Klik op de blauwe woorden = (dialect) Het Retiese dialect Woorden in groen = Algemeen nederlands

De Spreukenroute     


Wat we nu living noemen, werd vroeger hojs genoemd.

De gój kômer of vanveur was de pronkkamer.

De moos was de achterkeuken, waar groenten werden gewassen, de afwas werd gedaan enz.
Het woord betekent modder en behoort bij mos.

Een oud dialectwoord voor keuken is den hèrd.

Onontbeerlijk was het hèùsken, dat zich buiten bevond of bijvoorbeeld tussen twee varkenshokken.
Huisje duidt de wc, het toilet aan.
Er waren omstandigheden waarin het woord hèùsken als onfatsoenlijk werd aangevoeld.
Dan werd het vervangen door gemak.

In oude Kempense boerderijen was er een vapeur, wat oorspronkelijk damp betekende.
Het waren rails waarover de koeketel, soms sopketel genoemd, naar de stal werd gereden.
Een van de huidige betekenissen van het algemeen Nederlandse vapeur is overigens spoortrein.


Het hèùsken (Tekening:Guy Aarts)

In de deur van het hèùsken stón mjétstal en hèteken.

Bij de verwarmingstoestellen verdienen (Leuvense) stoof, kwizenjéér, duuveljen en grispot vermelding.

Een (Leuvense) stoof is een platte buiskachel.
Stoof is verwant met stuiven, waarbij de grondbetekenis wasemen, dampen is.

Een kwizenjéér (cuisinière) is het Franse woord voor fornuis.

Een kacheltje met een of meer kookplaten is een duuveljen.

Zówen betekent koken, zieden.

Een grispot is een vuurpot of lollepot.
Kiliaan (16de eeuw) geeft als betekenis van lollen: de dijen koesteren, d.w.z. met gespreide benen het onderlijf warmen onder de rok boven een pot.
Grissen heeft de meer algemene betekenis van zich rustig warmen dicht bij een vuur gekregen.

Hólie (steenkool) komt van het Franse houille en ne keuterhôk is een koterhaak, pook.

Het feit dat de waterketel vlug zwartgeblakerd was, gaf het ontstaan aan het woord moewer.
Het woord Moor duidt oorspronkelijk een inwoner van Mauritanië aan, vandaar in 't algemeen zwarte.

Nen triezeej is een trijzel, een (ijzeren) zeef voor droge waar.
Het woord gaat terug op het Middelnederlandse triselen, dat draaien betekent.

Nen témst is de dialectische uitspraak van het algemeen Nederlandse woord teems, dat zeef, vergiet betekent.
Het woord komt uit het middeleeuwse Latijn: tamisium.

Pasviet (Passe-vite) is Frans voor roerzeef.

E scheel (deksel) is een samentrekking van schedel.

E spinjen is een mandje dat op de schoot werd gezet om bv. aardappelen te schillen, erwten te doppen.
Spint, spinde was oorspronkelijk een maat voor droge waren, het twintigste deel van een hectoliter.

Een onderleggertje wordt bèdde?en genoemd.

En teloewer (bord, teljoor) komt van het Middelnederlandse taillioer (schotel vooral gebruikt voor het snijden van vlees), dat ontleend is aan het Franse tailloir (hakbord), waarmee het woord taille (middel) verwant is.
Teljoor en taille: een toch wel betekenisvolle verwantschap.

Als er niet veel op het bord komt, heb je geen reden om te zitten giezen (begerig kijken naar).
Het woord is verwant met gierig.

Frinkét of verkét (vork) is de vervorming van het Franse fourchette, de verkleinvorm van fourche (hooivork, gaffel).

E schowes (scheermes) is evenals schaar (om te knippen) en schaar (kerf, kras) van dezelfde basis als scheren.

Een ragebol wordt naar de vorm en halve môn genoemd en ne wringer is een mangel om gewassen kleren glad te strijken of het meeste water eruit te verwijderen.

Na gedane arbeid mag je uitrusten in de zùrg.
Dat is de verkorte vorm van het algemeen Nederlandse woord zorgstoel, een leunstoel met hoge rug.

En sazie (sarge, deken) komt van serge, een bepaald soort weefsel.


Met dank aan Gust Adriaensen.