Klik op de blauwe woorden = (dialect) Het Retiese dialect Woorden in groen = Algemeen nederlands

De Spreukenroute     


Iedereen heeft ongetwijfeld vaak de zin de pata?en zèn mùrg (de aardappelen zijn gaar) gehoord.
En patat, sedert enkele eeuwen het volksvoedsel bij uitstek, komt van het Spaanse patata.
Mùrg is de dialectische uitspraak voor murw (zacht, week, niet hard).

Petazie kwam, zeker tijdens de winter, geregeld op tafel.
Het is stamppot van aardappelen en in het bijzonder kroezelkolle?es (krulool, boerenkool) of hojskol en loof van jonge rapen die in de tuin gekweekt werden en rubben werden genoemd.
Ook het gebruikte groensel zelf heette petazie.
Het woord is een vervorming van het Franse potage (soep), dat teruggaat op pot, wat vaatwerk betekent en als basisbetekenis bolrond heeft.
Wat ook als ingrediënt van petazie werd gebruikt, was hanne-vruug-op (brave hendrik of algoede), een op spinazie gelijkende groente.

Rapen dienden in de eerste plaats als veevoer, maar kinderen lustten ook wel een klein, mooi gevormd, bij voorkeur gelig gekleurd raapje dat dan (boter)tèulle'en genoemd werd.


Tèulle'es broawen

As we meej pénsjoen zèn, dan goan we tèulle'es broawen .
Betekent dan zullen we samen er iets fijns van maken, genieten van het leven.

En knuzzel is een stekelbes en sloeweren (sloren) duiden nog niet gesloten of zich niet sluitende koolplanten of het zaad ervan aan.
Dat zaad werd gebruikt om olie te slaan.
Sloor is verwant met slodder(en) en gaat terug op een Germaans basiswoord met de betekenis van slap zijn.

Binnenshuis mochten de vrâwetóngen (sansevieria) en de katsjoeplant (ficus, rubberplant) niet ontbreken.

In de tuin bloeiden de plèùskes (kleine, sterk geurende anjers) en zjenoffels (anjers).
Genoffel en giroffel komen reeds in het Middelnederlands voor en stammen van het Franse girofle, dat dan weer kruidnagel betekent.

Stin?ers zijn afrikaantjes en bélle?es fuchsia's.

Hémsknùpjes zijn kamillen.

Gawe?enbowet (geitenbaard) is het Nederlandse woord voor de aruncus dioicus, Aruncus gaat terug op een Grieks woord dat geitenbaard betekent.
In het dialect duidt het woord ook de moerasspirea aan.

Krojnôgels zijn seringen, mâjklùksjes lelietjes-van-dalen en mollekoppen akelei.

Feestelijk klinken kérmisblómmen (flox, herfstsering) en rajspap (muurpeper, een vetplant met stervormige gele bloemen) en vromer kristusoewegen (vertaling van het Latijnse oculi Christi) voor de roodpaars bloeiende lychnis of brandende liefde en nónnenblómmen voor petunia's.

Frivoler zijn dan weer nâchtmadammen (Oost-Indische kers) en bloewete madammen of bloewete begâjnen (herfsttijloos).
Deze bloem ontleent haar naam aan het feit dat ze rijke bloei geeft nadat het blad is afgestorven.

Balroewes is Gelderse roos, dónderblóm, die zou beschermen tegen blikseminslag, huislook, tèljes duizendschoon, flùrjes of floêren bruksjes lenteviolier en driêzeblumme?es madeliefjes.

Trekken we het veld in en bewonderen we de piesblóm (paardenbloem), het piespùjen (akkerwinde), réngesjes (van rank) vermoedelijk de slingerende, klimmende stengels van de akkerwinde, de sint-joozefsblóm (pinksterbloem), de brandblóm (duizendblad), bósne?els (bosandoorn), de pjèèreblóm (margriet), de kèmme?es (varens), de lievevrâwblumme?es (vergeet-mij-nietjes) en de polleepeldieven (herderstasje).

Hônepoewe?en zijn koekoeksbloemen en koekoeksblómmen is dan weer het dialectwoord voor de gevlekte orchis.

En kolleblóm (klaproos) ontleent haar naam aan hol (voorhoofd), naar de bolronde doosvrucht.

Het vra?ekrojt, dat kan gebruikt worden om wratten te doen verdwijnen, duidt de stinkende gouwe aan en honikblommen kamperfoelie.

Ook mèmzoigers werd gebruikt om in het bijzonder geitenbaard of tuinkamperfoelie aan te duiden, kinderen zogen de nectar uit deze bloemen.

Wat konijnen graag eten zijn hoonzerubben (bladeren van smalle weegbree), gânzetóngen (bladeren van de paardenbloem) en konainekoek (jonge bladeren van de berenklauw).

Ruts is perzikkruid.

Mélven zijn melden of ganzenvoet.

Ne rus is een graszode en is vermoedelijk van dezelfde basis als rooien.

Rawazie duidde dichtgegroeid, oud gras bv, langs grachtkanten aan, ook wel algemener hoop rommel.
Het woord is vermoedelijk een vervorming van ravage.

Sùlle?es zijn zurkelblaadjes, zuring, die door kinderen wel eens opgegeten werden.

Vèr?esblôweren duidt paardenzuring aan.

Hinderlijke en schadelijke onkruiden vooral in roggevelden waren diverse wikkesoorten zoals krok (van het Latijnse cracca) en vitsen, afkomstig van het Latijnse vicia (voederwikke), dat eveneens aan de oorsprong van het woord wikke ligt.

Kérmisgâsten zijn de uitgebloeide bloemknoppen van het knoopkruid en het kliskruid.
Zij haken zich vast aan bv. kleren, zij blijven plakken. Zoals kermisgangers die blijven hangen, plakken ?

Poeze?es zijn wilgenkatjes en ju?els eikels.

Ne ju?elenboewem werd ook wel gebruikt om een eikenboom aan te duiden.

Bèulle'es zijn dennenappels en hoonzebèulle'es de vruchten van hoonzenheit (sporkehout, vuilboom).
De bolletjes werden gebruikt om met de klótsbojs (soort van proppenschieter waarvan de koker bestond uit vlierhout waaruit het merg was verwijderd) te schieten.

En waj evenals en wis zijn in het bijzonder wilgentenen of -twijgen.
Ze werden gebruikt om bv. manden te vlechten.
En wis
duidde ook een hoeveelheid aan: zoveel (hout) als men met een wis kon samenbinden, bv. een wis blokken (klompen) is 13 paar blokken.


Ne posjt (Tekening:Guy Aarts)

Floeren ôp is de fluweelboom en ôpeverdriet de algemeen Nederlandse naam voor de araucaria, apenboom.
De dakpansgewijze aanliggende schubben van deze boom zijn zo hard dat hij zelfs voor apen niet te beklimmen is, vandaar apenverdriet.

Wùrft duidt de werf of wilg(enstruik), in het bijzonder de waterwilg aan.
Het woord is verwant met het Latijnse verber (zweep) en gaat terug op een stam die buigen betekent, omdat wilgentakken zeer buigzaam zijn.

Hésseltêr (hesselteer) is algemeen Nederlands en betekent haagbeuk.
Er is geen voldoende verklaring voor hessel.
Teer echter is hetzelfde als het Engelse tree (boom).

Rap groewet, rap was, kloeweters duiden de witte abeel aan.

Arabél is een vervorming van het Franse woord érable voor esdoorn.

En de stronk van een boom is ne posjt.
As ge hósjt lèk nen hollen posjt, ben je ongetwijfeld heel erg verkouden.



Met dank aan Gust Adriaensen.