Klik op de blauwe woorden = (dialect) Het Retiese dialect Woorden in groen = Algemeen nederlands

De Spreukenroute     


Dieren zijn de rode draad van deze bijdrage.
Eerst even aandacht voor enkele losse woorden.

Een koe die niet drachtig werd of onvruchtbaar is, noemde men en brul.
Een grote libel is en biêzepjèèd (blezenpaard).
Nen toplewèrk duidt een kuifleeuwerik aan.


... en èèchte gawet ...

In vorige nummers besteedde ik reeds aandacht aan ne mù?en (nuchter kalf) en nen bè?el (wat ouder kalf).
Deze woorden werden evenwel ook vaak als scheldwoorden gebruikt, net als kalf.
Alle drie richtten ze zich tot mannelijke jongeren en volwassenen.
Nen bè?el kon ook wel betrekking hebben op een kind.
Tussen deze schimpwoorden zijn er betekenisnuances en verschillen in gevoelswaarde.
Ne mù?en beklemtoont het naïef-domme; iemand die onbeheerst, wild tekeergaat, kan nen bè?el genoemd worden en e kalf combineert onhandigheid èn omvang.
Een klunzige, erg spichtige man bedacht men niet zo gemakkelijk met kalf.

Je kan een woordenboek (ook een dialectwoordenboek)vullen met scheldwoorden voor vrouwen, maar ik beperk me voor dit artikel tot twee.

Gaj zè en èchte gawet, se gawet waren uitroepen, vaak in de huiselijke kring, waarin woede en frustratie over ongehoorzame, opstandige, onwillige meisjes en vrouwen geventileerd werden.
Ne fissekop was een scheldwoord voor een kwaadaardige, venijnige, op revanche beluste vrouw.
Een fis is een streekwoord voor bunzing.
Het woord komt via het Middelnederlands visse, fisse uit het Latijn vissio (wezel).

Rijmpjes, door kinderen gezegd of gezongen, worden vaak gekenmerkt door een zinloze inhoud.
Het rijm en de cadans zijn het belangrijkste.
Een gescandeerd staprijmpje is:
Links, réchts,
ka?evetès,
ôpen meej en tutterflès.
Links, réchts
kattenvitesse
apen met een tutterfles.

De inhoud van het volgende aftelrijm, zet sommigen misschien aan het filosoferen: Gô nor hojs, pakt en mojs, légt ze óp ne stiejen, èn ze is van èèw alliejen.

Als laconieke afsluiting van een bespreking of een (wat slordige) redenering, soms ook als een licht spottende afremming van het rijkelijk gebruik van het stopwoord 'dus', hoorde je geregeld: Dus en kat is gén mus èn ne stamp géne kus.

Wanneer ironisch werd uitgepakt met een geschenk(je), dat amper een cadeau genoemd kon worden, dan kon er al even ironisch en relativerend gereageerd worden met: Ja, dowe kunde de kat meej vétmêsten.

Kinderen die een nors, verongelijkt, kwaad gezicht zetten, konden te horen krijgen: Wade gezicht. Da kan ik óp de kelderdeur hangen, dan koomen er gén ka?en in.

Ook in het volgende rijmpje speelt een kat(je) de hoofdrol:
Ós kèjen lag
aa?er den biezenbós doewet.
Ze stjèjen was eraf èn ze gèjen was bloewet.
Ora pro nobis

En wat te denken over het hondje van cafébazin Fika lang geleden toen Gaia nog niet bestond en het afkappen van een hondenstaartje beschouwd werd als een esthetische ingreep.
Fika hield meer van haar hondje dan van de hardnekkige aanbidders vóór 'den toog' en ze stond graag met het hondje in haar armen achter 'den toog'.
Dat bracht een der jónkmannen op de romantische uitspraak: 'Fieka, da hunne?en zókik wél wille zén'.
Waarop Fika onverstoord en quasi terloops zei: 'Mèrgen wot ze stjèjen er afgekapt.'
Of onze jonkman in de rest van zijn leven nog ooit romantisch bedoelde verzuchtingen onder woorden heeft gebracht, vertelt dit magnifieke verhaal niet.

Het is heel irritant wanneer vliegen over je huid lopen: En vlieg dat bét wél nie, mèr diejen treej is nie óm ùt te stôn.
En er zijn mensen die het niet verdragen dat ze kaal worden.

Het middel om haarverlies te stoppen of zelfs om het haar opnieuw te doen groeien is, naar verluidt, ne nuchteren mù?en zoe di?els meugelek oover ewe kop lôte lè?en.
Als dergelijk aangeprezen kaalstop- en haargroeimiddel inderdaad effectief is, dan kan je je verrassing en ver- of bewondering wellicht in dezer voege tot uiting brengen: Allé jóm, is da wower! Da zén lappen!!
Waarop een ander dan weer relativerend en ironisch kan repliceren met: Zén da lappen? Vèr?esoeweren ôn de wasdrôd, da zén lappen!


Met dank aan Gust Adriaensen.