor moesten de baby’s worden verzorgd (een taak voor de leerlingen van het eerste jaar) evenals de moeders (een taak voor de leerlingen van het tweede jaar).
Per beurtrol moesten de leerlingen tevens waken bij de Franstalige moeders; voor de Vlaamse was dit niet voorzien.
En er waren in totaal maar twaalf leerlingen, zes per jaar.

Om de zeven weken ongeveer gingen de leerlingen in weekend, tenminste in wat toen als weekend werd beschouwd: van zaterdag tot zondagavond.
De grote vakantie omvatte welgeteld één volle week…

Op 1 oktober 1928 studeerde Anna af.
Haar vijf jaar jongere zuster Julia zou het haar nadoen in 1933.

Anna kreeg vier kinderen.
Tijdens haar bevallingsverloven nam haar zuster wel eens de dienst over…
Later kwam er in Retie als vroedvrouw ook nog Virginie Lenaerts ( Balen 20-8-1919 – Geel 2-7-2003).
Zij was de echtgenote van Jos Slegers, houthandelaar in de Kasteelstraat.

Loopbaan

Kinderrijkdom werd vroeger als een zegen beschouwd, zeker op het platteland.
En ‘wordt hun wensch niet spoedig genoeg verwezenlijkt, dan ondernemen ze bedevaarten, om van den Hemel te bekomen, wat ze natuurlijkerwijze half wanhopen te verkrijgen’. (A. De Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen).
Er waren tal van bedevaartplaatsen, ook voor allerlei andere zaken, zoals voor een goed verloop van de zwangerschap, voor een mooi kind enz.
Kinderloosheid werd ervaren als een onheil.
Daarom beloofden kinderloze vrouwen een offergift aan de kerk, opdat hun echt zou gezegend worden.
Grote gezinnen, met tien kinderen en meer, waren helemaal geen uitzondering.

Anna was fulltime vroedvrouw, zonder onderbreking van 1928 tot 1958, dertig jaar lang.
En dit zeven dagen per week, en bij wijze van spreken dag en nacht.
De verplaatsingen gebeurden te voet of per fiets, niet alleen in Retie, maar ook tot Kasterlee, Postel, Dessel en Schoonbroek (toen nog bij Oud-Turnhout).
Ook bij nacht en ontij, over besneeuwde en beijzelde wegeltjes en karsporen.
Fietsen was er vaak onmogelijk!
Zo kon het gebeuren dat ze bijna een ganse dag onderweg was voor een bevalling…
Door de jaren heen werd zij een ervaren en bekwame fietsster.
Al die tijd had zij slechts één accidentje: een botsing met een dronkenlap, ’s avonds op de terugweg vanuit Schoonbroek.
Haar vader verweet haar bij thuiskomst dan nog dat ze de ‘veloplaat’ van de schuldige niet had genoteerd…
De laatste drie jaren deed zij haar verplaatsingen met een Solexbrommertje, een grote vooruitgang.
En ’s zondags vervoerde haar vader haar soms met paard en kar, die hij op de rustdag ontleende van zijn broer Sus, die tijdens de weekdagen het dorp rondtoerde met groenten en fruit.

Tijdens de oorlogsjaren kreeg zij van de Duitse bezetters een bewijs om Brug 2 over te steken, als zij in Postel moest zijn.
Kanaal en brug waren immers van strategisch belang tijdens de oorlogsjaren.
Maar ook ’s avonds kon men niet overal zomaar rondlopen zonder een bewijs.
Zo werd ze, op een avond tijdens haar ronde, eens opgepakt en – omdat ze haar bewijs niet bij zich droeg – voor verhoor meegenomen naar hotel ‘De Keizer’, waar de Duitsers – een begrijpelijke keuze – een soort bureel hadden.
De uitbaatsters Lisa en Ginette hebben toen met handen en voeten, en in Reties Duits, de situatie trachten te klaren.
De netelige situatie werd slechts na veel discussie uitgeklaard, nadat haar man en het bewuste bewijs er waren bijgehaald…
Al die jaren was Anna te zien in hetzelfde uniform: donkerblauwe jas met daaronder de witte voorschoot, en steeds de kap op het hoofd.
Daar stond zij op.
Zij moest ook streng kunnen zijn.
Tegenover de mannen, met wie in die momenten meestal niet veel was aan te vangen, maar ook voor de moeders, die het niet altijd zo nauw namen met de noodzakelijke rust en de hygiëne.
Zo gebeurde het eens dat ze daags na de geboorte terugkwam in Werbeek: het kindje lag niet meer in de wieg en bleek ‘onvindbaar’.
Grote vraagtekens!
Vader was niet thuis; moeder wist van niets.
Gelukkig bleek later dat de broertjes en zusjes ermee bij de geburen zaten, fier om het te laten zien…
Of die andere keer, bij de geboorte van een zigeunerkind (de zigeuners stonden toen met hun woonwagens tijdelijk op het Schijf).

Duits attest als vrijgeleide voor Anna Schellekens tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De vriend van de moeder – haar man zat nog in ’t gevang – wilde het kind absoluut op zijn naam krijgen.
Maar wettelijk gezien ging dat niet zomaar, zeker niet op de burgerlijke stand van de gemeente.
Ook bij de pastoor tijdens de doop begon hieromtrent dezelfde discussie… tot die de naam meegaf van de vrouw.

Verloop der dingen

De baker werd ‘besteld’, zo ongeveer tussen de zevende en de achtste maand van de zwangerschap.
Als het een paar maanden later dan zover was, werd Anna opgehaald om de bevalling te komen doen.
Aan het halen van de baker was – zoals toentertijd voor veel zaken – nogal wat bijgeloof verbonden.
In belangrijke gebeurtenissen reikte het volksgeloof immers zeer ver: ‘van het krasse, oversluierende bijgeloof tot in het door het volk, diep beleden christelijk geloof’.
Zo sprak men van ‘het op de kater letten’.
Dat hield in dat de buren met twee gingen, waarvan een gewapend met een dikke stok, om de zwarte kat (heks) te verjagen.
De boze geesten waren er immers op uit om bij gewichtige gebeurtenissen van het leven, hun ‘kwade hand’ te doen gelden.
En met twee was men toch sterker…
Als dan de buren vertrokken zijn, wordt de gewijde kaars ontstoken, voor het beeld van – er was nogal wat keuze – van O.L.Vrouw of de H. Anna of Rita.
Als de kaars brandt met stille, rustige vlam, aanziet men zulks als een voorteken van gelukkige afloop
.

De tas met alle gerief voor de bevalling stond bij Anna altijd pakkensgereed.
Volgend ‘werkgerief ’ droeg zij steeds met zich mee: stethoscoop, tangen en scharen om de navelstreng door te knippen, spuitjes, canule voor schedespoeling en lavementen, en handschoenen.
Dat laatste waren de mensen oorspronkelijk zeker niet gewoon, zodat er verteld werd: ‘Die van de smid heeft het hoog in haar kop, want die werkt met handschoenen aan.’
De bevalling vond meestal thuis plaats, in de ‘geheimzinnige’ kamer, goed afgesloten voor nieuwsgierige blikken, een geboorte in het ziekenhuis was zeer uitzonderlijk.
De dokter werd er slechts bijgehaald in ‘moeilijke’ gevallen of als het dreigde verkeerd te lopen.
Het goede verloop werd overgelaten aan de vertrouwde ‘bakel’.

Meestal stond Anna er helemaal alleen voor.
De bevalling gebeurde in bed, later op de keukentafel; daar was het toch iets warmer…
Zo vlug mogelijk na de geboorte, meestal reeds ’s anderendaags, trok de baker met het ingebusselde kind naar de kerk voor het doopsel.
Zij werd vergezeld door de vader, peter en meter, soms ook verwanten of geburen, als een bonte stoet.
Op de terugweg werden alle café’s aangedaan, en in die tijd waren er nogal wat!
Zo werd het wel eens een ‘zatte processie’.
Voor het kind werd de fles meegenomen, en bij thuiskomst werden de suikerbollen uit het ingebusselde kind geschud.
Zo kwam Anna soms pas tussen 20 en 21 uur thuis, doodop en als het ware zonder armen.
Maar toch beter zo, dan die keer dat ze niet mee kon en de kleine boreling ‘vergeten’ werd achtergelaten in een van de laatste cafés…

De peter of de meter bepaalde meestal de naam van het kind.
Die stemde vaak niet overeen met de wens van de ouders.
Veel kinderen hadden daarom meerdere namen en werden aangesproken met de tweede of derde naam.

Vooraf kwam de baker het kind ‘inbusselen’.
Dit gebeurde zeer vakkundig, zoals we lezen in een folkloristische studie van de provincie Antwerpen: ‘Eerst speldt ze rondom het buikje een navelband (nagelbandje zeggen de mensen), wikkelt daarna het wichtje in een flanellen doek, driehoekig (voor jongens) of vierkantig (voor meisjes) gevouwen, trekt die tussen de beentjes, draait den doek dan om de beentjes en slaat hem om de voetjes, zodat het kind, derwijze ingeduffeld, op een pak gelijkt.
Een hemdje, een zogenaamd apenjaksken, een slaaplijfje en een halsdoekje, opdat het kindje het hoofdje zou recht houden, voltooien de uitrusting.’

De moeder moest na de bevalling negen dagen in bed blijven.
‘De negende dag na de bevalling werd als gevaarlijk aangezien: wie die dag niet voorzichtig is, stelt zich bloot aan de ergste gevolgen.
De moeder zal niet aarzelen van het bed te verlaten na de derden of vierden dag.
Maar den negenden dag kruipt ze terug onder de lakens.
Op dien dag immers sluit zich het moederbed en komt alles terug op zijn plaats.’
Al die dagen kwam Anna langs om moeder en kind te verzorgen: rond de Markt tweemaal per dag; verderop, op de gehuchten, alleen maar ’s morgens.
’s Avonds namen de buurvrouwen op de gehuchten haar taak over.


Allemaal mooi uitgedost voor de kerkgang.

De kerkgang vond meestal plaats de tiende dag na de bevalling.
Het is het eerste bezoek dat de vrouw na haar bevalling aan de kerk brengt.
De vroedvrouw komt dan ten huize van de moeder, om samen naar de kerk te gaan.
Dit gebeurt ’s morgen vroeg en over ’t algemeen te voet.
Soms spreekt men nu nog over een ‘belegen kerkgang’, als men wil aanduiden dat iets redelijk ver is.
In grote lijnen verloopt de kerkgang in de kerk volgens het gewone ceremonieel: ‘De baker draagt het kind, de moeder houdt een brandende kaars in de hand en laat zich door de priester zegenen.
Een misdienaar laat de vrouw de canon (kerkelijk boek) kussen – en ze moest dan eigenlijk wat geld in den boek schuiven – en ontvangt uit haar hand een fooitje
.’
Bij het binnenkomen in de kerk moest men een voldoend aantal rijen van het altaar verwijderd plaatsnemen…
In Retie gingen de gehuwde buurvrouwen mee naar de kerk en ten offer.
Na de kerkgang ging het ganse gezelschap – de meest begoeden alleszins – koffiedrinken bij Roos van de smed, of bij Van Reusel of bij Verellen op de Markt.
Volgens de religie was de kerkgang noodzakelijk, omdat de vrouw, onrein geworden door de bevalling, terug moest gezuiverd worden.
Dit werd in de volksmond als volgt omschreven: ‘De vrouw mag niet buiten alvorens over het karspoor te hebben gelopen.’
M.a.w. ze mocht niet in het publiek verschijnen.
Deze gewoonte is na de jaren 1960 in onbruik geraakt.
Dat ganse ‘dienstenpakket’ kostte in 1928 80 frank (2 euro!); dertig jaar later, in 1958, bedroeg dit 800 frank.
Voor enkele ‘gegoeden’ rond de Markt was hierin ook begrepen het ronddragen van de suikerbonen bij geburen en nabije kennissen.
Maar dat liet Anna meestal over aan haar kinderen.
Per uur gerekend bleef dit een zeer geringe verloning…
Soms was zij daarvoor uren onderweg, ook tijdens donkere nachten en bij weer en wind.
Het aantal bevallingen kon oplopen tot 100 per jaar.
Zo had ze eens op een zondag negen verzorgingsplaatsen aan te doen…
Aardig lijkt ons hier te verwijzen naar de verloning die door de geneesheren werd aangerekend.
De onkosten voor de bevalling werden door het Kempisch Geneeskundig Syndicaat vastgelegd op 12 februari 1928.
Het tarief voor een doktersbezoek aan huis was 20 frank of 25 frank, naargelang de plaats van bezoek gelegen was binnen of buiten de dorpskern.
De assistentie bij een gewoon kinderbed bedroeg 250 frank; voor een ingewikkeld kinderbed 300 frank.
Voor bijkomende ‘inspuitingen of kleine operatiën’ golden afzonderlijke tarieven.
Er werd ook uitdrukkelijk vermeld dat ‘deze tarieven moeten aanzien worden als zijnde de uiterste minimum voor min gegoede lieden’!
In het huwelijksboekje anno 1920 werden voor de huismoeders raadgevingen opgenomen i.v.m. gezondheidsleer, om hen te helpen bij de opvoeding van hun kinderen, onder het motto: ‘Voorkomen is beter dan genezen; eenige welbegrepene gezondheidsvoorzorgen op eene verstandige manier toegepast zijn voldoende om later veel geld, drogen, pijnen en nutteloos verdriet te sparen.’
Oef!
Spijtig genoeg konden veel mensen amper lezen…
De raadgevingen hadden te maken met: netheid (zuiverheid), kleding, kamers, bed, slaap, lucht en beweging, voedsel enz.
De volgende kunnen we u zeker niet onthouden: ‘Het hoofd drukken of kneden, onder voorwendsel den vorm ervan te verbeteren… zijn ongerijmde daden, welke denzelve aan erge gevaren blootstellen.’
Toch goed om weten?

Lief en leed

Het ‘bakerschap’ was ongetwijfeld een zwaar beroep, niet alleen fysiek, maar zeker ook emotioneel.

De vreugde in het gezin om de nieuwe bewoner was meestal zeer groot; in die vreugde kon de baker dan ook meedelen.
Maar soms was het ook anders.
Bij de geboorte van een gehandicapt kind was het zeer moeilijk om dit als eerste mee te delen aan de jonge ouders…
Het ergste dat Anna meemaakte, was een boreling zonder ogen, enkel maar met oogkassen.
Onmogelijk te vergeten.

Een ander schrijnend geval blijkt uit het volgend verhaal.
Het was op een van de gehuchten, maar dat doet minder ter zake.
Na de bevalling zei de vader, in ’t geheel niet blij om het kindje: ‘Nu zult ge hier nooit meer moeten zijn.’
Geschrokken door dergelijke uitspraak, bracht het antwoord op haar vraag wat zij dan wel verkeerd had gedaan, duidelijkheid: ‘Eén is genoeg.’
Maar het jaar daarop stond de man opnieuw aan haar deur; het was dan toch niet verlopen zoals hij had voorspeld, want het was ‘weer zover’.
De man was zeer bedroefd en weende de ganse rit terug naar huis…
En wat bleek?
Het werd zelfs een tweeling – op voorhand was dat toen nog niet geweten – wat de man totaal overstuur bracht, met een grenzeloos verdriet…
Het leek wel een drama.
Erg pijnlijk toch?!
De kindjes waren duidelijk niet welkom.

De zwaarste boreling woog zo maar eventjes 6,3 kilo.
Anna is dat altijd exact blijven onthouden, omdat dokter Albert Van Elst, die er toen was bijgeroepen, speciaal de weegschaal uit zijn auto was gaan halen…
Tijdens haar bezoeken trof Anna ook vaak de grootste armoede aan.
In de winter was er amper vuur en geen kleertjes voor de kleine.
Haar tas met gerief was dan ook meermaals met meer gevuld dan met alleen maar het nodige materiaal voor de bevalling…
Het is dan ook niet verwonderlijk dat na het overlijden van Anna nog meerdere rekeningen zijn blijven openstaan.
Niet zelden werd er immers pas betaald bij de volgende bevalling...

Zeer lange tijd was de geboorte van een kind een louter vrouwelijke aangelegenheid, waar de man amper bij betrokken werd.
Lange tijd werd er gereageerd tegen de hulp van mannen tijdens de bevalling.
In de 19de eeuw werd er in Londen nog zwaar geprotesteerd en gewezen op de ‘gevaren en immoraliteit van het gebruik van mannen in de verloskunst’.

Tijdens de bevalling had de vader eigenlijk geen rol van betekenis; hij mocht ook niet aanwezig zijn bij de geboorte.
Hij moest wachten in een ander vertrek van het huis tot de kraamvrouw was verzorgd en het kind gewassen en ingebakerd was.
Van een zenuwachtige vader had de baker meer last dan hulp.
Als er een vrouw was om te helpen, werd de vader meestal weggestuurd
’, schrijft René Stappaerts.

Ook Anna had die ervaring.
Zoals die man die bij een moeilijke bevalling om hulp werd gevraagd, maar niet te vinden was – hij zat bij zijn konijnen, ver weg, goed verborgen in de schuur – en daarna flauwviel voor het kraambed van zijn vrouw.
Dokter Juul Van Elst sr., die ook was opgetrommeld, schoof hem, met de voet tegen ’s mans achterwerk, nog wat verder onder het bed…
En die man die aandrong dat Anna zou blijven, alhoewel het nog veel te vroeg was voor de bevalling: ‘Ja maar, Anna, wij zijn toch niet gerust als ge ons nu alleen laat…’
Anna bleef dan maar, tot zij na een tijdje ging kijken in de kamer, waar beiden, man en vrouw, rustig lagen te slapen.
Bernadette herinnert zich nog meer dergelijke anekdoten, die haar moeder haar vertelde.
Het is wel duidelijk: Anna had zeker geen hoge pet op van de vader als hulpje bij de bevalling.

Een rijk leven

Bernadette is best fier over haar moeder, zeer terecht uiteraard…
Ze vertelt hierover: ‘Als ik met mijn zus Maria van school kwam, was de vraag steeds: “Zal ons moe thuis zijn?”
Meestal was dat niet zo.
Maar alles went uiteraard…
Van ’s zondags herinner ik mij het strakke verloop van de drukke morgen: om zes uur ’s morgens ging ons moe naar de mis; ons vader zorgde dan voor de koffie, zodat hij daarna naar de zevenurenmis kon gaan.
En om acht uur, nadat ons moe thuis met ons had gegeten, gingen wij met onze grootouders naar de mis van acht uur.
Dan was moeder weeral op pad…
Zondagnamiddag, als ons moeder thuis was gekomen van de verzorgingsronde, zette zij zich in de zetel, stopte sokken of deed ander verstelwerk.
Eigenlijk mocht dat niet op zondag.
Daarom ging de deur op slot, om niet “betrapt” te worden!
En voor mogelijke klanten bleef er immers toch de bel aan de voordeur.
Naast al die drukke bezigheden, deed zij ook nog de “boekhouding” voor ons vader, die smid was.
De meeste klanten – overwegend boeren – betaalden immers slechts eenmaal per jaar, rond Nieuwjaar.
Sommigen kwamen tweemaal per jaar.
Het was daarom nodig om alle prestaties gedurende het jaar goed bij te houden om discussies te vermijden.
Het is voor mij duidelijk dat moeder veel voldoening heeft gehad van haar toch wel zeer sociaal werk.
Maar soms was het ongetwijfeld ook zeer zwaar: de dagen waren lang en vermoeiend.
En alhoewel zij dat goed kon verbergen, een kind voelt dat toch aan.
En dat zal voor haar zeker de voornaamste reden geweest zijn om mij af te raden dezelfde opleiding te gaan volgen.
Ik had het nochtans gaarne gedaan…’


Het bidprentje van Anna Schellekens.

Zo was Anna: een sterke (vroed)vrouw die meer dan 30 jaar, dag en nacht, gereedstond voor een zware, verantwoordelijke taak.

De Retienaren mogen fier zijn op hun dorpsgenote!


Roger Van den Put      


Bronnen.
- Herinneringen van dochter Bernadette aan haar moeder Anna Schellekens.
- René Stappaerts, De Lozie, Retie, 1992.
- Zwangerschap, geboorte en doop; een folkloristische studie, in: Tijdschrift voor Geschiedenis en Folklore, tweede jaargang, 1939, nr. 1, Provincie Antwerpen, 1939.
- Frank Van Laer, Van bakels en vroedvrouwen, in: Groot-Kastelse volkskalender 1986, Kasterlee, 1986.
- Jan Goris, Arendonkse folklore, in: het heemarchief ‘Als ice can’, Arendonk.
- Maria van Lamoen, Oude kraamgebruiken, Helmond, 1981.
- Prof. dr. K. C. Peeters, Eigen Haard