Klik op de blauwe woorden = (dialect) Het Retiese dialect Woorden in groen = Algemeen nederlands

De Spreukenroute     


De lózie is het uitstekende dak boven de schuurdeur en de deur van het karhuis die haaks op mekaar naar de staldeur en de straat gericht stonden.

De nêre betekent dorsvloer en komt van het Latijnse area.

De zult komt van zulle (drempel, balk) en betekent in de Kempen de dwarsbalk waarin de bovenste uiteinden van de stallepels (stalrepels) gestoken werden.

De móld (moel)is een kneedtrog of een kist om het meel voor de dieren in te bewaren.
De oorsprong van het woord zit in het Latijnse mulctra.


De mould (Tekening:Guy Aarts)

Een hâgt duidt een ketting aan.
Het zou kunnen verband houden met het Middelnederlandse hagedochte, dat krocht, onderaards gewelf betekent en vaak geassocieerd wordt met kettingen en gevangenschap.

Op deze pagina behandel ik ook een aantal uitdrukkingen die met eten en drinken te maken hebben of waarin woorden voorkomen die betrekking hebben op huis en huisraad.

Groewetoeweg meej e klawen bùksjen wordt gezegd tot kinderen die meer trek hebben dan ze kunnen opeten.

Ee?en lèk nen hawiespower: overvloedig eten.
Iemand die de heide ontgon, leverde labeur-werk en had veel kracht en energie nodig.

Meej hoewet èn poewet ópee?en (hoofd, kop) betekent alles, het laatste restje opeten.

Een persoon die bij het eten voedseldeeltjes in de buurt van de mond morst, rét teegen den durstâwel.

Wie iets te warm drinkt of eet kan daardoor de hôren van zen ziel stoo?en.

Wanneer je van een bepaald soort voedsel huiduitslag krijgt, is dat ùtslag van inslag.

Heb je lang niet gegeten en heb je heel veel honger, dan ziede ze bótteren.

Nog erger is het wanneer je het mènne?en krijgt of de gèrhónger (geeuwhonger).
Geeuwhonger is de volksetymologische vervorming van gahonger, dat plotselinge honger, flauwte betekent.

Dat veel snoepen als een dure aangelegenheid werd beschouwd, zit verwoord in ne snoeper heej het nog drawie dôgen iejer óp as nen drin?er.

En wees niet direct erg ongerust wanneer je iets inslikt, want wa dùr de roeper gô, gô dùr de poeper.

Beteuterd kijken is kijken of ge ge de steel van 't pènne?en gestoewe?en hét.

Iemand die wel ergens een grens stelt maar niet accepteert dat een ander zelfs meer dan de helft van iets opeist kan zeggen: ik kan goed verdrôgen da ge in de hélft van 't béd ligt, mèr da ge ew dan nog in de sazie rolt ok...

Wanneer je een buitengewoon knappe vrouw ziet, kan je zeggen: zoewe kunt g'er gén zwieje?en óp en kâw moos.

Heimelijk iemand afluisteren wordt zwaar aangerekend: bêter nen dief ôn de klink as en lèùstervink.

Als er mensen (kinderen) aanwezig zijn die iets niet mogen horen, wordt gewaarschuwd: er zén la?en ôn 't hojs.

Om spijt of ontgoocheling te relativeren, werd wel eens gezegd: Is da zund ? boo?er ôn ew gat smêren èn ew broewed druujeg ee?en, da's zund.

Als je ophoudt met werken wanneer je iets uitlegt kreeg je te horen: klappen en brawen.


Met dank aan Gust Adriaensen.