Even voorstellen...Albert Castelijns en Maria Vandael

Albert Castelijns en Maria Vandael

Wat waren ze graag gezien en goed gekend in Retie: Albert Castelijns en Maria Vandael – alias Bert van Mussen en Marie (Mie) van Nellessen!
Lange jaren geleden ruilden ze het tijdelijke voor het eeuwige maar vandaag staan ze weer in ons midden.
Lea en Paul Castelijns, twee van hun kinderen, vertellen een mooi verhaal over Bert en Marie en hun thuis waar zowat half Retie ‘gezooien en gebraaien lag’.
En ik mocht het voor u opschrijven.

Bert kwam als rasechte Retienaar ter wereld in ’t Straatje oftewel de Ploegstraat, op 25 augustus 1918.
Marie was vijf jaar jonger.
Zij was van de Hodonk en werd er op 14 januari 1923 geboren.
Bert was de tweede jongste van Guilielmus (Fons) en Catharina (To) Angelina Verheyen.
Hij had zeven broers en twee zussen.
Guilielmus – het achtergedeelte ‘mus’ uit zijn naam zal de vogelachtige bijnaam worden voor de volgende generaties – was kleermaker.
Catharina was mutsenmaakster.
Twee actieve en creatieve mensen die hard hebben gewerkt.
Er moest brood op de plank voor het grote gezin.
Zoon Bert bracht het in zijn kinderjaren tot misdienaar bij pastoor Raeymaekers, later bij pastoor De Voght.
Misschien niet zo vanzelfsprekend om Bert voor te stellen in een rode misdienaarstoog en bijhorend wit koorhemd en er is wellicht weinig heiligheid blijven hangen, maar het heeft hem vast geholpen om later zijn filosofische denkbeelden te vormen over één en ander.
Bert volgde een schoenmakersopleiding bij zijn oudere broer Karel.
Karel zou later een officieel getuigschrift ondertekenen en daarmee Bert tot volleerd vakman verklaren.

Marie en Bert poseerden in hun winkel in de Sint-Martinusstraat (oktober 1981).

Een systeem van onderwijs dat in die jaren gangbaar was.
Mogelijk is hij tijdens zijn legerdienst ook in de schoenmakersstiel terechtgekomen.
Zijn militaire opleiding kreeg hij in het kamp van Elsenborn, een deelgemeente van Bütgenbach in de Belgische Oostkantons.


‘In de poort’, zo werd de gekasseide gang tussen de woningen Aarts-Leysen en Spooren-Aarts in de Peperstraat genoemd.
We zien er Marie Vandael (links) en Mit Leysen.
Een foto uit 1941.

Marie was het derde kind van Carolus (Nelles) Vandael en Maria Nijs.
Zij had vier broers en een halfbroer.
Haar moeder stierf heel jong, ze was amper zesendertig.
Nelles Vandael was een gerespecteerde boer.
Er stonden zes koeien in de stal.
Daarmee werd je in die jaren al bij de grotere bedrijven gerekend.
Nelles was ook hovenier.
Hij onderhield onder meer de tuin van pastoor Govaerts.
Onze gulle dorpsherder betaalde Nelles jaarlijks met... één keer aanschuiven aan de koffietafel!
De moeder van Marie was boerin en huisvrouw.

Tijdens hun jeugdjaren was Bert lid van de kajotters (KAJ), Marie van de kajotsters (VKAJ).
Of daar al het vonkje tussen beiden oversprong, wordt betwijfeld.
Bert en Marie scheelden vijf jaar in leeftijd.
Marie werd op haar veertiende hulpje bij Staf en Mit Aarts-Leysen in de Peperstraat.
Mit hield een kruidenierswinkel en Staf had een veevoederzaak.
Marie ging bij hen inwonen en werd al vlug opgenomen in het gezin.
Ze heeft er hard gewerkt en bestierde heel het huishouden.
Ze was kokkin, stond in voor was en plas, werd de vertrouwelinge van de grotere kinderen en een moedertje voor de kleinsten.
Toch zijn er ook plagerijtjes bekend.
Zo zou ooit Aloïs of Maurice een goedgevulde kolenkit omgekieperd hebben op een pas gepoetste, nog natte vloer.
Na de oren en het achterste van de schuldige goed te hebben bewerkt, kon Marie haar poetswerk herbeginnen.
Toch hielden ze onmiskenbaar veel van haar en nog lang nadat Marie getrouwd was en een eigen gezin had, bleef er een onverbrekelijke band tussen beide families.

Zowat in het begin van de Tweede Wereldoorlog vond Bert de weg naar de familie Aarts.
Bert was op vrijersvoeten en wou – toch zeker tijdens die woelige oorlogsdagen – heel graag in de buurt blijven van zijn Marie.
Hij was als soldaat gemobiliseerd geweest, overleefde later de Achttiendaagse Veldtocht, en was dolgelukkig dat hij terug thuis was.
Maar al gauw werd hij opgeroepen om te gaan werken in ‘das Vaterland’.
Iets waar Bert maar weinig zin in had.
Hij moest dus onderduiken.
Bij de familie Aarts in de Peperstraat – een buurt waar het krioelde van Duitse soldaten die gekazerneerd lagen in de jongensschool – vond Bert zijn toevlucht.
Hij sliep er in de kamer van Rie Aarts op de bovenste verdieping.
Een verdieping lager, in een grote slaapkamer, overnachtten drie Duitse onderofficieren die bij de familie Aarts waren ingekwartierd.
Moest allemaal kunnen, vond Bert.
Als het gevaar te groot werd, verhuisde hij naar zijn schuilplaats in de winkel, kroop hij in een van de lage etalagekasten waar hij juist in paste.
Ze hebben Bert nooit gevonden.
Een jaar na de oorlog, op 1 augustus 1945, traden Marie en Bert in het huwelijk.
Marie trouwde uit bij Staf en Mit en ook het bruilofts feest werd daar gevierd.
Het jonge koppel ging inwonen bij de ouders van Bert in de Ploegstraat.
Ze betrokken er twee kamers en er was een klein schoenmakersateliertje voorzien.
Marie hielp in het huishouden.
Al gauw kwamen er een paar kleine Castelijntjes bij en werd Marie ‘voltijds moeder’.
Het was er best gezellig.
Er was steevast aanloop van familie, vrienden en buren.
Achter het huis, onder een afdakje, was een rustig hoekje ingericht met charmante rotan meubeltjes.
Het rook er naar vers gebakken brood en naar appeltjes die lagen te drogen op de schelft van het schuurtje vlakbij.
Heerlijk.

In 1950 verhuisde het gezinnetje naar een huisje in de Sint-Martinusstraat, rechtover de melkerij.
De voorste kamer werd schoenenwinkel en in een aangrenzend vertrekje richtte Bert zijn ateliertje in.
Hij deed er voornamelijk reparaties maar maakte op aanvraag ook schoenen voor zijn klanten.

Het gezin Castelijns-Verheyen in de Ploegstraat omstreeks 1930.
Vooraan: Arnold, Albert, vader Guilielmus, Jos, moeder Catharina Verheyen en Gerard.
Achteraan: Juul, Louis, Octavie, Karel, Louise en Frans.



Bert en Marie trouwden op 1 augustus 1945.

Stilaan nam hij er ook nog orthopedische opdrachten bij.
Bert moest dan ingewikkelde patronen tekenen en schoenen maken voor mensen met loopproblemen of een voetafwijking, behoorlijk specialistenwerk.
Intussen breidde het gezinnetje uit tot zes kinderen: Karel, Lea, Josée, Gerard, Rita en Paul.
Genoeg mondjes om te vullen.

Het ouderhuis van Bert Castelijns met bijhorend schuurtje, op de hoek Ploegstraat-Gildenstraat.
Ter gelegenheid van de inhalingsstoet van burgemeester Jos Van Looy in 1965.



Marie met haar oudste twee kinderen Karel en Lea in de tuin van haar schoonouders.
Een foto uit 1948.

Gelukkig draaide de winkel goed.
Soms brachten handelsreizigers, in dienst van schoenfabrikanten, hen een bezoekje.
Ze torsten zware valiezen mee, gevuld met de nieuwste modelletjes die ze aan de man en vooral aan de vrouw moesten brengen.
De handelsreizigers waren meestal afkomstig uit de buurt van het West-Vlaamse Izegem, in die jaren het mekka van de Belgische schoenindustrie.
Gekende merken waren Defauw, Dekimpe, Tanghe en het heel dure Eperon d’Or.
Tana en Ça-va-seul waren de merken van schoensmeer die in de winkel het meest werden verkocht.
Onder de ruime klandizie mochten zij ook de paters en broeders van de abdij van Postel rekenen.
Lea herinnert zich nog een erg vrome pater, die telkens als hij haar zag, een kruisje op haar voorhoofd tekende.
Begin de jaren 1960 waren er in Retie drie schoenmakers met een bijhorende winkel: Bert van Mussen, Marcel Spooren en Vic Hoskens.
Het mooie was dat zij goede vrienden waren en elkaar steunden, ook in de commerce.
De gedrukte reclame die ze uitbrachten, werd samen bekostigd en Bert deed de huis-aan-huisbestelling met zijn fiets.
In onze huidige tijd toch moeilijk voor te stellen.

Bert ging op ronde met zijn fiets.
‘De boer op’ zoals dat heet.
Tot in Rhoode, Kortijnen en Schoonbroek verkocht hij schoenen, veters, zeemvellen, elastieken, nylons enz.
Hij had ook een job aangenomen bij Philips in Eindhoven.
Bovendien was Bert ook nog eens ‘gelegenheidskapper’.
Hoe hij dat allemaal klaarspeelde, was op zijn minst opmerkelijk.



Marie en Bert voor hun winkel in de Sint-Martinusstraat in 1970.

Half de jaren zestig van vorige eeuw schakelde Bert over op een krantenronde, in loondienst bij de Standaard.
Later kwamen er nog andere dagbladen en tijdschriften bij.
Toch geen makkelijke stiel.
Goede fietspaden waren toen nog onbestaande en de brievenbussen bevonden zich vaak op vrijwel onbereikbare plaatsen.
Veel mensen hadden zelfs geen brievenbus en moest de bestelling onder de voordeur geschoven worden of achter de klink gestoken.
Nadat hij de rondes van Jef Janssen en Dolf Van Mechelen had overgenomen, ging dat toch flink doorwegen.
Kwam daar nog bij dat Bert op een dag een lelijke val maakte met zijn zwaar beladen fiets.
Een sleutelbeenbreuk was het gevolg.
Er zou dan een autootje aangeschaft worden, een Citroën 2 pk.
Toch veiliger en aangenamer bij slecht weer.
Achter de voorste zetel werd een houten bak – met onderverdelingen – voorzien waarin kranten en weekbladen hun plaatsje kregen.
Na een tijdje kon Bert, terwijl hij reed, met één hand blindelings de bestelling nemen voor de volgende klant.
Toch knap.
Marie ging haar rijbewijs halen op het gemeentehuis en leerde ook autorijden.
Zo kon zij, indien nodig, invallen.

Stilaan verminderde de schoenenverkoop.
Bert en Marie gingen daardoor ook kranten en tijdschriften in de winkel verkopen.
Later kwamen er rookwaren en loterijproducten bij.
De winkel draaide weer op volle toeren.
Ze moesten wel op tijd uit bed want de kranten werden ontiegelijk vroeg geleverd.
Er ontstond een leuk fenomeen: er was vaak evenveel volk in de woonkamer als in de winkel.
Het was bij Bert en Marie werkelijk de zoete inval.
De koffiepot stond dag in dag uit gevuld op de stoof want gastvrijheid gaf blijheid.
Het was er een dollen en zwanzen, een lachen en gieren en er werd van alles en nog wat besproken.
Maar Marie zat constant op vinkenslag – wat misschien wel gek mag klinken ten huize Mus.
Ze zat op het puntje van haar stoel om vlugvlug naar de winkel te kunnen, mocht de bel rinkelen.
‘De bel is baas’, beweerde Marie.
Handelsreizigers van kranten en rookwaren kwamen er geregeld over de vloer.
En ook zij waren met geen stokken de deur uit te krijgen.
Zij vonden de gezelligheid bij de Mus buitengewoon amusant en genoten van elke minuut die ze in de winkel of in de woonkamer mochten doorbrengen.

Achter het huis stond een schob.
Ook dat schob werd bij de commerce betrokken.
Het deed dienst als opslagplaats voor de flinke voorraad rookwaren.
Het kaduke deurtje kon amper op slot maar inbrekers zijn er nooit geweest.
Gelukkig.
Het schob werd eveneens gebruikt als badkamer.
Er stond een klein kacheltje in en een grote zinken teil.
Dat volstond destijds.

Ook op winterse dagen werden kranten bedeeld.
Bert poseert met zijn zwaar beladen fiets op het Horzelend (1965).

Uiteindelijk werd er aan het huis een keukentje bijgebouwd om toch wat meer ruimte en luxe te verkrijgen.
Jan Claessens – een vertrouwd gezicht voor Bert en Marie, Jan belandde ook vaak bij de familie Aarts – uit de Molenstraat tekende het plan en deed het metselwerk.
Jan zou later carrière maken met een aannemersbedrijf in Weelde.

Het Retiese postkantoor bevond zich een hele tijd in het huis van onze vroegere veldwachter Charel Damen in de Sint-Martinusstraat.
Toen het postkantoor verhuisde naar een nieuwbouw in de Nieuwstraat, mochten Bert en Marie beschikken over de oude sorteertafels.
Heel handig om de katernen van bladen en ander drukwerk te plooien en te verzamelen.
De kinderen Castelijns werden daarvoor vaak ingezet.
Waren er vrijers of lieven in de buurt, werden die ook ingeschakeld.
Alles voor de liefde!
Toch?

Vaak was er haast bij, bij de bestellingen van drukwerk.
Zo moesten de gekende witte overlijdenskaartjes altijd vliegensvlug besteld worden, huis aan huis.
De tijdsduur tussen overlijden en begraven was vroeger veel korter.
Ooit was er het lugubere record van elf overlijdens op één week!
Voor Bert en Marie heel wat extra werk.
Het wekelijkse reclamedrukwerk moest altijd vóór vrijdagmiddag bij de mensen zijn.

Veel vrije tijd restte er niet voor hen.
Soms zette Marie wel eens een breiwerkje op.
Met de moeilijke, ingewikkelde breipatronen echter, moest Bert assisteren.
Hij moest dan, in de juiste volgorde, de steken dicteren zodat Marie zich volledig kon concentreren op de te verrichten breihandelingen.
Teamwork heet dat nu.
Bert mocht graag een biljartje doen in café De Wissel, later in café Den Eik bij Nest Van Reusel.
Daar kon hij echt van genieten.

Na het overlijden van Bert Castelijns nam zijn jongste zoon Paul de zaak over.
Het oude huis werd afgebroken en samen met echtgenote Anita liet Paul een modern nieuw winkelhuis bouwen.
En wat heel bijzonder was: de vertrouwde gezelligheid uit het oude winkeltje vond je helemaal terug in de nieuwe zaak, had zich opnieuw tussen de kranten, de bladen én de mensen genesteld.
Ze had enkel een ander jasje aangetrokken.
Bert overleed op 15 november 1987, Marie op 2 juni 1991.

Als addendum nog een mooie herinnering uit de jaren 1960.
Met Karel Castelijns in een hoofdrol.
Hij is het oudste kind van Bert en Marie en hij kwam geregeld bij mijn ouders (Rie Aarts en Frilda Van Mechelen) op bezoek.
Eerst nog in de Peperstraat, later in de Boesdijkhofstraat.
Mijn oudste zus Edith en ik stelden dat zeer op prijs.
Karel leek zo’n grote broer waarmee je altijd kon spelen.
En Karel hielp ook bij mijn vader in de groente-en fruitzaak, nadien in de drankenhandel.
Ik herinner me nog de verre tochten naar Postel, met paard en groentekar.
Karel, vader en ik in de cabine, op pad met Max, ons paard.
Tot aan Brug 2 reden we over de kasseibaan.
Voorbij de brug koos vader voor het karrespoor naast de kinderkopjes.
Het kasseibaantje was daar zo miserabel dat de appelen tussen de peren konden belanden of de bananen tussen de selder.
Max over de smalle ophaalbrug krijgen, was geen sinecure.
Het paard was als de dood voor die brug.
Vader stapte dan uit, nam Max bij de toom en trachtte goedschiks en nog meer kwaadschiks het dier te leiden.
Meestal begon het paard te steigeren of danste het onhoudbaar in de berries en sloeg de hoefijzers op de kasseien dat de gensters opsprongen.
Tijdens die hachelijke momenten was ik heel blij dat Karel naast me zat.

Het klantenbestand in Postel was eerder gering.
Er stonden slechts enkele huizen maar bij de Broquevilles mochten we heel wat leveren.
Onze boterhammen aten we op bij ‘Marie van Postel’.
Marie woonde op ‘Den Depot’, een boerderij achter de abdij.
Zij was een en al goedheid.
We aten in de grote kamer en kregen er koffie.
Op elke vrijstaande stoel rond de tafel sprong een kat, belust op toegestoken hapjes.
De boterhammen van Karel fascineerden mij bijzonder.
Zij waren besmeerd met een dikke laag bosbessengelei (zelfgemaakt door Marie Vandael) en kleurden fel paars.
Had ik nog nooit zo gezien.
Op mijn vraag aan Karel wat er eigenlijk tussen zijn boterhammen zat, was het antwoord: rode kool!
En ik kreeg verschrikkelijk veel medelijden met hem, ik haatte namelijk rode kool.

Het was er zó stil, daar achter de abdij.
Soms hoorden we het carillon spelen en zweefden de melodieuze klanken over de hoge, oude lindebomen.
Ver over de Postelse bossen en velden verwaaiden ze terug tot stilte.

Op de terugweg gebeurde het vaak dat postbode Julien Van Reusel aanpikte.
Met één hand greep hij de kar vast, met de andere bestuurde hij zijn fiets.
Ondertussen buurtte hij met vader.
Hield de kar ergens halt, greep Julien een appel of een banaan die hij snel naar binnen speelde.
En hup, weer verder...

... Waar is de tijd!...


Tot zover, beste lezer, dit warme weerzien met Bert en Marie en de blije herinnering aan zoveel anderen...


Lea en Paul Castelijns vertelden over hun ouders: Bert van Mussen en Marie van Nellessen.



Mijn dank aan Lea en Paul Castelijns voor hun zeer gewaardeerde medewerking.

Guy Aarts