Beknopte geschiedenis van ons dorp

(Uit 'Bijdrage tot de geschiedenis van Retie' van onze dorpsgenoot wijlen Edward Sneyers)

Retie in de vroegste tijden
 
Retie in het land van Geel



De voorromeinse tijd

De geschiedenis van Retie, evenals die van de meeste Kempische dorpen, reikt tot in het duistere verleden terug.

Voor deze vroegste geschiedenis zijn wij ten zeerste aangewezen op oudheidkundige vondsten.
Het heet dat destijds te Retie voorromaanse begraafplaatsen ontdekt werden.
Pater Adriaan Heylen van Tongerlo, die in 1790 een zeer gewaardeerd boek over de aloude Kempen schreef, vermeldt deze vondsten, doch voegt er aan toe, dat hij dit alles slechts weet 'van horen zeggen', van mensen van Retie, die enkel konden mededelen: dat de gevonden voorwerpen aan gewone snuifpotten geleken en met as en beenderen gevuld waren.
Op welk tijdstip die dingen gevonden werden en wat er verder mee gebeurde, wisten ze niet te zeggen.
Wanneer we echter vernemen, hoe duizenden jaren voor Christus, mensen vanuit Spanje, dwars door Frankrijk, naar hier gekomen zijn, - ook in de Kempen, - en daar stenen voorwerpen achtergelaten hebben, o.m. te Balen, te Weelde, te Mol, te Meerhout, dan mogen we gerust aannemen dat Retie ook tijdens bet steentijdperk bewoond was.

Buiten de oudheidkundige vondsten zijn sommige thans nog bestaande benamingen een aanwijzing voor de geschiedschrijvers, om de oudheid van een dorp vast te stellen.
Zulk een aanduiding is bij voorbeeld de naam 'Asberg'.
Retie heeft ook zijn Asberg, vlak bij het dorp, evenals Balen, Bel onder Geel, Westerlo, Meerhout, Kasterlee en meer andere.
Pater Adriaan Heylen meent dat de namen Asberg, Alsberg, Alfberg, Aberg, vervormingen zijn van 'Alvenberg', een berg of verhevenheid, 'waarin, volgens bijgelovige overlevering, voortijds de alven of zogenaamde kaboutermannekens zouden gewoond hebben, die, volgens de verkeerde mening van het landvolk, de potten en de kruiken, welke er gevonden werden, als huisraad gebruikten'.
We wagen ons niet aan een verklaring van de naam Asberg, doch het feit dat er in die bergen, - 't zijn maar heuvels! - lijkurnen ontdekt werden, wijst op de aanwezigheid ter plaatse van een bevolking die de lijkas der doden in aarden potten verzamelde en zo aan de grond toevertrouwde.
Geschiedschrijvers nu beweren dat de bewoners van de Kempen dit gebruik tijdens het bronstijdperk aannamen.

Hoe Retie er in die tijd moet uitgezien hebben, kunnen wij ons ongeveer als volgt voorstellen.
Waar nu de akkers en de velden liggen, stonden vroeger bossen: eik, olm, beuk, berk, hazelaar, daar waar nu mastebossen groeien vond men toen hei en kreupelhout, de riviertjes en waterlopen waren niet ingedijkt en stroomden regelmatig over het nabije groen-of weiland.
De mensen woonden 'op 't hoog', dat is in de bossen.
Een partij bomen werd afgehouwen, zo ontstond een open plek waar men dan de woningen kon optrekken.
Hoe die woningen er uit zagen?
Opgravingen, elders op verschillende plaatsen uitgevoerd, hebben aangetoond, dat de mensen uit die tijd in tamelijk primitieve hutten leefden, bestaande uit een kuil in de grond, daarover een lichtgetimmerd loofdak, en voor de hut, een met palen en vlechtwerk afgesloten ruimte.
We kunnen die woningen best vergelijken met de onderaardse schuilplaatsen, die onze landmensen tijdens de oorlog van 1940 aanlegden, om zich tegen bombardementen te beveiligen.

Terug naar boven



Retie in het land der Eburonen

Dat Retie ten tijde van Julius Cesar in het land der Eburonen gelegen was, tonen de geschiedschrijvers als volgt aan:

Wanneer de Romeinen, na de onderwerping der Belgische volksstammen, hier de grenzen van hun bestuurlijke provincies vaststelden, namen ze daarvoor de landgrenzen van de volksstammen ongewijzigd over, toen de Kerk, op haar beurt, de afbakening der bisdommen uitvoerde, hield deze zich aan de bestuurlijke indeling van de Romeinen.
Daarmee kennen we uit de kerkelijke indeling ook de woonplaats van de volkeren.

Welnu, Retie maakte eeuwen geleden deel uit van het bisdom Luik en dit bisdom viel samen met de Romeinse omschrijving van het land der Eburonen, zodat de uitspraak: 'Retie in het Land der Eburonen', wel kan aanvaard worden.
Retie lag dan op de grens van het Eburonenland, want Turnhout, Kasterlee, Geel behoorden tot het bisdom Kamerijk, het oude land van de Nerviërs.

Al hebben onze gewesten ruim drie eeuwen onder Romeins gezag gestaan, toch gelooft Dr. Van Gorp niet, dat er in onze omgeving Romeinen gewoond hebben. Wel is het zo goed als zeker dat Romeins soldatenvolk hier op doortocht kwam, in de richting van Arendonk en Bladel, zo naar de Maaskant, om de opdringende Germanen in bedwang te houden en terug te drijven.


Retie in het bisdom Luik (12e eeuw)

Op het geschreven marsorder heeft de Romeinse honderdman dan de naam van ons dorp gelezen, want die naam schijnt vol-Latijn te zijn: Retiacum, later verkort tot Retium of Retie, met daarin de Latijnse persoonsnaam Retus, zo betoogt Dr. Karel Roelandts.

De naam Retie zou dan betekenen: het goed of de woonstee van een zekere Retus, toentertijd de voornaamste grondbezitter te Retie.
Wanneer we het hier over 'Retie' hebben, dan bedoelen we het 'dorp', niet de gehuchten, waarvan sommige mogelijk ouder zijn en in ieder geval eeuwenlang gans onafhankelijk van het dorp waren.


Terug naar boven


De Franken te Retie

't Is geweten dat nog tijdens de Romeinse overheersing al maar vreemde volksgroepen van uit Germanje in onze gewesten drongen.
Onder hen noemen we de Franken, die we op het einde van de 4e eeuw, - de jaren 300 - in de Kempen aantreffen.
De daaropvolgende eeuw zullen ze het hele Vlaamse land overspoelen, de bevolking die ze er in aantreffen opjagen en uitroeien, en bezit nemen van het land.

Aan verschillende littekens, onder meer aan de thans nog bestaande plaatsnamen, kunnen we hun aanwezigheid ter plaatse aantonen.
De geschied- en taalkundigen wijzen er inderdaad op, hoe de nieuwe bewoners, - de Franken, - nieuwe namen gaven aan de plaatsen die zij bezetten, ook aan hun boerderijen, namen die uitgaan op 'hem' en 'sel'.
Hem-namen hebben we te Retie niet, sel-namen wel: Hulsel en Brasel.
In de taal van de Franken betekent het achtervoegsel sel zoveel als zaal, of gebouw, te midden van een uitgestrekt landbouwbedrijf.
'Hulsel', vroeger ook Hulssele en Hulselt geschreven, betekent dan: het zaalgebouw (de woning) te midden van hulststruiken, 'Brasel', - oudst gekende schrijfwijze: Berousel, - is het zaalgebouw van Bero, de stichter of de eigenaar van de boerderij.
Deze boerderijen zijn dan het begin geweest van de thans nog bestaande gehuchten Hulsel en Brasel.
De taal der Franken vinden we ten andere op ons dorp in de meeste plaatsnamen terug.
Benamingen als ekker (akker), veld, broek, beemd, donk, aard, zijn Frankisch, ons Looiend (loo is bos), onze Laarbeemden (laar is een weideplaats in een bos), onze Laarloop (thans het Nonnen-netje), de Opstal met zijn (peynse) poel, en meer andere zijn thans nog goed verkenbare tekens van de Frankische inbezitneming der Kempen, ook van Retie.

Over de Retienaren van die tijd weten we niets meer dan hetgeen de geschiedschrijvers ons mededelen over de Franken in 't algemeen.
Het waren boeren.
Iedereen was boer, en dat zal zo eeuwenlang blijven, want in de Franse tijd nog, rond 1800, boerde de pastoor van Retie en stond de toenmalige maire of burgemeester van ons dorp nog te boek als: 'notaire et cultivateur', als notaris en landbouwer.
Eigenlijk waren onze Frankische voorouders wel meer veehouders dan landbouwers.
Ze hielden inderdaad velerlei vee: runders, schapen, vooral echter zwijnen, die losliepen op de straten, en verder heelder kooien ganzen, door de ganzenhoeders naar de weide gedreven, naar de ganzenhoek of ganzen-winkel.
't Was gezond volk, met grote huishoudens, zodat ze, om de kost te verdienen, al maar nieuw land moesten bijmaken.
Zo'n stuk nieuw land noemden zij een 'ekker' of akker.
Uit die tijd, meer dan duizend jaar geleden, dagtekenen de Retie-ekkeren (den Ekker!), de Hulselse ekkeren, de Werbeekse, de Hodonkse, de Pomfortse ekkeren, de Berge-ekkeren, 't zijn uitgestrekte labeurlanden, die in een stuk aaneen liggen en aanvankelijk gemeenschapsgronden schijnen geweest.
Op die ekkeren wonnen de Franken hun rogge en hun haver, rogge die ze tot rogge- of korenbrood verhakten, haver om de dikke meelpap te bereiden, brood en pap en daarbij een stuk van 't varken.
Hun woningen waren gerieflijker dan de kuilwoningen uit vroegere tijden.
Het huis van een Frankische hereboer stond op de grond, was gevormd uit een geraamte van eiken gebinten, verbonden door vitsel of vlechtwerk, en toegedekt met een kloek strooien of rieten dak.
De keuterboer of lijfeigene kon natuurlijk geen houten huis vervallen.
Toch woonde hij nu ook boven de grond, maar de wanden van zijn woning waren van brede russen of graszoden gemaakt, zodat het gehucht zeer juist een 'russendorp' geheten werd.
't Zal nog wel vier-vijf eeuwen duren eer de mensen van Retie in een stenen huis gaan wonen.
Stal en woning waren aaneengebouwd, in het begin zelfs zonder afscheiding tussen beide.
'Zo is het woonstalhuis de typische bouw van onze Kempische hoeven geworden, en is dit tot op de huidige dag gebleven. Wel is er nadien een lemen wand tussen stal en woning gekomen, maar het hoofd van het gezin had zijn alkoof ingebouwd in de stal, zodat hij vandaar uit bij nacht over woning en stal kon waken... Bij dit eerste gebouw kwam dan later een schuur en een schob'
Een gezond volk waren onze Frankische voorouders, maar oneindig ruw en geweldig.
Nog in de 12e eeuw hadden de Taxanders, of Kempenaars de naam van 'een volk met primitieve en ruwe zeden, gehecht aan wildemanspraktijken en aan een massa bijgelovigheden', net nog zoals drie-vier eeuwen vroeger.
Te verwonderen was het dan ook niet, dat de 'raad der vrije mannen', die het recht in de dorpsgemeenschap moest handhaven, slechts door vreeswekkende straffen er in slaagde zulke geweldenaars in bedwang te houden.
De strafbepalingen vervat in de Salische Wet, - het wetboek van de Franken, - spreken hier een al te duidelijke taal.

In de geschiedenisboeken lezen we dat onze voorouders reeds in de 7e eeuw tot het waar Geloof bekeerd werden.
Thans neemt men aan dat zulks wel het geval is geweest voor de vruchtbare en dichtbevolkte gewesten als Brabant en Vlaanderen, doch niet voor de arme Kempen, toen nog overdekt met moerassen en afgesneden van alle handelsverkeer.
Wel weten we dat Sint-Lambertus (gestorven in 703 of 704) en Sint-Willi-brord (gestorven in 739), hun apostolaat in de Kempen hebben uitgeoefend, er misschien enkele bidplaatsen hebben gesticht, doch van parochies en kerken met een eigen pastoor is er dan nog geen spraak.
Die zullen hier eerst na het jaar 1000 komen.

Terug naar boven


De Berthouts

Een der rijkste en machtigste families van Brabant, gedurende de middeleeuwen, was buiten twijfel het adellijk stamhuis van Grimbergen, later de Berthouten geheten.
Hun grondbezittingen waren aanzienlijk: het land van Grimbergen, het Kwartier van Geel, het Land van Mechelen bezaten ze in volle eigendom of waren door hen in leen gegeven.

In de 12e eeuw nu behoort het dorp Retie, als deel uitmakend van het Land van Geel, ook toe aan het huis van Grimbergen.
Het hoofd van die adellijke stam was toen Arnt van Grimbergen, van wie Jan de Klerk in de 14e eeuw als volgt dichtte:

' Dese Arnt was sere vaillant / mogende mechtich en de rike / van magen, van landen, mogentlike / was hi van Grimbergen heere / van Mechelen, van Duffel ende Meere / van Walem, van Rumst, met gewelt / al tot Antwerpen op der Schelt: / van Heist ende Herlaer / van Ghele, van Rethie, van Berlaer / ende al soe vort, ongescheiclen, / al tot Postele op ter heiden. / Al dese lande, groot ende cleene / waren sine, ocht te leene / hilt men se van hem. '

De Berthouten staan in de Brabantse geschiedenis bekend als woeste ridders, die de graaf van Leuven, - de latere hertog van Brabant, - ongenadig bestreden, doch door deze verslagen werden in de driedaagse slag van Grimbergen (1143).
Niet alleen in het Brabantse waren ze gevreesd, ook buiten de landgrenzen had hun naam, zelfs bij de kinderen, een beangstigende klank en vertelden en zongen die over 'woeste Berthout, die met zijn bende door de Palts rijdt, en rooft en moordt en brandt als de duivel'.
Erg zullen de Berthouten zich in 't eerst niet bekommerd hebben om hun bezittingen in het arme Kempenland, hoe uitgestrekt die ook waren.
Alleen hebben ze er voor gezorgd dat hun eigendomsrecht plechtig en geldig op 't verzegelde perkament zou bevestigd worden, en verder hebben ze het aan hun rentmeester overgelaten zoveel inkomsten mogelijk uit ons dorp te halen.
Die rentmeester of meier woonde niet te Retie, wel zijn plaatsvervanger en deze haalde cijnsen, taksen en boeten of keuren bij de ingezetenen op, alles naar 'willekeur' van de almogende dorpsheer.
Die heer was inderdaad meester van 't hele dorp, 'met sijn hoogen ende leegen, natten ende droogen, cheynsen, pontpenningen, molens, bempden, euselen, moeren, wouweren, venen, voghelrie, visscherie, waranden, koren, breucken, thienden ende al andere profijten'.
Zo staat het te lezen in een oud register van het leenhof van Brabant.

Was de Heer almogend, toch moest hij, willen of niet en in zijn eigen belang, rekening houden met de gewoonten en de gebruiken van de plaats en kon hij het gezag van de 'vrije mannen' in de dorpsgemeenschap niet voorbijzien.

Wapen der Berthouten


Die gemeenschap leefde ordelijk naar de regels van het ongeschreven gewoonterecht, dat door de raad der vrije mannen, - ze zullen later 'schepenen' heten, - gehandhaafd werd.
Onder de vrede-brengende 'lént', de dorpslinde, op de 'plaetse' of het dorpsplein, zijn de ingezetenen op geregelde tijdstippen samengekomen om boerenbelangen te bespreken, om gevestigde boeten en straffen te horen uitspreken tegen hen die in gebreke bevonden werden, om hun klachten te uiten, nieuwe keuren of wetsbepalingen op te stellen.
Zo ging het op een ander in onze streek, zo zal het te Retie ook gegaan zijn, al is daar niets van overgebleven in de oude schrifturen.

Een gebeurtenis uit die tijd, welke te Retie voorzeker niet ongemerkt is voorbijgegaan, mag wel aangehaald worden, namelijk de plechtige inzegening van de eerste kapel der witheren in het naburige Postel.
Die paters hadden zich daar rond het jaar 1138 gevestigd en in de maand augustus van het jaar 1140 werd hun eerste bedehuis, een kapel, ingewijd.
In het klooster van Postel bewaart men nu nog een zeer oud perkament waarop het verloop van die plechtigheid beschreven wordt.
Onder de menigte mannen, vrouwen en kinderen die daar was toegestroomd, bevonden zich voorzeker Retienaren om het H. Vormsel uit de handen van bisschop Siwardus te ontvangen, of om de absolutie te bekomen van zware misdrijven, die alleen door een bisschop konden vergeven worden; onze voorouders zijn onder de indruk gekomen van dit grootse godsdienstig gebeuren, in de aanwezigheid van een menigte edelen en ridders, terwijl een macht wapenknechten het samengedrongen volk moest intomen en beletten dat de bisschop en de assisterende geestelijken in hun werk zouden gehinderd worden.

Terug naar boven


De witheren van Tongerlo te Retie

Arnout Berthout stierf in 1134.

Na hem vermelden de geschiedenisboeken drie Berthouten die de naam van Wouter voeren en waarvan de laatste als kruisridder nabij Damiate of Damiette in Noord-Afrika stierf (1219).

Daarop volgen, van 1221 tot 1320, een reeks Hendrikken als heren van Geel en dus ook van Retie.

't Was onder Hendrik Berthout I, en rond het jaar 1230, dat het dorp Geel veel voorrechten kreeg en verheven werd tot een 'vrijheid', met eigen bestuur, bestaande uit een drossaard en zeven schepenen, en met het recht een eigen dorpszegel te mogen gebruiken.
Zeer waarschijnlijk had Retie een of meer afgevaardigden in de Geelse schepenbank, om daar de belangen van hun dorp te behartigen.

De tweede onder hen, Hendrik Berthout II, ook Hendrik van Oosterlo geheten, omdat hij op zijn 'hof' of waterburcht te Oosterlo-bij-Geel verbleef, dient hier vermeld in verband met de kerkelijke geschiedenis van Retie.
In zijn tijd immers werd onze Sint-Martinuskerk en het daarbij behorende kerkegoed aan de abdij van Tongerlo geschonken.
Dit geschiedde in het jaar 1264.
In de schenkingsakte, overgeschreven in het perkamenten privilegie-boek der abdij (21) lezen we: dat de Sint-Martinuskerk te Luik sinds onheuglijke tijden in het bezit was van landgoederen in de 'villa de Rethy', dat is: in het dorp Retie.
Op de octaafdag van het feest van Sinte Marten-in-de-winter van het jaar 1264, geven en schenken Wilhelmus, deken, en met hem het volle kapittel, al deze bezittingen met de daaraan klevende rechten, in erfpacht aan de religieuzen premonstratenzers van de O. L. V. Abdij van Tongerlo, in het bisdom Kamerijk, en wel voor de som van negentien pond Leuvens, telkenjare te Luik te betalen, de ene helft op O. L. V. Lichtmis, de andere op St.-Jan-Geboorte daaropvolgend.
In een akt, op dezelfde dag verleden, wijst het Luiker kapittel er op: hoe Hendrik Berthout, de heer van Geel en Retie, ten onrechte de hand sloeg aan een deel van het Tiend van Sint-Martinus te Retie.

Retie in het Land van Geel (12e eeuw)


De paters witheren, die rond het jaar 1130 te Tongerlo kwamen, waren in 1264 al geen vreemdelingen meer voor de mensen van Retie. Sinds honderd jaar (1164) bezaten ze reeds goederen te Schoonbroek, en in de pauselijke bulle van 6 september 1186 werd de hoeve van Werbeek al vermeld onder de bezittingen van de abdij van Tongerlo.

Van 1264 tot 1819, méér dan vijfhonderd jaar lang, zal onze parochie bestuurd worden door witheren, door Norbertijnen van Tongerlo.

Tot de Sint-Martinusparochie van Retie behoorden toentertijd de gelovigen van Schoonbroek, Kinschot, Bremel en Gertijnen, Loeyend en de Berg, Duiberg en Geneijnde, de Straat (dat is het Dorp), Overbroek, Hulsel, Werbeek (en Hodonk), Boseijnde, Berausel (dat is Brasel).

Over de pastoors uit de eerste tijden van het parochieleven alhier, weten we tot op heden weinig of niets.
In 1226 of 1236 was een geestelijke, geheten Petrus, pastoor van Retie, en van de pastoor van Retie die in 1271 getuige was bij de oprichting van de kerk van Dessel kennen we slechts de eerste letter van zijn naam, nl. een N.

Onze kerk was toen zeer waarschijnlijk, zoals overal elders, een houten gebouw, een 'bedderen kerk' met hoogstens een stenen koor voor het altaar en de priester.
Het koor moest door de pastoor onderhouden worden, de rest van de kerk, behalve de toren, door de tiendheffers.
Tot het onderhoud van de pastoor en van de kerk moesten de inwoners Tienden van hun veldvruchten afstaan.
Op die Tienden, oorspronkelijk bestemd voor priester, kerk en armen, hadden de wereldlijke heren het vaak gemunt en zij durfden er zich door geweld en brutale overmacht wel een deel van toe-eigenen.
Onze dorpsheren uit die tijd, de Berthouten, hadden op dat stuk geen beste naam, zoals reeds blijkt uit de hierboven vermelde verklaring van de Luiker kapitteldeken Wilhelmus.

Terug naar boven


Het Herengoed van Retie

Het herengoed van Retie omvatte tot in de Franse tijd, buiten sherenbossen en sherengoor, de thans nog bestaande 'cleyn hoeve' aan het dorp en 'de groote hoeve' van de watermolen, met de daarbij behorende akkers, beemden en eusels.

In ons kerkarchief nu berust een perkamenten boekje uit het jaar 1533 met daarin de beschrijving van 67 percelen, die destijds aan de abdij van Corbie toebehoorden.
Bijna al die percelen liggen in de omgeving van de Kleine Hoeve, zodat de vraag mag gesteld worden: Is het herengoed van Retie niet voortgekomen van Corbie?
We vermoeden het, en in dit vermoeden worden we gesterkt door het bestaan van een Sint-Pieterskapel, vlak bij de Kleine Hoeve.
De naam van die kapel wijst immers naar Corbie, want alle kerken en bidplaatsen welke deze abdij in haar Kempische bezittingen oprichtte, hebben Sint-Pieter voor patroon.
Die kapel is zeer oud en nog in 1819 gold hier de plaatselijke overlevering dat zij de éérste kerk van Retie is geweest.
Vroeger droeg ze de naam van 'kerk'; dat maken we op uit de benaming van een der oude bedenwijken van Retie, die 'Tusschen beyde de kercken' heette en het deel van het dorp tussen Sinte Marten en Sinte Pieter omvatte.
Er moet alzo een tijd geweest zijn dat Retie twee kerken had: de Sint-Pieterskerk, een domaniale kerk, op het domein van de dorpsheer opgetrokken, en de Sint-Martinuskerk, een vrije kerk, door de bisschop opgericht op het goed van de gemeenschap.
Welke is de oudste van de twee?
Wanneer deken Wilhelmus in 1264 de Sint-Martinuskerk in erfpacht geeft aan de paters van Tongerlo, zegt hij: het kerkegoed te Retie bezitten wij sinds onheugelijke tijden, - a tempore a quo non extat memoria.
Hij kan het nog op geen honderd jaar na zeggen.
Toch is het niet uitgesloten dat de Sint-Pieterskerk ouder was, want volgens H. Van Weerd zou het tussen 774 en 825 of 826 geweest zijn, dat Corbie kerken oprichtte op haar eigendommen.
Mogen we onze verbeelding even laten gaan dan kan de zaak zich als volgt voorgedaan hebben.
Eeuwen terug was de boer van de Klein Hoeve een heiden en op zijn goed had hij een plaats, een boom of wat ook, aan de goden toegewijd en waar offers gebracht werden.
Dan is de geloofszendeling gekomen die de meester tot het christendom bekeerde, waarop de hereboer het heidens gedenkteken verwijderde en in de plaats daarvan een beeldkapel oprichtte voor de bewoners van zijn landgoed.

Terug naar boven