Even voorstellen...Aloïs Aarts

Aloïs Aarts

Elke mens is een boek met een verhaal.
Zo beweert men toch.
En net als boeken kunnen mensen bijdragen tot ontdekken, ontsluieren, antwoorden geven op vragen.
Al meteen verschijnen gezichten, gebeurtenissen en komen verhalen bovendrijven: ‘Weet je ’t nog?
’t Was oorlog...’

Aloïs (Lowieke) Aarts (°25 maart 1934) is de tweede jongste van vader August (Staf van To Mathé) en moeder Maria (Mit) Leysen.
Hij wandelt door de Peperstraat in de jaren 1940-1960.
En vertelt...

... dat je in die jaren absoluut geen kans kreeg om dorst te lijden in de Peperstraat!
Er waren maar liefst zes café’s!
Te beginnen met café In den Belg (nu Gildenhuis).
Leon Raeymaekers (den Tête) en Koba Kooken tapten er de pintjes.
Toen ze later verhuisden naar het achterliggende Kerkstraatje, hield Koba daar een winkeltje met papierwaren en snoepgoed.
Naast café In den Belg werd in 1958 – in een nieuwgebouwd pand – café Expo geopend.
Frans Smolders (Sus van Biekes Netten), en zijn vrouw Mathilde Cools (Tilleken Hoed) gingen er café houden.
Het was ook jarenlang het stamlokaal van voetbalclub Retie S.K.
Dan had je het café Bij de Geert van Gerard Cools (Gerarke) en Dymphna (Din) Van Reusel.

Juist naast het Klokkenstraatje – richting de Markt – in café De Klok, zaten toen Jan Jansen (den Hollander) en zijn vrouw Maria Jansen (Marie van den Hollander).
Ze tapten er o.a. het vermaarde Leuvense studentenbier Jack-Op.
Wat verder in de straat en aan de overkant – waar nu ’t Festijn is – stond café De Valk, toen uitgebaat door Jef Cools (Cools uit De Valk).
Later namen Jos Van de Pol en Marcella Geudens het café over.

Aloïs, alias ‘Lowieke’, Aarts.


De Peperstraat begin de jaren 1950.
Links vooraan: de winkel van Jeanne Goris, daarnaast café De Klok.
Rechts vooraan: de winkel van Sus Cools.
In de verte de benzinepomp, in ’t midden van de stoep.

Op het einde van de Peperstraat – eigenlijk op de hoek van deTurnhoutsebaan en de Burchtstraat – had je nog café De Congo.
Jean De Smet en Nieke Hoskens (Nieke uit De Congo) baatten het café uit.
Jean was ook fietsenmaker en had achter het café zijn werkhuis.
Stel nu dat je, met héél hevige dorst welteverstaan, in elk café twee pintjes bier zou drinken, dan zou je op ’t einde van de straat toch wel een serieus ‘zatsel’ hebben opgedaan, nietwaar?


In die jaren werd er in de Peperstraat ook flink wat ‘gecommerst’!
Vooraan in de straat – richting de Markt – had Julien Pauly (Julien van de koperslager) een winkel met fietsen, potten en pannen, gleiswerk, gereedschap enz.
Hij had er ook een atelier.
Vóór zijn winkel en rats in ’t midden van de stoep, stond zijn naftpomp van BP.
Eind de jaren 1950 namen Jos Van Kerkhoven (Jos van Pietjeswit) en zijn vrouw Maria (Marie) Verkoeyen de zaak over.
Jos verkocht er ook auto’s.

Links naast het huis van de familie Sneyers-De Moitié zien we de meubelzaak Vangelder en bakkerij Aarts.
Een fors reclamepaneel van ‘Belga’ prijkt tegen het huis van ‘den Hès’.
Foto uit de jaren 1940.



De Peperstraat in de jaren 1940, richting Turnhoutsebaan.
Links vooraan bevindt zich de beenhouwerij van Goetelen (Deisje).
Het hoge huis daarnaast was ooit het sigarenfabriekje van Peter Aarts (Peer Sigaar).
Helemaal achteraan en haaks op de straat: café De Congo.

Een beetje verder de straat in hield Remi Slegers (Remieke van Hertenboer) een schilderswinkeltje.
Remi was getrouwd met Marieke Weyts en hij was huisschilder.
Naast Remieke had Frans (Sus) Cools een nieuwbouw gezet met een winkel (In de Fruitkorf).
Sus was getrouwd met Marieke Vervecken.
Ze verkochten in de winkel voornamelijk vis, groenten, fruit, likeuren en wat kruidenierswaren.
Sus ging ook nog met paard en kar ‘op toer’ in ’t dorp.
Zowat rechtover de winkel van Sus Cools hield Jeanne Goris (gehuwd met Jos Janssens) een winkel met lingerie, klakken, handschoenen en... ‘smoorgerief ’!
Naast de winkel van Jeanne was er de schoenenwinkel van broer en zus Albert (Bert) en Céline Castelijns (van den Hès).
Ze waren allebei ongetrouwd gebleven.
Albert was er ook schoenmaker.
In 1964 werd de zaak overgenomen door Eugeen (Zjène) Hoskens en zijn vrouw Maria Jansens.
Dan had je het winkelhuis en de bakkerij van nonkel Aloïs Aarts.
Aloïs was getrouwd met Maria (Mie) Smolders.
Na haar overlijden hertrouwde Aloïs met Ernestine (Stien) Joris.
In de winkel werden hun bakkersproducten en wat snoepgoed verkocht.
Naast nonkel Aloïs huurden Frans Vangelder en zijn vrouw Maria (Mitje) Van Mechgelen een fraai winkelpand.
Frans opende er de meubelzaak Meubart.

In 1957 nam Eduard (War) Meeus, gehuwd met Emma Melis, de meubelzaak over.
In het grote huurhuis naast Vangelder woonde toen het gezin Sneyers-De Moitié.
De jongste zoon Eduard (Ward) hield er, samen met zijn vrouw Elfrida Van Damme, een boek- en papierhandel.
Ons Josfien (Josephine Crols) moest daar vroeger, als jong meisje, altijd zéér toevallig, papier of schrijfgerief gaan kopen.
En wij, jonge gasten, zaten nogal eens te buurten op de vensterdorpel van het oude sigarenfabriekje.
Nonkel Jacques Spooren en tante Zefa (Jozefa Aarts) woonden daar toen met hun gezin.
Het sigarenfabriekje stond schuin tegenover de winkel van Ward Sneyers en zo konden ons Josfien en ik elkaar al eens zien, ‘een oogske pinken’ en eens lachen.
In de liefde moest men sluw en vindingrijk zijn!
In de woning naast het sigarenfabriekje – naar de Markt toe – woonde destijds de familie Goetelen-Marissen.
Vader Modest (Deisje) opende er een beenhouwerij.
Modest was getrouwd met Anna Marissen.
In 1946 verhuisden ze naar de Sint-Martinusstraat.
Enkele jaren later opende Marcel Spooren, samen met Marieke Diels, een schoenhandelszaak op de plaats van de beenhouwerij.
In 1952 werd het oude huisje afgebroken en kwam er een ruime nieuwbouw met winkel en atelier in de plaats.
In het voormalige sigarenfabriekje hield nonkel Jacques Spooren – in de voorste plaats tegen de straat – een kantoortje waar je o.a. terecht kon met je belastingadministratie.
In 1951 verhuisden nonkel Jacques en tante Zefa, samen met de jongere kinderen uit het gezin, naar Antwerpen.
In 1952 trouwde onze Rie (Hendrik Aarts) met ons Frilda (PharildaVan Mechelen) en ze namen hun intrek in het oude sigarenfabriekje.
Onze Rie installeerde er een winkel en verkocht er groenten, fruit, bloemen, zaden en plantgoed.
Hij liet ook een vitrineraam plaatsen in de voorgevel, mooi afgeboord met donkere glazuursteentjes.
Onze Rie trok op ronde in het dorp met groenten en fruit, netjes gestald in een Matador camionetje, later met een paard en een ruimere wagen.
In 1959, nadat hij verhuisd was naar de Boesdijkstraat, gingen ons Josfien en ik in het oude huis wonen en we startten er in 1961 met een elektrozaak.
In 1964 lieten we het oude huis afbreken en kwam er deze nieuwe bouw met een ruime winkel in de plaats.
Naast onze winkel stond mijn ouderlijk huis.
Het werd in 1936 gebouwd.
Ons moeder hield er een kruidenierswinkel, maar ze verkocht ook textiel, mercerie-artikelen en speelgoed.
Ons vader had een zaak van granen en veevoeders in het magazijn achter ons huis.
Later heeft ons Mia (Maria Aarts) de winkel overgenomen.
Ze is, samen met onze Jos (Van Looy) en hun gezin, bij mijn ouders ingetrokken, het huis was toch groot genoeg.


Het voormalige sigarenfabriekje.
Rie Aarts liet er een vitrineraam in plaatsen.
Later zal Lowieke er zijn elektrowinkel starten.
Foto uit begin de jaren 1960.
Foto uit de jaren 1940.


Het winkelhuis van Staf Aarts en Mit Leysen.
Gracieuze festoenen en een Mariabeeld sierden de voorgevel ter gelegenheid van de Mariale stoet op zondag 2 augustus1947.

Ons vader had tot na de Eerste Wereldoorlog nog de Nederlandse nationaliteit.
Omdat Nederland neutraal was in die oorlog, leek het hem raadzaam om in 1914 uit te wijken naar Bladel.
Hij verbleef er bij familie tot na de oorlog en werkte er in een sigarenfabriekje.
Onze va kon alleen via de post met het thuisdorp communiceren.
De grenzen waren hermetisch afgesloten met prikkeldraad onder levensgevaarlijke elektrische stroom.
Na de oorlog keerde onze va terug naar Retie, liet zich naturaliseren tot Belg en... werd prompt voor twee jaar onder de wapens geroepen!
Een cadeautje van onze Postelse baron Charles de Broqueville, die in 1913 de algemene dienstplicht invoerde.
Hij was toen eerste minister, later ook nog minister van Oorlog.
Ons vader werd ingedeeld bij de gidsen in een cavaleriebrigade.
Toen hij, samen met een deel van zijn eskadron, een bewakingsopdracht moest kloppen voor het Koninklijk Paleis in Laken, werd hij persoonlijk door koning Albert I gefeliciteerd!
Ons vader was de enige die in de houding sprong en salueerde toen de koning – incognito en diep weggedoken in zijn regenmantel door het slechte weer – voorbij de schildwachten wandelde.
Alleen ons vader had hem herkend!
Onze va heeft altijd een voorliefde voor paarden gehad.
Vroeger had hij er hier twee staan: een grijze en een vos.
De paardenstal stond achter het huisje waar beenhouwer Deisje woonde.
Achter die drie huizen – de beenhouwerij, het voormalige sigarenfabriekje en mijn ouderlijk winkelhuis – was het één open ruimte.
De kinderen Goetelen, Spooren en Aarts konden er dus behoorlijk ravotten.

Tijdens de oorlog werd één paard opgeëist.
Met het andere ging ons vader onder de oorlog regelmatig winkelwaren halen in Turnhout.
Hij verdeelde die dan onder verscheidene winkels.
Omdat er tal van opeisingen waren tijdens de oorlog, hadden ze bij ons alle conserven en potten met voedingswaren uit de winkel verstopt in... de regenput!
De regenpijp werd onopvallend omgeleid.
Ons vader hield ook een fameus zwaar varken verborgen.
Het woog ruim 200 kilo.
Thuis slachten was toen verboden of je moest het aangeven aan de overheid en dan viel alles in handen van de bezetter.
Het straffe was dat bij ons een Duitse luitenant en zijn ordonnans waren ingekwartierd!
Volgens mij waren die op de hoogte van ‘het geheim van de regenput en het varken’!
Maar die Duitsers waren brave mannen, gedroegen zich heel fatsoenlijk en wij hebben er nooit last mee gehad.
De luitenant had een kantoortje ingericht in het kamertje vlak naast de winkel.
Daar liepen dus regelmatig Duitsers in en uit.
Toch hebben ze nooit vermoed dat er, vlakbij, een ‘verplicht tewerkgestelde’ zich schuilhield!
Albert Castelijns (Bert van de Mus), die toen veel bij ons kwam – zijn verloofde Maria (Marie) Van Dael was hulp in het huishouden bij ons – werd door de Duitsers gezocht.
Hij verstopte zich... in onze winkel in een van de lage kasten onder de etalage!
Daar kon juist een man in.
Wat ik zeker weet, is dat Bert daar hachelijke momenten heeft doorstaan!
Als de kust veilig was, sliep hij bij onze Rie op de kamer.
Uiteindelijk is alles goed afgelopen en vlak na de oorlog, in 1945, is Bert met zijn Marie getrouwd.

Josfien Crols en Lowieke Aarts huwden op 7 mei 1957.
Foto uit de jaren 1940.



Zondag, eind de jaren 1940.
Fons Oeyen bracht met zijn koetsje en shetlandpony een bezoekje ten huize Aarts.
Hier poseert hij ‘in de poort’.
Helemaal links houdt Staf Aarts een oogje in ’t zeil.
Zittend op het paardje: Lowieke Aarts.
Vervolgens v.l.n.r.: Leo en Aloïs Spooren, Ris Aarts en Fons Oeyen.
Staand voor het rijtuigje: Herman Spooren.
Achteraan, boven de poort, zien we een gebouw van de gemeentelijke jongensschool.

Ook wij hebben serieuze angstmomenten gekend.
Want op een dag stormden bij ons Gestapomannen binnen!
Ze namen ons vader, nonkel Jacques Spooren en dokter Albert Van Elst mee voor verhoring!
Er was namelijk een Duitser vermist.
Hij was laatst gezien in de buurt van de pastorie en de vestkant.
Wij wisten van niets!
Maar we wisten wel dat in zo ’n gevallen de represailles niet mals waren.
Gelukkig werden de mannen toch vlug vrijgelaten.
Godzijdank!
Nu wil het toeval dat enkele jaren geleden, bij graafwerken in de buurt, een Duitse helm werd opgegraven.
En precies in het midden, vooraan in die helm, zat een gat.
Zou dan toch...?
Het blijft waar schijnlijk een eeuwig mysterie.
Een ander pijnpunt was dat Duitse kanon in ons magazijn.
De Duitsers hadden dat daar weggestopt.
Als het verzet of de geallieerden daar weet van kregen, zou dat wel eens voor nare gevolgen kunnen zorgen.
Goddank bleef alles rustig.
Het kanon werd achtergelaten door de overhaast wegvluchtende Duitsers.
Na de oorlog werd het door het Belgische leger weggehaald.
Tijdens de oorlog heb ik een tijdje les gekregen in het zaaltje boven café ’t Hoefijzer (later café Den Dorser).
De school in de Peperstraat stak vol Duitse soldaten.
Later werden er Engelse soldaten ondergebracht.
Ik weet nog dat Karel Van Herck (Charel van Leonieke) toen tolk was.
Hij was de enige die Engels sprak en de verzoeken en bevelen van de Engelse soldaten aan de mensen in de Peperstraat kon vertalen.
Charel is later nog commandant geworden in het Belgisch leger.
Voor het laatste jaar van het lager onderwijs ging ik op internaat in het Klein Seminarie van Hoogstraten.

Op weg naar school moesten wij aan de Turnhoutse vaart met een veerpont worden overgezet omdat alle bruggen vernield waren tijdens de oorlog.
Ik kon toen meerijden met de auto van priester Pieter Hannes van Achterbos.
Hij was in die jaren leraar aan het Klein Seminarie.
Later is hij nog gedurende vijf jaar pastoor geweest in Retie.

Er werd vroeger nog veel op straat gespeeld.
Veel verkeer was er toen nog niet en op straat viel altijd wel iets te beleven.
Op het pleintje naast café De Valk (nu De Voghtplein) lagen zware bomen te drogen en het was een lieve lust om daarop te spelen.
Al was dat eigenlijk best gevaarlijk.
Kwajongensstreken werden ook uitgehaald en al zeg ik het zelf, wij waren daar redelijk straf in!
In de winter bijvoorbeeld, als er sneeuw lag, moest er elke morgen een gemeentewerkman de tramrails schoonvegen.
De Peperstraat vertoont namelijk een lichte opwaartse helling richting de Markt en door de sneeuw op de rails raakte het trammetje niet bergop.
Zodra de gemeentewerkman zijn klus geklaard had en uit het zicht verdwenen was, schoven wij de sneeuw netjes terug op de rails.
Een beetje later stond het trammetje in de Peperstraat ‘sur place’.
Het pufte, schudde en gromde met heel zijn ziel en zaligheid, maar kwam geen meter vooruit!
Dolle pret verzekerd!
Voor ons dan toch.

Het gele dieseltrammetje op de lijn Turnhout-Mol komt aan in het tramstationnetje van Mol (1950).



In de tuin van Staf Aarts en Mit Leysen, eventjes een foto maken ‘met het volk dat er was’!
We schrijven 1957.
Oplopend van onder naar boven: Lowieke Aarts, Luc Van Looy, Staf Aarts, Edith Aarts, Eliane Van Looy, Mia Aarts, Marc Van Looy, Rie Aarts, Mit Leysen, Guy Aarts en Frilda Van Mechelen.


Toch heb ik van ons vader eens een serieuze ‘reprimande’ gekregen toen ik het hondenkarretje van Mieke van Rikske (Maria Slegers) pardoes omkapte!
Mieke verkocht verse koemelk aan ‘de burgerij’ en de melkbussen stonden in een hondenkar.
Normaal werd die kar altijd getrokken door een hond, maar op een zekere dag was hondlief er niet bij!
Mieke trok de kar zelf.
Terwijl zij nog wat met ons moeder stond te buurten, ging ik, uit pure curiositeit, eens in de berries staan.
En baf!
Ik weet nu nog altijd niet hoe het kon, maar heel dat spel lag ondersteboven!
Alle melk verloren!
Toen was ’t pas kermis!

En zo vlogen de naoorlogse jaren voorbij.
Voor je ’t wist, werd je zelf opgeroepen voor legerdienst (24 maanden!).
Eerst een opleiding in Doornik.
Tussen de Walen – voorwaar geen pretje.
Ik verstond hen niet en zij mij evenmin.
Daar kwam een hoop gedonder van!
Dan naar Lüdenscheid in Duitsland.
Dat was al wat beter, want ik kreeg er een taak als wapencontroleur.
Zo had ik toch iets om handen.
Gelukkig werd ondertussen de wet op de duurtijd van de verplichte legerdienst herzien en werd mijn dienstijd met drie maanden ingekort.
Dat scheelde toch een slok op een bittere borrel.

Na mijn legerdienst heb ik negen jaar als onderhoudstechnieker gewerkt bij Helsen Vloertegelfabriek in Mol.
Ik deed er meestal de vroege ploeg en kon dan de rest van de dag werken aan de opbouw van een eigen elektrozaak.
Dat was immers mijn droom...
en die is dan toch uitgekomen...!


Verificatiebronnen:

‘De Peperstraat omstreeks 1850 en later’, door Koen Mertens in het mededelingenblad van de Retiese Heemkundige Kring ‘Zeven Neten’, jaargangen 10 en 11.

Mijn oprechte dank aan Paul Castelijns en de Retiese heemkring voor het bezorgen van enkele relevante foto’s.

Guy Aarts