Klik op de blauwe woorden = (dialect) Het Retiese dialect Woorden in groen = Algemeen nederlands

De Spreukenroute     


Gezegden, vergelijkingen, spreekwoorden maken een taal kleurrijker, plastischer.
Ook in ons dialect werden en worden ze vaak gebruikt.
Sommige behoren tot het normale taalbezit van alle dialectgebruikers, andere ontstaan en leven (soms niet lang) in een groep, een clan, een familie.

Hier volgt een reeks gezegden met dierennamen.

Majnen bêr begint te grollen: wordt gezegd wanneer je maag begint te rammelen van de honger.

Iejerst walie èn dan de bjêsten (beesten): De mensen gaan voor op het vee.
Bij uitbreiding: eerst oompje en dan oompjes kinderen.

Die ékster heit zwak:Het nest is op een moeilijk bereikbare plaats gebouwd.
Je moest zwak (lenig) zijn om de ekster te roven.

Da 's en zwa?e schojf(schuif): werd bewonderend gezegd over een lenige, zwierige, beweeglijke man.
De oorspronkelijke betekenis van schuif, schuiver is echter negatief: landloper, schooier.

Nen hoewep fli?etêrs: werd gezegd wanneer fleurig en modieus geklede meisjes voorbij fietsten.

De hinnen roeweven (roven): De eieren weghalen uit het nest.

Lachen meej en hin die piêst: Vlug lachen, lacherig zijn.

Ge kékt zjust lèk en hin óp ne piêr: Verwonderd turen, staren.

Gaj meugt bôs zèn oover de hinnen as den hôn nie tojs is: Vooral gezegd tot kinderen die het leiderschap in het spel opeisen.

Wower ge schawert muute pi?en: Kippen scharrelen en pikken op dezelfde plaats. Werk geeft recht op eten.
Gezegd door boer of boerin tot helpers (bv. bij de oogst) die een uitnodiging om mee te eten afsloegen.

Da schiet hiêr ojt lèk de hower óp nen hónd: (On)kruid dat welig tiert.

We hemmen miejer sjâns dan nen hónd diejen verzoop: Geluk hebben in bedreigende omstandigheden.

Zjust van pas lèk nen hónd zajne stjèt (staart): Iets komt van pas of past perfect.

Alle hoonsgezawe?en (hondengezeik): Zo dikwijls als een hond urineert: zeer vaak.

Da's den hoonswég in (hondsweg): Iets wat uitgeleend maar niet teruggebracht werd.

Voogels die 's mèrges vruug zingen wonnen ooverdag dùr de kat gepakt: Niet al te vlug of te vroeg uitbundig doen of opgewekt zijn, je weet niet wat de rest van de dag nog kan brengen.

Ne kùlder oover 't land, réégen in de hand: Als wulpen laag vliegen, komt er regen of regent het.

Da stô zoe druujeg as 't gat van ne koekoek: Zeer droog.

Ge wilt de kój mélken vùrda ze gekalfd heej: Al willen voordelen halen uit iemand of iets voordat de mogelijkheid er is.

Ge kunt noewet wee?en da en kój nen hôs pakt al ist mèr meej spùrrie wawen:
Het eerste deel is een algemeen gezegde en betekent: je weet nooit hoe het onmogelijke nog mogelijk wordt.
Het tweede deel is een plaatselijke toevoeging.
Spurrie is een muurachtig gewas dat als veevoeder diende.
Hazen zaten doorgaans niet in een spurrieveld en spurrie werd gemaaid.

Hâjgen as en spùrriekój (spurriekoe): Koeien die met spurrie gevoed werden, konden last van gasophoping in de pens krijgen,zij zwollen op.
Dat beïnvloedde de longfunctie.

Hâjlegen drâjdeem (driedeem): Demen zijn de spenen van zoogdieren, in het bijzonder van koeien.
Zegswijze, uitroep bij onverwacht, tegenvallend, mislukkend huishoudelijk feitje of klusje.
Wellicht in oorsprong een eufemistische vervorming van Heilige Drievuldigheid.

Kwâk zéggen de kréjen (kraaien): Reactie op kinderlijk protest tegen bepaald voedsel.
Da mâk ik nie (lust ik niet). Kraaien roepen niet 'kwaak', kinderen horen niet 'dat lust ik niet' te zeggen.

Ge zult in de hawie nemiejer lammeren: Wanneer iemand overvloedig gegeten had.
Ooien die onvoldoende gegeten hadden, uitgeput waren, geraakten soms niet meer in de schaapskooi om te lammeren; zij lammerden in de hei.

'k Zal veur èèw es ne wi?e mol vangen meej zwè?e blo?en èn en heitere snotbèl: Zegswijze om je dankbaarheid uit te drukken voor een bewezen dienst.

Alle bô?en hélpen zeej de mug èn ze pieste in de zieje èn iejest was ze vól èn tuun liep ze oover: Elke vorm van hulp, hoe klein ook, is welkom en nuttig.

Haj ét lèk en mus: Hij eet zeer weinig.

E meulepjèèd (molenpaard): Is een algemeen Nederlands woord.
Letterlijk betekent het: paard dat in een molen loopt of voor een molenkar gebruikt wordt.
Figuurlijk duidt het een vrouw van lompe, grove gestalte aan.

Pjèjes snajen: Een boterham in partjes snijden waarvoor de dialectische uitspraak van paardjes werd gebruikt.

Ge zit er zjust óp lèk en pad óp ne stèk: In een heel ongewone, eigenaardige houding ergens op zitten, bv. op een fiets.

't Gô rêgenen want de vèr?es loewepen meej stroewie in hùlliejen bék: Spottend gezegd tot of over iemand die met een dikke sigaar rondliep.

't Vèr?en gôn verrowen, doewet duun èn afkappen: Afspreken met de slachter wanneer hij komt slachten.
's Anderendaags werd het varken in stukken gekapt.

Da pâst as en tang óp e vèr?en: Algemeen Nederlandse uitdrukking: dat staat als een tang op een varken.
Betekenis: dat past er helemaal niet bij, dat heeft er niets mee te maken.

Jezus Maria Jozef wa ziede zwèt èn beschee?en van de vliêgen: Zegswijze, uitroep bij een onverwacht, tegenvallend huishoudelijk feitje, bv. wanneer de melk overkookt.

Ne kùbber is een kobber, doffer, mannetjesduif.

E kwèbbe?en is een pasgeboren vogeljong.
Ontstaan uit een basiswoord met de betekenis zacht, week.
Ook kwab en kweb (moerassige grond) gaan daarop terug.

En voewie, een vooi, moerkonijn.
Komt van de stam van voeden.

Ne rawer is een rammelaar, een mannetjeskonijn.
Het woord komt van rijden in de betekenis van dekken, paren.

Fenènt duidt allerlei ongedierte aan.
Venijn (gif, laster) komt van het Latijnse venenum (sap, drank, toverdrank, vergif, verderf).
De oorspronkelijke betekenis was echter liefdesdrank en het woord is verwant met venus.


Met dank aan Gust Adriaensen.