Klik op de blauwe woorden = (dialect) Het Retiese dialect Woorden in groen = Algemeen nederlands

De Spreukenroute     



Ne schêper


In het zuivere water van de bovenlopen van de Kleine Nete in onze gemeente vind je nog steeds schêpers en nónne?es.

Ne schêper is een schaatsenrijder, een langbenige roofwants die zich snel over het wateroppervlak kan bewegen.

E nónne?en is een draaikevertje, een zwart watertorretje, een schrijvertje.
Iedereen kent wel het Schrijverke van Guido Gezelle, het krinklende, winklende waterding met 't zwarte kabotseken aan.
De oorsprong van nónne?en heeft te maken met het gewestelijke woord non, dat drijftol of priktol betekent.

Je weet dat schêpers en nónne?es zich in mekaars buurt ophouden en wellicht is daaruit de volksetymologische verklaring gegroeid dat de schêpers of schapers, herders toezicht moeten houden op de nónne?es of kloosterzusters.

Minder idyllisch klinken zèksmójer, mier, en e kotvèr?en voor pissebed of (platte) zeug.

Ne mùlder is een meikever, die ging je bij voorkeur schudden in beukenhagen.
Een ietwat groter, steviger exemplaar met 'wit bepoederde dekschilden' werd toepasselijk een bá?er genoemd en was het meest gegeerd.

En tietáwjen is een zeer kleine bloedzuigende mug die in zwermen voorkomt, een knut(je). De herkomst van het woord is me vooralsnog een raadsel.

En lol duidt een vlees- of bromvlieg aan.
Het woord gaat terug op het Middelnederlandse lol (deun, dreun), lollen (prevelen) en is verwant met lallen en het Latijnse lallare (in slaap zingen).
Het zijn klanknabootsende vormingen.

En biemèùsken is een koolmees en de klanknabootsing e suskewiet een vink.

Ne klamper duidt verschillende dagroofvogels aan, in het bijzonder de sperwer.
Het is duidelijk dat het woord verband houdt met klampen in de betekenis van vastklemmen, vastgrijpen.
Wellicht ving hij soms nen hâjslènder of (hei)hagedis.
Slender verwijst naar de Middelnederlandse woorden slenterlinge, slinderen (kruipen).

Ne roe?er is een nevenvorm van het gewestelijke roetaard en duidt de Vlaamse gaai aan.
Hikster behoort waarschijnlijk tot een nog oudere dialectische laag dan roeter, beide betekenen Vlaamse gaai.
Etymologisch zijn hikster en ekster dezelfde woorden, Middelnederlands exter, haexster, Middelnederduits hegister.
Waarschijnlijk zijn de woorden verwant met eg (scherpe kant), in welk geval de vogels naar hun snavel zijn genoemd.

Ne kùlder is een wulp.

Ne geuber of geuver is een bermpje of gebaarde modderkruiper.

En neegenoeweg duidt de beekprik aan, een visje dat uiterst zeldzaam is geworden maar nog voorkomt in zuiver rivierwater in onze streek.

Ne zandlodder is de kleine modderkruiper, hij zuigt zich met zijn bek, die zich onderaan bevindt, vast aan de rivierbodem.
Zandlodderen werd gebruikt om de zwempogingen van kinderen aan te duiden die met hun voeten steun zochten op de rivierbodem.

En mèrkkat kwam reeds vele jaren geleden nog maar uiterst zelden voor.
Het is de grote modderkruiper of weeraal.
Bij verandering van weer komt deze vis vaker naar de oppervlakte om lucht te happen.

En tómetkèjen is een katje uit een tweede worp in het najaar, najaarskat.
Deze katjes waren waren in zekere zin 'nakomertjes', over 't algemeen waren ze zwakker, kleiner en fijner van bouw.

Tómet (toemaat) heeft als basisbetekenis toegift, overmaat.
Het betekent ook gras, hooi van de tweede snee, najaarshooi.
De hoeveelheid was kleiner dan de eerste snee.
Maat kan in deze betekenis verwijzen naar het Middelnederlandse made, maet (weide, hooiland) en is verwant met maaien.

In het varkenshok is en gélt een onvruchtbaar wijfjesvarken , een varken dat men niet liet dekken of een jong wijfjesvarken voor het gedekt werd.
Nen bèrg een gesneden mannetjesvarken.
Het woord gaat terug op het Middelnederlandse barch en is verwant met het Latijnse ferire (slaan).
Vroeger werden namelijk voor castratie de testikels murw geklopt.
Van die praktijk vind je dan weer sporen in het woord klophengst, wat in het dialect ne piet is.
Ne piet duidt ook een hengst aan bij wie een der of beide testikels in de buikholte achtergebleven zijn.

Ne kásj is een ram.

Ne mù?en is een kalf en doet onwillekeurig denken aan het Engelse mutton en het Franse mouton, maar die woorden betekenen schaap, schapenvlees.

Nen bè?el duidt een wat ouder kalf aan.
Wellicht is er een verband met het Franse battre en battement die slaan, kloppen, stoeien, geklop, gestamp betekenen.
Tot ongeveer 1 jaar wordt een kalf ne mù?en genoemd.
Dan bereikt het lieve dier de status van nen bè?el.

Be?elen, gezegd van kinderen die wild tekeergaan, stoeien, wijst in die richting.

Mù?en en bè?el waren vaak gebruikte scheldwoorden.

Een aantal woorden die in de 'aanwijstaal' van volwassenen voor kleine kinderen gebruikt werden om dieren aan te duiden, klinken heel wat lieflijker.
E piejen, vogeltje, en tiksken, kuikentje, en téjen, hondje, e kiebe?en, kalfje, e mieme?en, schaapje, en e koesken, biggetje, varkentje.

Koes betekent bovendien (varkens)vlees en e koesken had de figuurlijke betekenis van deugniet.


Met dank aan Gust Adriaensen.